Nog voor ik in de lucht hang, vlieg ik al in de champagne, een van de vele geneugten van een upgrade naar BA Club World. Terwijl ik experimenteer met de standen van mijn brede fauteuil benadert de piloot mij. "Excuse me", fluistert de gezagvoerder, "maar een upgrade voor je partner zit er niet in. Zoals je ziet : Club World zit vol, zoals meestal naar Barbados." "Echt waar, geen verontschuldigingen nodig", sputter ik tegen. Pech voor mijn reisgenoot, maar de gourmet style-maaltijden op écht servies smaken er niet minder om. Ook mijn nachtrust, languit als in een écht bed, lijdt niet al te zeer onder de aanwezigheid van mijn eega in economy.
...

Nog voor ik in de lucht hang, vlieg ik al in de champagne, een van de vele geneugten van een upgrade naar BA Club World. Terwijl ik experimenteer met de standen van mijn brede fauteuil benadert de piloot mij. "Excuse me", fluistert de gezagvoerder, "maar een upgrade voor je partner zit er niet in. Zoals je ziet : Club World zit vol, zoals meestal naar Barbados." "Echt waar, geen verontschuldigingen nodig", sputter ik tegen. Pech voor mijn reisgenoot, maar de gourmet style-maaltijden op écht servies smaken er niet minder om. Ook mijn nachtrust, languit als in een écht bed, lijdt niet al te zeer onder de aanwezigheid van mijn eega in economy. Uit de lucht lijkt Barbados niet meer dan een stip in een eindeloze azuurblauwe oceaan, een groene avocado klaar om te plukken. Liefkozend Little England genaamd, want sedert de zeventiende eeuw onafgebroken in Britse handen, tot het in 1966 onafhankelijk werd. Die Britse invloed merk je niet alleen aan de voorkomende piloot, maar ook aan het stuur van de taxi dat aan de 'verkeerde' kant zit. Op de Platinum Coast, vermaard voor zijn mooie stranden en prima golfbanen, komen Tiger Woods of Tony Blair een balletje slaan. Verbaast het dan dat zoveel Britten dit als een home away from home beschouwen, mét aangenaam klimaat ? In de haven, tussen enkele cruiseschepen, groot als drijvende appartementsblokken, lijkt het paradepaardje van de Star Clipper-vloot klein. Ouderwets ook, een perfecte kopie van de legendarische Preussen uit 1902, ooit het grootste en snelste zeilschip. Met zijn elegante romp en vijf dwars getuigde masten doet de klipper onvermijdelijk denken aan een piratenschip uit een jongensboek. De Royal Clipper, in de vaart sedert 2000, is de grootste windjammer ter wereld. Gelukkig dienen al die zeilen niet enkel ter versiering, zo bewijst de Royal Clipper bij het vertrek uit Barbados. Matrozen gooien de trossen los, kruipen in het want en hijsen de zeilen, het ene na het andere, tot het volschip opgetooid als een witte bruid wappert in de wind. "We varen zoveel mogelijk op windkracht", zegt kapitein Sergey, een bedaarde Rus die zichtbaar geniet van zoveel schoonheid. "Niet alleen voor de ervaring van onze gasten, maar ook om brandstof te besparen." Op het dek weerklinkt een opgewonden gekakel, als was het de toren van Babel op de ark van Noach, het bewijs dat het internationaal gezelschap de inspanning waardeert. Geen wereldsteden of toeristische toppers wachten ons op deze zeilreis, wel een resem piepkleine eilandjes, amper een zakdoek groot. Naar men zegt met de mooiste stranden ter wereld, hoe subjectief zo'n ranglijst ook mag zijn. Barbados, Grenada, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, allemaal pronken de Bovenwindse Eilanden in de top van 's werelds kleinste onafhankelijke staten. Veelal draagt het Engelse koningshuis als staatshoofd nog steeds de Commonwealthkroon, maar een voor een bevochten de vroegere Britse kolonies hun onafhankelijkheid. Niet altijd zonder slag of stoot. Zoals Grenada, de zuidelijkste schakel in de ketting, dat de hoofdpunten van het nieuws haalde in 1983. Even dreigde het een lilliputter-Cuba te worden, maar een Amerikaanse invasie maakte in een wip een eind aan het communistisch regime in de achtertuin. Sindsdien heerst de Pax Americana in de Cariben, een droombestemming voor een winterbreak. Eerste halte : Captains' Best, een verlaten zandstrand op de Grenadines. Azuurblauw water, torenhoge palmbomen en een houten strandbar met calypso en rum. Niet meer, niet minder. Tenderboten brengen ons naar de kust, want er is geen aanlegsteiger. Als militairen op invasie landen we rechtstreeks op het strand, met de voeten in de branding. Handdoek op het zand, klaar. Opgelet, niet recht onder een kokospalm ! Je kunt snorkelen, wandelen of niets doen. Een passagier danst met de barvrouw, we drinken rum en verbroederen. In de schaduw van palmbomen verkopen dorpelingen juwelen van schelpen en zaden, strandlakens in rastakleuren en bokalen zelfgemaakte pikante saus. Drank en eten groeit hier - letterlijk - aan de bomen. Eilanders kennen wel honderd manieren om de grote vruchten van de broodboom te bereiden. Kinderen plukken de kokosnoten in de top van de palm. Met een machete hakt de jongen de groene vrucht behendig