7.55u : briefing met branie

We ontmoeten Nicolas Buissart in zijn woonatelier in Charleroi, in de schaduw van het stadion. Het is er één chaos van bizarre objecten : een sculptuur die de stad Ron Aradisée voorstelt, houten raderwerken - "zomaar gevonden", de vervuilingsmachine die hij ooit maakte als student in het Doornikse Saint-Luc, tot een verroeste ufo als overblijfsel van een opleiding koperslagerij. Op een tafel ligt Libération, het Franse dagblad dat aan de kunstenaar zomaar even vijf pagina's besteedde. Hij is er duidelijk trots op.
...

We ontmoeten Nicolas Buissart in zijn woonatelier in Charleroi, in de schaduw van het stadion. Het is er één chaos van bizarre objecten : een sculptuur die de stad Ron Aradisée voorstelt, houten raderwerken - "zomaar gevonden", de vervuilingsmachine die hij ooit maakte als student in het Doornikse Saint-Luc, tot een verroeste ufo als overblijfsel van een opleiding koperslagerij. Op een tafel ligt Libération, het Franse dagblad dat aan de kunstenaar zomaar even vijf pagina's besteedde. Hij is er duidelijk trots op. Te midden van deze artistieke chaos staat een computer met Google Maps, "een onmisbaar instrument voor het exploreren van de industriële woestenij". De pseudoarcheoloog, enthousiast als een kind in het lichaam van een dertiger, kan amper wachten om de sites te lokaliseren die hij vandaag met ons wil bezoeken. "Het volstaat de terrils in het landschap op te sporen en vervolgens de directe omgeving te onderzoeken. Vaak doe je daarbij de wonderlijkste ontdekkingen." De man die bekend én bekritiseerd werd vanwege zijn stadssafari's onder de naam Charleroi Adventure is er klaar voor. Ons doel : op exploratie gaan naar de hotspots van het industrieel verval. Dit keer geen wandeling langs het huis van Marc Dutroux en ook niet langs de arm van de Samber waar de moeder van Magritte zich ooit verdronk, zoals tijdens zijn urban safari's. "Toen ik dit concept in 2009 lanceerde, was dat een reactie op een Nederlands artikel waarin Charleroi werd uitgeroepen tot de lelijkste stad van Europa. Nee, ze waren er niet blij mee dat ik vooral de groezelige kanten van de stad liet zien. Maar ik deed dat natuurlijk om in de publiciteit te komen, in werkelijkheid laten we die plekken meestal links liggen." En dan : " Astons dalés !" - met andere woorden : " Let's go !"Nicolas heeft al hooguit tien seconden gezwegen. We zijn op enkele kilometers van het stadscentrum en hij begint opnieuw te ratelen. De steenkoolmijn van Gouffre in Châtelineau is niet meer dan een karkas tussen de bomen. "Kijk eens hoe prachtig, ongelooflijk, het lijkt bijna een Venetiaans paleis." Het gebouw, op privéterrein, was in gebruik tot in de jaren zestig. "Er was hier ooit een soort zoo. Je vindt hier nog skeletten van dieren en ook een slee van de Kerstman." Het is niet duidelijk waar de realiteit eindigt en de fantasie begint, maar onze eigengereide gids brengt met zijn zachte stem dit verlaten en allicht tot afbraak gedoemde complex weer tot leven. Het dak staat op instorten, vandalen hebben al veel raids uitgevoerd. En toch heeft deze kolos van bakstenen en beton een zekere charme. We rijden richting Samber, naar een cluster van fabrieken, sommige al lang verlaten, andere nog in bedrijf. Op de weg van Couillet naar Châtelet beginnen de ogen van onze gids weer te fonkelen. Hij wijst naar de loodsen van de laminoir de Cockerill die zich kilometers lang aan elkaar rijgen. Een metalen brug, een staaltje industriële architectuur, overspant de rivier en geeft het geheel een Far-Westsfeertje. De Spaque (Société publique d'aide à la qualité de l'environnement) bestudeert momenteel de reconversie van deze kankerplek. Aan de andere kant