Er bestaan nauwelijks getuigenissen over het dagelijks leven in het Cambodja van Pol Pot. Loung Ung was vijf jaar toen de Rode Khmer daar in 1975 het bewind overnam. In Eerst doodden ze mijn vader beschrijft ze haar jeugd in dit land, dat vier jaar lang één groot concentratiekamp was. Het bijzondere aan Eerst doodden ze mijn vader is niet zozeer het schokkende relaas van de gebeurtenissen of de beschrijving van een dictatuur die misschien nog wreder en zinlozer was dan die van Stalin en Mao, maar wel de manier waarop Loung Ung het grootste deel van het boek consequent vanuit het perspectief van een kind vertelt. Pas in de epiloog komt de volwassene aan het woord en verandert de toon van het verhaal. Volgens de auteur was dit de enige manier om na twee decennia van stilte weer aansluiting te vinden bij haar oude zelf.

Loung Ung: Ik was een zeer vrolijk, nieuwsgierig en vooral praatgraag kind. Als we over straat liepen, knoopte ik met bijna elke venter een gesprekje aan. Mijn moeder raakte geregeld geïrriteerd door mijn eindeloze woordenstroom, omdat ze vond dat jongedames niet te veel moesten praten. Maar mijn vader moedigde het juist aan. Onder het bewind van de Rode Khmer moest ik echter zoveel mogelijk mijn mond houden. Elk woord kon ons verraden. We moesten onze omgeving in de waan laten dat we een arm boerengezin waren. Ook onder elkaar spraken we zo weinig mogelijk. Soldaten, maar ook buren, luisterden 's avonds geregeld aan de deur van je hut om te controleren of er contrarevolutionaire gesprekken werden gevoerd. De Rode Khmer probeerde namelijk niet alleen ons dagelijks leven, maar ook de taal te zuiveren van kapitalistische invloeden. Met het oog daarop werden er talloze nieuwe woorden geïntroduceerd. In het boek heb ik maar zijdelings gerefereerd aan deze Orwelliaanse Newspeak. Ik sprak mijn vader aan met 'kameraad'.

Zwijgen werd een tweede natuur. Zelfs toen mijn oudste broer mij meenam naar de Verenigde Staten bleef ik zwijgzaam. In Vermont woonden nauwelijks niet-blanken en de blanke Amerikanen wilden hun verloren Vietnam-oorlog het liefst vergeten. Niemand was dus geïnteresseerd in mijn verhaal. Vanaf mijn vijftiende kreeg ik echter steeds vaker nachtmerries over Cambodja. Een lerares raadde me daarom aan mijn herinneringen op papier te zetten, maar de emotionele drempel was zo hoog, dat ik bladzijden kon vol schrijven en naderhand absoluut niet meer begreep wat ik had neergepend. Ik las het alsof een ander het had geschreven. Toch hielp het. Zonder die eerste pogingen had ik jaren later dit boek nooit kunnen schrijven.

Uw boek begint met een beschrijving van uw laatste gelukkige dagen onder het oude bewind van generaal Lon Nol. Het lijkt een verloren paradijs. Moest u eerst aansluiting vinden bij dat kind?