open. De natuurlijke dorstlesser is the next big thing in New York, zo leer ik van een medereiziger die gulzig de pulp oplepelt. Als enkele regendruppels vallen, vluchten de meeste passagiers snel terug met de tenders. Vreemd, maar na de tropische bui heb ik het strand voor mezelf. Hoe lang zou het duren, vraag ik me af, voor eilandvrees me bevangt ? Hoe moet het zijn, hier geboren, getogen en nooit weggeweest ? Van alle idyllische plekken waar we voor anker gaan, spreken de Tobago Cays nog het meest tot de verbeelding : vijf onbewoonde eilanden in het zuiden van de Grenadines, een van de laatste ongerepte koraalriffen in de Cariben, tot 1999 in privébezit. De archipel, weggelopen uit een exotische reclamebrochure, is sinds 2000 beschermd als National Marine Park. Vooral bij het Horseshoe Reef oogt het onderwaterleven spectaculair, met naast het gewone grut ook bontgekleurde vissen, een school majestueuze roggen en hier en daar een solitaire schildpad, een haast prehistorisch dier dat schichtig de dieperik induikt. Minder schuw is een kleine - ongevaarlijke - haai die in de branding van een zandbank stoeit. Niet toevallig werd hier Pirates of the Carribean gedraaid. Vlak bij ligt Canouan, een vakantieoord met peperdure luxe-logies. Na enkele dagen aan boord, kweek je je eigen routine. De Royal Clipper biedt dagelijks een bonte waaier activiteiten, te beginnen met gymnastiek elke ochtend om 8 uur (nee, dank u), gevolgd door spreekbeurten van marinebioloog Laura of story time met de kapitein, tot duiken op open zee of andere watersportactiviteiten. Op gezette tijden kun je zelfs de mast in, tot een arendsnest halfweg (ja, graag). De klim, gezekerd in een harnas, garandeert een unieke beleving van de Royal Clipper. Op elke ankerplaats kun je kiezen uit excursies, nu eens een bezoek aan een historische plantage, een nootmuskaatcoöperatie of een botanische tuin, dan weer een zipline door de boomtoppen of een wandeling naar een waterval. Je kunt natuurlijk ook gewoon op een ligstoel op het dek liggen, speurend naar dolfijnen. Op Grenada kies ik voor een catamarantocht vanaf de haven van Saint George langs de Caribische kust. Niet alleen het snorkelen bij het rif is uitmuntend, ook de gegrilde kreeft en de traditionele visstoofpot op het Island of Hog smaken voortreffelijk. Het is niet moeilijk je hier een miljonair te wanen, rumpunch in de hand, terwijl ijsvogels kwetteren in de boomtoppen en de zon in zee zakt. Na de verlaten stranden van de voorbije dagen lijkt de verkeersdrukte in Kingston, hoofdstad van Saint Vincent, buitengewoon. Pas in 1978 werd Saint Vincent en de Grenadines een onafhankelijk land. In de smalle kasseistraatjes, met hun pastelkleurige gevels en lommerrijke passages, lijken vijf wagens een file. Voor mij vandaag geen door het schip georganiseerde excursie, maar een trage verkenning van het broeierige stadje, verweerd koloniaal erfgoed waar rumbars de toon zetten. Verder van de haven vertraagt het ritme tot een gezapige Caribische beat. In de botanische tuin, de oudste van het westelijk halfrond, heeft niemand minder dan kapitein Bligh van de Bounty in 1793 een broodboom geplant. Vogelaars vinden in een kooi een handvol illegaal gevangen exemplaren van de nationale vogel, de endemische Sint-Vincentamazone (Amazona guildingii). De grote bontgekleurde papegaai, met felle tinten geel en blauw, wordt door ontbossing met uitsterven bedreigd. Na een blitzbezoek aan de Anglicaanse kathedraal haast ik me in een taxi naar de Belmont-lookout. Het panorama over Mesopotamia Valley, de broodmand van Saint Vincent, lijkt een prentbriefkaart in 360 graden. Welig woekeren bananenbomen, nootmuskaat, cacao, kokos-noot en breadfruit in de vallei, gedomineerd door de keten van de duizend meter hoge Grand Bonhomme. Een andere ochtend, een ander eiland. En wat voor een. Het bergachtige Saint Lucia, met 160.000 inwoners op zeshonderd vierkante kilometer, is een ruwe parel. Al van ver markeren de Pitons, twee vulkanische pluggen van ruim zevenhonderd meter hoog en erkend als Unescowerelderfgoed, de skyline. Hier geeft de archipel zijn vulkanische origine bloot, met de zwavelpoelen en fumarolen van La Soufrière, de enige drive-invulkaan ter wereld. We gaan voor anker in Marigot Bay, passeren pittoreske vissersdorpen zoals Anse la Raye en Canarie, en bezoeken de Soufrière Botanical Gardens, een van de oudste plantages in een zee van suikerriet. Bougainvilles, franchipanes en hibiscus harmoniëren in het authentieke plantagehuis met chippendale-rococo, Chinees porselein en Victoriaans antiek. Na een week aan boord, heerst op de terugweg naar Barbados een uitbundig sfeer. In de beschutting van de eilanden zeilde de Royal Clipper gezapig. Hier, op open zee, klieft het volschip in een deinende vaart door de baren. Gevoelige magen met zeebenen pakken nu hun koffers, maar in de bar viert de laatste piratenparty de kracht van de wind. TEKST & FOTO'S JO FRANSEN