van de weg zien we de overwoekerde restanten van Carolo Béton, met strakke lijnen die herinneren aan de Bauhausstijl. "Is dat nu niet prachtig ? De natuur heeft weer de overhand genomen, kijk eens naar die gele bloempjes tussen de vloertegels. Er groeit riet, er is een beekje." Een weggetje leidt achter het grimmige gebouw omhoog. We ontdekken een verrassend panorama met tinten van groen, grijs, roestbruin en zwart. Een surrealistisch tableau. Kun je verrukt zijn bij zoveel naargeestigheid ? Nicolas : "De vraag is niet of dit mooi is of niet, of je dit moet bewaren of niet. De echte vraag is waarom we ons nu pas interesseren in al die industriële architectuur. Ik wil alleen laten zien dat dit bestaat en dat je die gebouwen met heel weinig middelen weer kunt valoriseren." Hoogtepunt van de rondleiding door le pays noir is de wandeling over het betonnen jaagpad, bij de sluis van Marcinelle, waar de zwarte rivier zich een weg baant tussen de metalen ingewanden van de draadtrekkerij Thy-Marcinelle en de staalfabriek Carsid. Monsters die de schaarse voetgangers lijken op te slokken. "Dit is weer zo'n amalgaam van nog actieve en al jaren leegstaande fabrieken. Je hoeft niet eens over de muur te klimmen, het schouwspel is zo al indrukwekkend genoeg." Het ballet van de oorverdovende laadschop die een met schroot geladen binnenschip lost, is hypnotiserend. Geen wonder dat dit een van de essentiële onderdelen van de urban safari's was. "Ik leid allerlei mensen rond. Vooral Vlamingen, Nederlanders, Denen, Duitsers. Er zijn ontdekkingsreizigers bij zoals ik, maar ook geografen, historici, kunstenaars. Lang geleden gingen veel schrijvers naar Italië om zich te laten inspireren door de ruïnes uit de oudheid. Vandaag hebben we andere ruïnes die kunstenaars inspireren." De regen maakt een einde aan onze niet echt bucolische wandeling. We lopen nog langs de restanten van de Fonderie Giot, rue de Châtelet in Marchienne-au-Pont, een bedrijf dat was gespecialiseerd in koperen ketels en daarna in gietijzer, voordat het een distributiecentrum van de Brouwerij Piedboeuf en uiteindelijk een autofabriek werd. Het enige wat nog rest van dit industriële verleden is een als monument beschermde poort te midden van de leegte. "Het probleem van de Waalse industriële architectuur is dat er altijd werd bijgebouwd. De gebouwen zijn niet polyvalent en dus niet geschikt voor nieuwe technologieën." De Spaque wil hier nu een micro-zone économique bouwen, met een bedrijvencentrum voor starters, maar ook een aantal wooneenheden. Nicolas stelt voor dit niemandsland achter ons te laten en worstenbroodjes te gaan kopen bij de lokale slager, tegenover de kerk van Marchienne. We verorberen ons broodje in café Chez les Belges. Onze kunstenaar-komiek, zoals hij zichzelf wel eens noemt om zo de 'dwaasheden' die hij vertelt te legitimeren, wil ons na de middag graag enkele sites laten zien die werden opgeknapt of in volle renovatie zijn. Maar eerst staat hij erop te verduidelijken dat er een groot verschil is tussen het woord friche (braakland, woestenij) en de term monument industriel ! Hij citeert Nicole Plumier van het Institut du Patrimoine wallon : "Een gebouw of een complex dat werd of wordt gerenoveerd, is geen friche. Een verlaten gebouw met erfgoedwaarde evenmin. Friche duidt op een site die dus met de grond gelijk mag worden gemaakt." Nicolas duwt de zware metalen poort open van Rockerill, in Marchienne-au-Pont (rue de La Providence 136), een onderdeel van de Forges de la Providence. Heel even lijkt het alsof we terechtkomen in Tacheles, het beroemde Berlijnse kraakpand dat al jaren in handen is van een bonte groep kunstenaars. Rockerill werd enkele jaren geleden