Twee soorten tutters bestaan er, waarvan de mosterdkleurige geweldig stinken maar beter tegen reflux schijnen te werken dan de witte. Ik word stilaan een expert. In het straatbeeld duiken winkels op die er vroeger ook al geweest moeten zijn, maar waar ik overheen gekeken heb als een blinde mol. Ze heten B'engeltjes, Tinkelbel of Baba BVBA. Ik sta in zo'n winkel, en graai in een rek met afgeprijsde babykleertjes. Wat is er droeviger dan zo'n rozig pakje met op de buik een kikker die nog in een prins kan veranderen, maar waarvan de stof is verschoten doordat het te lang in de zon heeft gehangen ?
...

Twee soorten tutters bestaan er, waarvan de mosterdkleurige geweldig stinken maar beter tegen reflux schijnen te werken dan de witte. Ik word stilaan een expert. In het straatbeeld duiken winkels op die er vroeger ook al geweest moeten zijn, maar waar ik overheen gekeken heb als een blinde mol. Ze heten B'engeltjes, Tinkelbel of Baba BVBA. Ik sta in zo'n winkel, en graai in een rek met afgeprijsde babykleertjes. Wat is er droeviger dan zo'n rozig pakje met op de buik een kikker die nog in een prins kan veranderen, maar waarvan de stof is verschoten doordat het te lang in de zon heeft gehangen ? De mevrouw van de winkel wordt daar ook niet vrolijk van. "De mensen zijn lastig geworden, meneer", zucht ze, als ik de muziekvogel die ik begeer op de toonbank leg. "En arrogant. Neem nu die twee jonge meisjes die ik hier onlangs over de vloer kreeg. Ze waren een jaar of twintig. Een van hen haalt een goedkoop kleedje uit haar tas, dat ze in de Wibra heeft gehaald. Ze vraagt of ik dat wil inpakken in mooi geschenkpapier, met een sticker van mijn winkel, zodat de mensen kunnen denken dat ze het hier heeft aangeschaft. Zo onbeschaamd !" Nijdig plooien haar middenstandsvingers het papier. "Je hebt natuurlijk altijd averechtse paters gehad", gaat ze in haar kleurrijke dialect verder. "Maar de laatste jaren is het erger geworden. Mensen hebben geen manieren meer. Ze zien je als hun slaaf. Een vriendin van mij is onlangs met haar babywinkel gestopt. Ze had er genoeg van, meneer." Verwonderd kijk ik naar deze vrouw. Wat zit er haar werkelijk dwars ? Een geluk dat wij niet heldervoelend zijn, het zou ondraaglijk worden. Ze ziet er de kwaadste niet uit, ze is alleen vermoeid van een heel leven tussen het eerste boertje en de laatste melktand. Samenzweerderig haalt ze een jeansrokje van achter de toonbank, en een piepkleine body met grote felgekleurde bollen erop. "Mijn man zei : 'Wat heb jij nu ingekocht ?'," fluistert ze. "Maar ik vind dit mooi." Ik ben het met haar eens, zozeer zelfs dat ik de kledingstukken aanschaf. De eerste jeansrok van mijn dochter. Het gaat wel heel hard nu. Van de babywinkel wandel ik in de blijde zon naar het rusthuis waar mijn grootmoeder sluimert, haar leven op waakstand gebracht. De meisjes daar zitten aan tafel. Ik schuif bij want ik praat graag met hen. Geleefde jaren boezemen mij het soort respect in dat veel mensen voelen bij grote hoeveelheden geld. Als je het zo bekijkt, zitten hier steenrijke vrouwtjes. Idaatje bijvoorbeeld, die beweert dat ze 39 is, met een grapje dat even oud is als zij. 93 jaren, waarvan acht grimmige oorlogswinters. Lepels plonzen in tomatensoep. De kanarie schuifelt. Sinds kort is er ook een goudvis van de partij. "Jaja", zucht Germaine, die elke avond met een hydraulische hijsmachine in bed getakeld moet worden. "Oud worden. Er is geen voordeel aan." "Geen", beamen de anderen, plechtig als bij een gebed. Na de maaltijd willen ze foto's van mijn dochter zien op mijn digitale camera. Ze gunnen mijn oma haar trots, al zijn sommigen van hen al zeven keer overgrootmoeder. Ik ben zo onzorgvuldig het toestel aan Marie te geven, die door een trombose alleen nog licht van donker kan onderscheiden. Het ergste wat een mens kan overkomen, noemt ze dat. "Al die mooie prentkaarten die ik niet meer kan zien." Het verwondert mij dat ze juist dat voorbeeld noemt. Blijkbaar is haar leven al een hele tijd ingeperkt tot ansichtformaat. "Ach we hebben allemaal iets", zegt Idaatje streng, als een generaal die weet dat er toch zal moeten worden gevochten. "Bij mij zijn het mijn oren. Ik heb eens een hoorapparaat geprobeerd, in 1973, maar ik kon dat niet verdragen. Zo'n geknetter en geruis !" Ze heft haar vrije hand ten hemel, op een manier die duidelijk maakt dat de ruiters van de Apocalyps dichterbij zijn dan wij denken. "Misschien bestaat er intussen al beter gerief", opper ik, met het volume dat je doorgaans reserveert voor lawaaierige speelholen. Maar ze wil van geen gehoorapparaten meer weten. "Liever naturel", zegt ze koppig. Ze kijkt erbij als een viking die uit het hoge Noorden kwam om kathedralen leeg te roven en minstens honderd jaar te leven, iets wat ze in dit rusthuis nog niet hebben gezien. Reacties : jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders