Dit "eiland van de goden" heeft altijd al een bijzondere aantrekkingskracht uitgeoefend op westerlingen. Ook vroeger, toen Bali lang niet zo makkelijk te bereiken was als nu, en nog niet in reisbrochures werd aangeprezen als het ultieme vakantieparadijs.
...

Dit "eiland van de goden" heeft altijd al een bijzondere aantrekkingskracht uitgeoefend op westerlingen. Ook vroeger, toen Bali lang niet zo makkelijk te bereiken was als nu, en nog niet in reisbrochures werd aangeprezen als het ultieme vakantieparadijs.We keren terug naar de jaren '20, toen de eerste elitaire bezoekers Bali ontdekten en er voorgoed hun ziel verloren. Trefpunt: de Sayan-vallei waar de Duitse kunstenaar en musicoloog Walter Spies in 1927 belandde en waar hij dertien jaar lang de spilfiguur zou blijven van een kring van buitenlanders - kunstenaars, wetenschappers, wereldreizigers en hedonisten - op zoek naar ongerepte natuur. Onder hen Margaret Mead, Gregory Bateson en Barbara Hutton, die langere tijd op Bali bleven en aansluiting zochten bij de bestaande, traditionele cultuur. De woning van Spies groeide snel uit tot een ontmoetingsplaats waar ook sterren als Charlie Chaplin en Noel Coward over de vloer kwamen. Walter Spies was de godfather van het culturele gebeuren en is grotendeels verantwoordelijk voor het paradijselijke beeld dat we nu nog hebben van Bali. Getroffen door de gamelanmuziek en gefascineerd door de verhalen die de ronde deden over Spies en zijn gasten, trok ook de jonge musicoloog Colin Mcphee naar Bali. Zijn verslag over zijn woning in Sayan, A House in Bali, is nog steeds een van de meest leesbare en herkenbare beschrijvingen van die tijd. "Sayan strekt zich uit over de top van de smalle bergkam. Het landgoed dat ik wou, lag aan het einde van het dorp, naast het kerkhof, aan de rand van een diepe ravijn. Helemaal beneden liep de rivier, aan de overkant van de vallei zag ik de rijstterrassen verdwijnen in het palmbomenbos. Daarachter zag je dan de bergruggen van de Tabananbergketen en helemaal in het zuiden, tussen de bergen, glom een klein stukje van de zee. Ooit was dit stukje land terrasvormig om rijst te verbouwen, maar nu is het helemaal overwoekerd door gras. Sayan was een klein dorpje, zonder dorpsschool, alle inwoners waren boeren..." Een relaas dat meer dan vijftig jaar geleden werd opgeschreven. En toch herken je moeiteloos dit plekje waar nu Taman Bebek staat: een klein domein met een viertal huisjes, oorspronkelijk een verblijfplaats voor vrienden van Made Wijaya, nu een geheime tip voor vakantiegangers die het surfen en zonnen moe zijn. De ingang ligt halfverscholen tussen de struiken, recht tegenover een rommelig winkeltje met etenswaren, kleurrijke bloemen en houten beeldjes. Het pad buigt geleidelijk aan naar rechts en voert tussen palmbomen en lage, bemoste muurtjes, over een trapje en dan weer naar links. Af en toe ontwaar je tussen het weelderige groen een van de huisjes. En plotseling sta je op de plaats die Colin Mcphee zo treffend beschreef, vlak bij die schitterende vallei. Aan de rand ligt het zwembad, een elegante kom met helderblauw water. Vlakbij, wat teruggetrokken tussen de klapperbomen staat een koloniaal aandoende woning, steunend op palen en met een schitterend terras. Ze vertoont een mengeling van stijlen - van Thais-Maleisische invloeden tot minimalistische elementen - die wonderwel past in dit exotische oord. Het is trouwens een algemeen kenmerk van de Indonesische architectuur dat veel externe invloeden werden geïntegreerd en hervertaald volgens de eigen normen.Zowel het huis als het hele interieur werden bedacht door Made Wijaya, alias Michael White, een excentrieke Australiër die 26 jaar geleden zijn thuisland verliet, Bali als tweede vaderland adopteerde en er uitgroeide tot een tuinarchitect en ontwerper met wereldfaam. Hij ziet het als zijn taak om zijn dromen in zijn geadopteerde paradijs te realiseren, zonder het historisch perspectief van het land uit het oog te verliezen. Dogma's zijn hem vreemd. Ook in deze woning herken je sporen van diverse culturen: naast wajang-motieven