Inderdaad. Ik wilde bovendien laten zien dat veel oorlogskinderen niet alleen maar ellende hebben meegemaakt en niet zelden uit een normaal, liefdevol gezin komen, net als gewone kinderen. Het is een misverstand te denken dat kinderen zich makkelijker aan een oorlogssituatie aanpassen dan volwassenen. Je mist je ouders even hard wanneer je ze kwijtraakt als omgekeerd ouders hun kind. Ons gezin zal voor een Amerikaanse of Europese lezer waarschijnlijk ook heel herkenbaar overkomen. Mijn vader was aanvankelijk zakenman en later kapitein bij de militaire politie in de hoofdstad Phnom Penh. Wij behoorden tot de middenklasse en leefden vrij comfortabel. We hadden bijvoorbeeld een auto en een telefoon. Natuurlijk waren wij bevoorrecht in het Cambodja van toen. Er was een burgeroorlog aan de gang, de Amerikanen bombardeerden de grensstreek. Daarbij raakten duizenden boeren hun huis en grond kwijt en de steden raakten overspoeld met vluchtelingen die niets meer bezaten. Een kind van vijf ziet daar echter niets van. Toen de soldaten van de Rode Khmer op 17 april 1975 Phnom Penh binnentrokken, stond ik op de stoep naar ze te zwaaien. Toen ons gezin de dag daarop, net als alle andere stedelingen, halsoverkop naar het platteland moest vertrekken, was dat voor mij het begin van een onbegrijpelijke nachtmerrie.

De Rode Khmer ging nog radicaler te werk dan de Russische en Chinese communisten. Kunt u hun fanatisme verklaren?

Ik denk dat de Rode Khmer beter dan wie ook besefte dat het communisme al in 1975 wereldwijd op zijn retour was. Stalins project was na diens dood door zijn opvolgers gedeeltelijk teruggedraaid en met Mao's ideeën gebeurde in de tweede helft van de jaren zeventig hetzelfde. Volgens Pol Pot en de zijnen hadden hun voorgangers gefaald, juist omdat ze niet snel en radicaal genoeg waren. De Rode Khmer wilde daarom geen Grote Sprong Voorwaars maken, maar een Supergrote Sprong Voorwaarts. Cambodja moest een ideale, klassenloze, agrarische samenleving worden. Om dat te bereiken, moesten alle verdorven westerse invloeden in één klap worden tenietgedaan. Wetenschap en techniek moesten weg. Televisie, stethoscopen, telefoon, medicijnen: het verdween allemaal van het toneel. Alleen voor vrachtauto's en moderne wapens werd een uitzondering op de regel gemaakt, omdat het land anders volledig naar het stenen tijdperk zou zijn afgegleden en de communistische partij haar machtsmonopolie niet had kunnen verdedigen tegen haar binnen- en buitenlandse vijanden. Ook wie kennis bezat, werd uit de weg geruimd: artsen, ingenieurs, advocaten. Voor zover ze niet direct werden vermoord, moesten ze worden 'heropgevoed' op het platteland. De steden werden dus spooksteden.

Van een klassenloze maatschappij was overigens geen sprake. U beschrijft de drie nieuwe klassen: kaderleden, basismensen en nieuwkomers. Het lijkt echter of vrouwen en leden van de Vietnamese en Chinese minderheid nog een vierde en allerlaagste klasse vormden?

De basismensen waren de oorspronkelijke plattelandbewoners. Deze boeren waren volgens de Rode Khmer niet aangetast door westerse invloeden en stonden dus in hoger aanzien dan de voormalige stedelingen. In een tot werkkamp omgevormd dorp had je meestal vijftig tot honderd basismensen en enkele honderden nieuwkomers. De basismensen beschikten over meer voedsel en betere onderkomens en mochten bovendien de nieuwelingen commanderen. Vaak was er ook een onzichtbare scheidslijn in het kamp, die wij, nieuwkomers, niet overschreden. Ras of etnische afkomst was een ander punt van onderscheid. Veel stedelingen behoorden tot de door de boeren gehate Vietnamese of Chinese minderheid. Wie een iets lichtere huid had, werd voortdurend uitgescholden en riskeerde vaak een pak slaag. Vrouwen golden helemaal als zwak en minderwaardig. Hoe aantrekkelijker je was, hoe groter de kans dat je werd verkracht. Soldaten kwamen geregeld 's avonds meisjes halen. Soms keerden die meisjes de dag daarop als zombies terug, maar meestal zag je ze nadien nooit weer. Uiteindelijk kun je ook invaliden en zieken nog als een aparte klasse beschouwen. Wie een arm of been verloor door op een landmijn te trappen, werd door de Rode Khmer ter plekke afgemaakt. Wie niet kon werken, had geen nut voor de gemeenschap en kostte maar voedsel. Hetzelfde gold voor zieken. Aangezien er geen artsen en medicijnen meer waren, veranderden de hospitalen in ware sterfhuizen. Vooral kinderen en ouden van dagen werden massaal aan hun lot overgelaten en crepeerden in overvolle zalen te midden van grote hoeveelheden urine, bloed en fecaliën.

Het is opvallend met hoe weinig soldaten de Rode Khmer een heel kamp controleerde. In Lo Reap, waar uw familie enkele maanden verbleef, waren er slechts twee. Waarom waren er zo weinig ontsnappingen en was er zelfs nooit ook maar het begin van verzet?

Dat er geen verzet was, heeft te maken met het volstrekte gebrek aan solidariteit. Wij waren niet alleen bang voor de soldaten en de basismensen, maar ook voor de nieuwkomers. Mijn vader heeft ons een paar keren doen vertrekken naar een ander kamp omdat hij vreesde door oude bekenden uit Phnom Penh te worden herkend. Die konden mijn vader aangeven als voormalig militair. Verraad was aan de orde van de dag. Je kon niemand vertrouwen. Bovendien wisten we niet wat er zich buiten ons kamp afspeelde. Er waren geen kranten, er was geen post, radio of televisie en er werd niet meer gereisd. Zelfs vage geruchten bereikten ons slechts zelden. Als zich in een naburig dorp een opstand had voorgedaan of de rest van de planeet in een derde wereldoorlog was verwikkeld geraakt, hadden we het niet geweten. U moet namelijk niet vergeten, dat we zelfs geen besef van tijd meer hadden. De tijd was opgehouden in het jaar 1975, dat door de Rode Khmer was omgedoopt in het jaar nul. Kalenders, klokken en horloges waren afgeschaft. Wij moesten aan de stand van de zon en de maan, aan de wisseling van de seizoenen bepalen of het ochtend of middag was, winter of zomer. Er waren officieel maar twee uren: twaalf uur 's middags en zes uur 's avonds, de tijdstippen waarop er werd gegeten. We konden echter met geen mogelijkheid onafhankelijk bepalen of dat wel degelijk om twaalf en zes uur gebeurde. Het was twaalf uur en zes uur omdat zij zegden dat het zo laat was. Voor iemand die dit niet heeft meegemaakt, is het onmogelijk te beseffen wat voor een gevoel van hulpeloosheid dit veroorzaakt. Zelfs nu bezorgt dit me nog een bepaalde mate van onzekerheid. Als ik zeg dat iets in juli van het jaar 1977 plaatsvond, baseer ik me daarvoor op mijn eigen tijdsgevoel. Het kan best zijn dat het in werkelijkheid in augustus of juni was.

Maar het voortdurende gebrek aan voedsel was toch een even belangrijk wapen in de handen van de Rode Khmer? Wie honger lijdt, kan maar aan één ding denken...

Zeker. Wij hadden aanvankelijk nog het geluk dat mijn ouders een aantal gouden sieraden hadden weten te verbergen. Die konden ze met de basismensen ruilen voor wat kip en rijst. Maar dat was erg gevaarlijk. Toen mijn jongste zusje Geak totaal ondervoed was geraakt, heeft mijn moeder getracht de laatst overgebleven robijn te ruilen voor een kip. De vrouw die ze daarover had aangesproken, riep op het moment van de afspraak echter een man. Die pakte de robijn gewoon af en sloeg mijn moeder bont en blauw. Eigenlijk heeft ze nog geboft, want als hij haar had aangegeven, zou ze meteen zijn geëxecuteerd.

