Stil maar wacht maar alles wordt nieuw, de hemel en de aarde... Die naïeve liedjesflard wolkt uit mijn kerkse schooltijd op als ik de werken zie aan het station, of de toren van 119 meter die uit het landschap oprijst als fallus van een falend bankwezen. Overal wordt er verwoed gebouwd, als om de neergang te logenstraffen. In het centrum van Gent heeft iets ter grootte van een intergalactisch ruimteschip met dubieuze bedoelingen een onzachte landing gemaakt tussen de historische gebouwen. Op de simulaties van de architect, waar van die griezelige, gladde mensjes in rondlopen, is deze 'stadshal' aanzienlijk kleiner dan ze in het echt uitvalt, tot woede van de talrijke tegenstanders. Zij noemen het een schapenstal en wilden liever iets met veel groen. Ook in Vilvoorde leidt men ons binnen in de stralend nieuwe wereld, met een heerlijkheid die Uplace moet heten - op zi...

Stil maar wacht maar alles wordt nieuw, de hemel en de aarde... Die naïeve liedjesflard wolkt uit mijn kerkse schooltijd op als ik de werken zie aan het station, of de toren van 119 meter die uit het landschap oprijst als fallus van een falend bankwezen. Overal wordt er verwoed gebouwd, als om de neergang te logenstraffen. In het centrum van Gent heeft iets ter grootte van een intergalactisch ruimteschip met dubieuze bedoelingen een onzachte landing gemaakt tussen de historische gebouwen. Op de simulaties van de architect, waar van die griezelige, gladde mensjes in rondlopen, is deze 'stadshal' aanzienlijk kleiner dan ze in het echt uitvalt, tot woede van de talrijke tegenstanders. Zij noemen het een schapenstal en wilden liever iets met veel groen. Ook in Vilvoorde leidt men ons binnen in de stralend nieuwe wereld, met een heerlijkheid die Uplace moet heten - op zich al een naam om voor terug te deinzen - en die de bekende cocktail brengt van megalomanie, vierkante meters en twijfelachtige werkgelegenheid. Het lijkt of wij, in deze wormstekige 'jaren tien' waarvan de naam zo dun uitvalt, heftig terugverlangen naar de bouwwoede van wat the golden sixties werd genoemd. Ook in mijn omgeving : een niet aflatende stroom gedaver, getimmer en genagel. Liftmotoren worden vervangen, bakelieten tellerkasten vernieuwd, ramen van een halve eeuw oud uitgebroken alsof het niets is, met de vingers in de neus als het ware, en ik moet de aandrang bevechten om naar de werkman die dat doet toe te lopen en in zijn oor te roepen, dwars door het gefrees en het zingen van de drilboren : "He, hou toch op, door dat raam stond al iemand in de verte te staren voor jij en ik werden geboren." Maar daarvan is niemand onder de indruk natuurlijk. Supergeïsoleerd zal de wereld van de toekomst zijn, en van poly- vinylchloride. Voor de renovatiewerken moet de elektriciteit een dag lang worden afgezet en ik voel hoe mijn wereld op slag geneest van zijn hyperkinesie. Geen assertieve, blije, eisende, dwingende, vragende, bedelende, belerende, hitsige of mij 5.000.000 dollar uit Guinese kopermijnen belovende mailberichten. Geen door het facetoog van Twitter vermiljoenvoudigde niemendallen. De gevatheid is met vakantie, alsook de meningen. Wat overblijft, is de kalmte en, bij flakkerend kaarslicht, de confrontatie met mijzelf, beroofd van de gebruikelijke middelen ter vermaak en verstrooiing. Ik voel iets wat grenst aan schrik, alsof ik onverwachts aan de afgrond sta van een ravijn, aan de oever van een al te rimpelloze zee van tijd, in de ijle luchtledigheid aan de kant van de maan die we anders niet zien. Maar mijn hart klopt verder en ik kan zelfs nog lezen, de eerste bladzijde van De Man zonder Eigenschappen bijvoorbeeld. Ik ben in die periode aanbeland waarin een mens naar zijn klassiekers teruggrijpt. Vreemd hoe anders alles wordt zonder stroom. Elektriciteit lijkt iets wat er altijd geweest is, terwijl mijn grootouders het nog eigenhandig in huis hebben gehaald en al die duizenden voorouders daarvoor het helemaal zonder hebben gedaan, blijkbaar met succes, gezien het feit dat ik hier zit, als optelsom van al die individuen die erin geslaagd zijn zich voltloos voort te planten. De verste van wie ik een daguerreotype bezit, was kleermaker in een Norbertijnenabdij. Daarvoor wordt alles troebel, een wirwar van namen en geboortedagen en nog hogerop niets dan stilte. Al die geboortes, al die sterftes. Al die verhalen die voorgoed verloren zijn gegaan. Daar moet ik aan denken als ik aan een ziekenhuis passeer dat volledig leeggehaald staat te wachten op de sloper. Nog wat versleten zon valt door de ramen naar binnen, al even verloren als ik, in die ontzaglijke uitgestrektheid van tijd en ruimte en toch met ankerpunten even tastbaar als : een nieuw pyjamaatje van Petit Bateau, maat 6, met hartjes en geheel roze, waar mijn dochter de mouwen van omslaat en zegt : "Je moet mijn kleertjes altijd een maat groter kopen, papa. Ik groei zo snel tegenwoordig." Tegenwoordig. Het is grappig dat woord uit haar mond te horen. Hoewel nog geen vijf, schijnt zij al aanleg voor plechtigheid te hebben. Niet zo haastig, denk ik. Wacht nog even met volwassen worden, dat verschijnsel dat je geboortedag omkeert en aanvult met ambtelijke rommel, die je als rijksregisternummer te pas en te onpas moet invullen op documenten voor SIS-kaarten, Kruispuntbanken en aanverwanten. Gelukkig komen, eerst nog, de fopkaarsen. - jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders