Het is een dag zonder wolken of zorgen en ik cruise op de Avenue Louise, samen met duizenden andere automobilisten waarvan waarschijnlijk geen enkele hetzelfde zoekt als ik : het hoofdkwartier van de Brusselse Gestapo. Uiteindelijk vind ik het : een crèmekleurig appartementsgebouw van twaalf verdiepingen, waar in de wereldbrand mensen gemarteld & vermoord werden, maar waar nu gewoon weer mensen slapen & eitjes koken, vergeetachtig als wij zijn.
...

Het is een dag zonder wolken of zorgen en ik cruise op de Avenue Louise, samen met duizenden andere automobilisten waarvan waarschijnlijk geen enkele hetzelfde zoekt als ik : het hoofdkwartier van de Brusselse Gestapo. Uiteindelijk vind ik het : een crèmekleurig appartementsgebouw van twaalf verdiepingen, waar in de wereldbrand mensen gemarteld & vermoord werden, maar waar nu gewoon weer mensen slapen & eitjes koken, vergeetachtig als wij zijn. Résidence Belvédère, heet het nu. Ik sta in de zwarte hal naar de namen op de brievenbussen te kijken, en probeer mij de dreiging voor te stellen die van dit gebouw moet uitgegaan zijn. Die dreiging was voor mijn eigen vader reëel. Hij woonde tijdens de oorlog in Brussel, al kan ik hem daar niet meer over ondervragen want hij heeft mij in 1986 verlaten, niet van plan om ooit nog met mij over de politieke toestand in de wereld te praten, noch over luchtverfrissers die beweging detecteren. Ik zweer u dat ze bestaan. Voor het Gestapo-gebouw, in een licht dat poederig zou kunnen heten, staat het borstbeeld van de man die sinds kort een held van mij geworden is : Jean de Selys-Longchamps, een Belg die in de oorlog piloot werd bij de Royal Air Force. Zijn verhaal is een nogal wonderlijke historie. Sinds zijn vader (volgens sommige bronnen zijn broer) in het hoofdkwartier van de Gestapo doodgefolterd was, zon de Selys op wraak. Hij vroeg zijn oversten toestemming om actie te mogen ondernemen tegen het gebouw aan de Louizalaan, maar kreeg telkens nul op het rekest. Op 20 januari 1943 zag de Selys zijn kans schoon. Met zijn Typhoon-jachtvliegtuig beschoot hij eerst plichtsbewust enkele spoorlijnen tussen Gent en Kortrijk, maar zei toen dat hij nog een klus moest klaren en zonderde zich af van zijn squadron. Op eigen houtje vloog hij richting Brussel. Al gauw doemde het Justitiepaleis voor hem op. Hij maakte een bocht over het Poelaertplein en scheerde laag over de arcaden van de Eeuwfeestpaleizen. Hij kreeg het Gestapo-gebouw in het vizier en bestookte het met zijn 20 mm-kanonnen. De bovenste verdiepingen werden verwoest. Vier Duitse officieren waren op slag dood, onder wie een Sturmbannführer van de SS. " I didn't have enough, but the guns did", schijnt de Selys achteraf te hebben gezegd. Voor de bevolking van Brussel was zijn eenmansactie een hart onder de riem. Voor het eerst konden zij met eigen ogen vaststellen dat het Hitlerregime toch niet zo onkwetsbaar was. De Selys strooide nog Belgische vlaggetjes uit over de stad en kon een halfuur later zijn Engelse thuisbasis bereiken. Het was zoiets als om broodjes naar de bakker fietsen, maar dan een beetje heldhaftiger. " I got them square", merkte hij op toen zijn overste hem op het matje riep. Hij werd gedegradeerd voor roekeloosheid, maar zou toch nog het Distinguished Flying Cross krijgen - en kwam luttele maanden later na een missie boven Oostende om. Slank, van middelbare lengte, hoffelijk en ouderwets, dapper maar geen al te vlijtige student : meer is van Jean de Selys-Longchamps niet bekend, naast enkele foto's die hem tonen als aristocratische schelm. Hij is een achterneef van de ook al wat eigenzinnige Delphine Boël - al is dat voor de schoonheid van dit verhaal van minder belang. Zijn borstbeeld op de Louizalaan toont hem in pilotenuitrusting, de vliegeniersbril op het voorhoofd geschoven. Hij kijkt naar het hemelgewelf, stoutmoedig en verguld, zoals helden nog schijnen te kijken als zij zich ijlings moeten reppen naar het toilet. Ik ben niet zo'n aanhanger van de held als concept, maar voor deze Jean ben ik geneigd een uitzondering te maken. Als ik ooit in de buurt van het Engelse Minster kom, zal ik niet nalaten om te rijden naar zijn rustplaats en hem woorden van eerbied toe te fluisteren. Respect, man ! Ook zal ik mij proberen voor te stellen hoe euforisch hij zich moet hebben gevoeld, die klare ochtend in 1943 toen hij het recht in eigen handen nam, niet ver van de plek waar de mensen van vandaag capsules gaan kopen voor hun Nespresso-apparaat. Jean-Paul Mulders