De rantsoenen die we kregen werden nu eens verlaagd, dan weer verhoogd. Soms hadden we maandenlang net genoeg te eten om weer op krachten te komen, maar meestal leden we vreselijke honger. Ik heb van alles gegeten om in leven te blijven: bladeren, gras, kikkers, slangen, sprinkhanen en kevers. Sommige mensen aten zelfs wormen en ook kannibalisme was geen zeldzaamheid. Het ergste was dat we onze graatmagere lijven dagelijks naar het veld sleepten en daar urenlang tussen de rijpe tomaten, de maïs en de rijst stonden te ploeteren, zonder er ook maar iets van te eten. We waren zo bang voor de soldaten dat we ons overlevingsinstinct onderdrukten.

Dat klinkt als een Chinese val: als je er niet van eet, sterf je van de honger, als je er wel van eet, sterf je door de kogel. Wat je ook doet is fout...

Dat soort situaties was schering en inslag in het Cambodja van Pol Pot. Iemand die een bril droeg, riskeerde de kogel, want een bril werd volgens de Rode Khmer alleen door intellectuelen gedragen, dus door mensen die sterk door de westerse invloeden waren aangetast. Om niet als zodanig herkend te worden, gooiden sommigen hun bril weg, zodat ze nauwelijks zagen waarmee ze bezig waren. Ze werkten te langzaam naar de zin van de soldaten en werden toch geëxecuteerd.

Op een gegeven moment werd uw vader toch herkend, aangegeven en gearresteerd. U beweert dat het gezin heeft overleefd omdat uw moeder het opsplitste. Was dit een ongebruikelijke stap?

Zeer ongebruikelijk. De meeste gezinnen en families bleven koste wat het kost bij elkaar, zelfs nadat het besef was doorgedrongen dat alle gezinsleden gevaar liepen zodra een van hen gearresteerd was. In de werkkampen waarin ik heb verbleven, heb ik dan ook meer dan eens gezinsleden collectief zelfmoord zien plegen nadat een van de dochters door de soldaten was meegenomen, omdat ze wisten dat ook zij eerdaags aan de beurt zouden zijn. De Rode Khmer speelde heel handig in op deze sterke familiebanden. Na verloop van tijd werd een deel van de jongens ingelijfd in het leger en een deel van de meisjes ondergebracht in speciale kampen. Op die manier kon het bewind er zeker van zijn dat de rest van het gezin zich gedeisd zou houden. Toen mijn vader was verdwenen, stuurde mijn moeder mij, mijn broer Kim en mijn zus Chou weg. Mijn beide oudere broers, Khouy en Meng, waren al eerder vertrokken. Alleen mijn zusje Geak bleef bij haar. Mijn oudste zus Keav was het jaar daarvoor al van honger gestorven. Op dat moment voelde ik me verraden en in de steek gelaten, maar achteraf besefte ik dat ze ons daardoor heeft gered. De kans dat ze ons allen te pakken zouden krijgen, werd een stuk kleiner. Mijn moeder en Geak hebben het overigens niet overleefd. Twee maanden voor we bevrijd werden door de Vietnamezen zijn ze verdwenen, vermoedelijk terechtgesteld. Ik kan er nog woedend over worden. Zo lang hadden ze overleefd, en acht weken, zestig dagen, veertienhonderd uur vóór het einde zijn ze toch nog gestorven.

Als u uw leven vooral aan uw moeder en niet aan uw vader te danken heeft, is het dan niet vreemd dat u in uw boek zo vaak een mateloze bewondering voor uw vader toont, terwijl u zich vaak ergert aan het gedrag van uw moeder?

Daarvan ben ik me ten volle bewust. Ik beschouwde mijn zus Chou als net zo'n zwakkeling als mijn moeder. Chou accepteerde al de pesterijen en slagen van andere kinderen heel gelaten, terwijl ik even hard terugsloeg.