op de houten panelen, vind je er bijvoorbeeld stoffen, gemaakt door de Engelse Victoria Wymouth maar geïnspireerd op Marrakech, een van zijn favoriete steden. Made Wijaya noemt het "een romantische interpretatie van ervaringen die ik heb opgedaan tijdens mijn reizen". In de slaapkamer troont een heerlijk hemelbed onder een klamboe - enig van sfeer, vooral als het regent. Het huis werd heel natuurlijk gehouden. Het is opgetrokken uit bankiraï, een harde tropische houtsoort uit Kalimantan, uit bamboe en uit palmhout. Omdat het halfverscholen ligt in het groen krijg je binnen tegelijk een gevoel van intimiteit en van openheid door de vele vensters die de natuur binnenhalen. Doordat de woning zo transparant is, heerst er op elk moment van de dag een andere magische sfeer. Iets verder gelegen, bijna gevaarlijk dicht bij de afgrond, ligt een ander huis, Made Wijaya's eerste woonplaats, gebouwd in 1973. Om er te geraken moet je eerst door een klein poortje en verder langs het pad door een steeds dichter wordende begroeiing, tot je belandt bij een felgroen deurtje onder een met riet bedekt dak. De woning combineert traditionele en moderne elementen met een vleugje koloniale stijl. "De enorme, achthoekige kokoshouten palen maken dit huis uniek, ze rusten op rivierstenen. In de binneninrichting vind je zowel Nederlandse, Australische als Portugese invloeden, met hier en daar Indonesische volkselementen zoals deuren van houtsnijwerk en Javaanse beeldhouwkunst. Die geven het interieur een sfeer die typisch is voor Ubud, het culturele centrum van Bali. De opvallende deur, ingelegd met zeldzame schelpen, komt van Nusa Penida, voor de kust van Bali", licht Made Wijaya toe.Bij het binnenkomen sta je meteen in een grote ruimte die overgaat in een terras. Hier hang je letterlijk boven de afgrond. Ga je via het kleine trapje naar beneden, dan kom je op een nog ruimer overdekt terras, eenvoudig afgewerkt met natuurlijke steen, koraal en een dak van gedroogde klei. De decoratie is bescheiden: oude meubels, kleine opbergkastjes, vondsten van her en der, en opvallende groen-en-oranje-schilderingen van Stephen Little. Op het eerste gezicht een tweederangswoninkje, wat studentikozer ingericht, maar door zijn voorgeschiedenis en unieke ligging toch heel bijzonder. "Ik kom hier graag, vooral als ik in een nostalgische bui ben. Er zijn zoveel herinneringen aan mijn eerste verblijf op Bali verbonden", vertelt Made, terwijl hij zijn witte hoed afneemt en zijn bezweet voorhoofd afveegt met een zakdoek. "Tegelijk is dit huis een uitstekend voorbeeld van een klassieke fout: willen werken rond één bepaald effect. In dit geval: de diepe vallei. Door zo dicht tegen de rand te bouwen, gaat een groot stuk van het uitzicht verloren. En dat effect gaat na een tijd ook vervelen." Terwijl we op het terras genieten van nasi campur, het plaatselijke gerecht van kip, rijst en verschillende groenten, vertelt de flamboyante Australiër over zijn ervaringen, gekruid met kwinkslagen en grappige anekdotes. Hij is iemand die spreekt en handelt vanuit het hart, en dat merk je ook aan zijn huizen en tuinen. Op korte tijd verwierf hij wereldfaam als designer en hij heeft nu een groot kantoor op Bali en in Singapore. From rags to riches, het oude verhaal van de armoedzaaier die rijk wordt. Maar dat is hem niet aan te zien met zijn sjofele witte broek, luchtig wit hemdje en onafscheidelijke zonnebril op de neus. "Ik vergelijk mijn werk graag met dat van een Europese couturier. Terwijl hij een nieuwe jurk ontwerpt, denkt hij meteen aan de bijbehorende handtas, schoenen en juwelen. Zo wordt elk stuk een unicum, speciaal gemaakt voor een welbepaalde klant. Zo werk ik ook het liefst. Ik begin van niets en zet stap voor stap een woning, zorg voor de inrichting, ontwerp de tuin en voer hem ook uit. Het summum zou natuurlijk zijn als ik overal kon werken zoals op mijn eigen domein: eerst mijn eigen woning zetten, later nog eentje en veel later nog eentje... Zo kan het geheel organisch groeien en dat geeft het beste resultaat." Thomas Bouman / Foto's Sven Everaert