aangekocht door Michaël Sacchi en Thierry Camus, twee enthousiaste creatievelingen uit Marchienne die deze kankerplek willen transformeren tot een cultureel trefpunt. Wat meteen opvalt is de enorme fontein van gerecycleerde materialen. Aan de ene kant bevindt zich de cathédrale, een ruimte voor tentoonstellingen en evenementen, aan de andere kant een bar rond waar elke donderdag industriële apéro's plaatsvinden. Ten slotte is er nog een concertzaal, die dit jaar een erkenning kreeg van het ministerie van Cultuur. "In het begin stonden we bij de overheden niet op een goed blaadje", zegt Benito, die zowat fungeert als de conciërge van het complex. "We hebben lang moeten schipperen, maar de machine komt nu toch echt op gang. Op de weg die langs dit gebouw loopt, passeren elke dag zo'n tienduizend mensen. Er is dus zeker potentieel !" Een friche met perspectieven. Op de grens van Roux en Monceau, op de mijnsite van Martinet, die al dertig jaar gesloten is, zien we opnieuw een choreografie van graafmachines. De reconversie is hier in volle gang. De terrils zijn beschermd, ook andere restanten moeten voor het nageslacht bewaard worden. De salle des pendus (de zaal waar de kleren van de mijnwerkers tegen het plafond hingen) wordt wellicht een opleidingscentrum of misschien wel een bioscoop, volgens de plannen van de stedelijke overheid die nu eigenaar is van het gebouw. De locomotievenloods zou worden omgebouwd tot een natuurleercentrum, aangevuld met een ecologische wijk met honderd wooneenheden. Een grootscheepse metamorfose ! Er komt geen eind aan Nicolas' enthousiasme. De superlatieven blijven zich opstapelen. De rondleiding wordt besloten op een dramatische plek. Op 8 augustus 1956 kwamen 262 mijnwerkers om het leven nadat ze geblokkeerd waren geraakt in een mijnschacht van het Bois du Cazier. "Maar kijk toch eens wat ze hiervan gemaakt hebben ! Mooi ? Misschien wel té mooi. Miljoenen heeft dit gekost !" Nicolas Buissart, altijd een beetje anarchist gebleven, is het lang niet altijd eens met de overheid, zeker als het gaat over de manier waarop het Waalse gewest, met de steun van de Europese Unie, dit project heeft aangepakt. Toch heeft deze site, die niet alleen een espace de mémoire omvat, maar ook een museum van het industrieel erfgoed en een glasmuseum, onmiskenbare kwaliteiten, met een mooi evenwicht tussen oude en hedendaagse elementen. "Deze plek mag niet alleen terugblikken op het verleden, ze moet ook naar de toekomst kijken," zegt directeur Jean-Louis Delaet. "Ze moet ons ook bewust maken van de problemen van de immigratie en de arbeidsveiligheid. We komen trouwens in aanmerking voor opname op de lijst van het werelderfgoed." Nicolas, onze performer, begeeft zich naar een hotel in het stadscentrum. Dertig wetenschappers uit Utrecht wachten hem op om het (al bij al toch niet zo) naargeestige Charleroi te gaan verkennen. "Nico, de bekende Waal" - zo noemen de Nederlanders hem schertsend - begint zijn verhaal in een heel eigen mengeling van Vlaams en Engels. Een grapje hier, een grapje daar, een drankje in de Rockerill, de afdaling van een terril in de regen. Ook al is de wetenschappelijke waarde van zijn verhaal soms betwistbaar, het publiek hangt aan zijn lippen. Info : www.charleroiadventure.com en www.nicolasbuissart.com www.rockerill.com en www.leboisducazier.be Plan uw uitstappen met de trein, tram of bus. Voor dienst- regelingen en brochures, raadpleeg www.b-rail.be/main/N/Door Fanny Bouvry - Foto's Julien Pohl"De vraag is niet of dit mooi is, de echte vraag is waarom we ons nu pas interesseren in al die industriële architectuur" "Langs dit gebouw passeren elke dag zo'n tienduizend mensen. Rockerill heeft dus zeker potentieel"