Harry Potter levert 208 miljoen treffers op, als je de naam intikt in Google. De gelittekende tovenaar geeft daarmee het nakijken aan "Adolf Hitler" (2,5 miljoen) en "Osama bin Laden" (2,4 miljoen), toch ook geen illustere onbekenden.
...

Harry Potter levert 208 miljoen treffers op, als je de naam intikt in Google. De gelittekende tovenaar geeft daarmee het nakijken aan "Adolf Hitler" (2,5 miljoen) en "Osama bin Laden" (2,4 miljoen), toch ook geen illustere onbekenden. Dat je een personage kunt bedénken dat de gemoederen meer beroert dan het verzamelde kwaad van de wereld. Dat spreekt mij aan, méér dan het door kranten uitentreuren herhaalde weetje dat J.K. Rowling bijna net zo rijk is als de koningin van Engeland (of was het nu rijker ? Ik wil ervan af zijn). Fan ben ik sinds die kerstvakantie toen ik aan de eerste Harry Potter begon, en niet meer ophield voor ik alle vier de toen voorradige delen had verslonden. Sindsdien is het alleen maar erger geworden. Voor het laatste boek wou ik zelfs niet wachten op de vertaling. Ik lees het in het Engels, mij erover verbazend dat een rugzak ook een rucksack wordt genoemd. Ik lees het niet halsoverkop, maar rek langzaam het genot, zoals bij tantristische seks. Nog honderd bladzijden te gaan nu, dan is het definitief uit met de pret. Intussen moet ik oppassen dat ik niets opvang van lieden die eropuit zijn het banket te bederven. Krantenbladzijden waarin de geheimen ondersteboven werden prijsgegeven, of in spiegelschrift, heb ik ritueel in het haardvuur verbrand. Hoe het ook afloopt, ik zal die Deathly Hallows dichtslaan met een gevoel van rouw. Alsof iemand die mij lief was te jong is gestorven. "Ik heb gezworen nooit een boek van Harry Potter open te slaan. Iets dat door zovelen wordt gelezen, kan toch niet deugen ?" Dat zei mij een hoofdredacteur van de grootste krant van het land, zich vermoedelijk niet bewust van de ironie. In dat soort snobisme wil ik mij niet verliezen. Weirde belangstellingen heb ik al genoeg, zoals Persijns kalkovens, ouderwetse scheermessen en foto's van parende mensen uit de negentiende eeuw - om de wonderbaarlijke Lada Niva niet te vergeten. Ik ben al blij eens te kunnen opgaan in iets waarin miljoenen anderen opgaan, en dat je met andere woorden tot de mainstream kunt rekenen. Natuurlijk hebben de slechte verfilmingen mij geïrriteerd. Dat doet zelfs de gedrochtelijke coverillustratie van het laatste boek, waarvan ik mij de kinderversie heb laten aansmeren, zodat ik het op een caféterras amper kan openslaan zonder mij te schamen. Natuurlijk stoort de merchandising mij, de Potterbekers, het Potterlegokasteel, de Potterprentjes die in van die onnozele zakjes worden verkocht. De replica's van toverstokken waarop vermeld staat dat ze niet als speelgoed zijn bedoeld. Zelfs de naam Harry Potter heeft mij altijd een beetje tegengestoken. "Zo doof als een potter", zeggen ze niet voor niets in de streek waar ik vandaan kom (0 treffers in Google). Ook een homo wordt daar denigrerend "een potter" genoemd, al van lang voor die boeken bestonden. De Pottersaga, zoals ze aan de fantasie van Rowling is ontsproten, vind ik daarentegen briljant. Dagenlang ademloos leesplezier heb ik daar al aan gehad, van het soort dat je dacht te hebben achtergelaten in het ridderkasteel van je jongensjaren. Ik denk dat de boeken inspelen op wat velen diep van binnen willen. Ontsnappen aan de knellende greep van Colruyt en grasmaaier. Strijden voor wat je pathetisch zou kunnen noemen : het goede, en de toekomst van de wereld. De nacht waarin deel zeven uitkwam, stond ik, ik beken het node, in de wachtrij voor een boekhandel. Vijfhonderd mensen voor mij deden mij besluiten dat het nu ook weer zo dringend niet hoefde. Toen er een paar idioten opdaagden die zich als tovenaar hadden uitgemonsterd, droop ik met de staart tussen de benen af. Toch was het de moeite om bij nacht en ontij tot daar te zijn gewandeld. Al was het maar voor die glimp van dat meisje, ze was misschien veertien, dat op haar hurken de eerste bladzijden zat te lezen in het licht van de etalage van een parfumerie. De gretigheid op haar gezicht. Haar opperste concentratie. Het was een beeld dat ik niet had willen missen. Op niet mis te verstane wijze toonde zij mij de kracht van het woord, van goede verhalen. Ook in deze tijd, die voor een niet onaanzienlijk deel uit rommel en bagger bestaat, waarin dreuzels zich veel te gemakkelijk installeren. Jean-Paul Mulders