In het werkkamp voor kinderen waar we beiden verbleven, heb ik de grootste pestkop zelfs bijna gewurgd. Het leverde me een pak slaag en een strenge straf op van de leiding, maar nadien bleven de pestkoppen ten minste uit mijn buurt, terwijl Chou slagen bleef incasseren. Toch heeft 'zwakkeling' Chou niet alleen het bewind van Pol Pot overleefd, maar ook de burgeroorlog van de jaren tachtig. Op haar achttiende is ze getrouwd en nu heeft ze vijf kinderen. Vrouwelijk gedrag - het gelaten accepteren en het vrij tonen van emoties - heeft voor mij lange tijd gelijk gestaan met zwakheid. Op een verstandelijk niveau besef ik dat dit onzin is, dat vrouwen vaak juist veel sterker zijn dan mannen. Maar op een dieper niveau kan ik die redenering niet volhouden.

Ik heb mijn vader op een te hoog voetstuk geplaatst. Het gevolg daarvan is, dat ik veel te veel verwacht van mannen en daardoor nog altijd niet getrouwd ben. Mijn wantrouwen tegenover het andere geslacht is ook veroorzaakt door een aantal nare ervaringen in Cambodja, onder meer door een verkrachtingspoging door een Vietnamese soldaat. Maar mijn wantrouwen is toch voornamelijk psychisch van aard. Als ik mijn vader niet op zo jonge leeftijd had verloren, was dat misschien helemaal anders geweest.

Pol Pot is dood, maar Cambodja gaat dit jaar waarschijnlijk een aantal andere leiders van de voormalige Rode Khmer berechten. Gelooft u dat een Cambodjaans 'Neurenberg' het land daadwerkelijk zal helpen het verleden te verwerken?

Ja. Ook al wordt slechts een klein aantal leden van de Rode Khmer veroordeeld en zal een groot deel van de misdadigers, net zoals Pol Pot, de dans ontspringen, toch zal een tribunaal een enorm symbolisch effect hebben. De jongeren die na het bewind van Pol Pot geboren zijn, gaan zich relatief makkelijk te buiten aan crimineel gedrag. 'Waarom zou ik me aan de wet houden,' zeggen ze, 'als al die moordenaars nog vrij rondlopen?' Het tribunaal zal ook helpen om de Cambodjanen te dwingen het verleden onder ogen te zien en te trachten een begin te maken met het verwerken ervan.

De Cambodjaanse holocaust is zonder weerga in de geschiedenis. Er vielen twee miljoen doden, dat is meer dan eenderde van de totale bevolking. Hoeveel overeenkomsten ziet u echter tussen uw lot en dat van de overlevenden van andere massaslachtingen, zoals dat van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog?

Ik heb op de middelbare school Het dagboek van Anne Frank gelezen en was er enorm van onder de indruk, ook omdat ik veel van haar in mezelf herkende. Toen ik bij de Campaign for a landmine free world ging werken, heb ik kennisgemaakt met Bosniërs, Mozambikanen, Angolezen en Afghanen. Het is me steeds duidelijker geworden dat onderdrukking en oorlog overal ter wereld dezelfde desastreuze effecten hebben op de menselijke geest. Ik heb ooit een documentaire over de Vietnam-oorlog gezien waarin de toenmalige bevelhebber van het Amerikaanse leger, generaal Westmoreland, glashard beweerde dat Aziaten minder emoties hebben en minder belang hechten aan een mensenleven dan blanken. Ik kan hem vanuit mijn eigen ervaring antwoorden dat wij evenveel hebben geleden onder Pol Pot als de joden onder Adolf Hitler en dat noch de intensiteit van vreugde en liefde, noch die van pijn en verdriet iets te maken heeft met de kleur van je huid.

Loung Ung, 'Eerst doodden ze mijn vader', vertaald uit het Engels door Irving Pardoen, Anthos/Manteau, 2000, 272 blz., 795fr.

Jeroen Kuypers & Piet de Moor / Foto Lieve Blancquaert