Het lijden in de hedendaagse dans. Twee dansers aan het woord. Renée Copraij (32) en Wim Vandekeybus (33). Beiden dansten de voorbije weken hun solo in de nieuwe voorstellingenreeks Vier Temperamenten van Jan Fabre (info : 00-31/ 30.231.75.17). Het dramaturgisch uitgangspunt voor de solo van Copraij luidt : ?Het lichaam dat ernaar hunkert gebruikt te worden.? Bij choreograaf Wim Vandekeybus, die in het begin van de jaren '80 al als performer voor Fabre werkte, luidt het : ?Het lichaam dat weigert verbruikt te worden.?
...

Het lijden in de hedendaagse dans. Twee dansers aan het woord. Renée Copraij (32) en Wim Vandekeybus (33). Beiden dansten de voorbije weken hun solo in de nieuwe voorstellingenreeks Vier Temperamenten van Jan Fabre (info : 00-31/ 30.231.75.17). Het dramaturgisch uitgangspunt voor de solo van Copraij luidt : ?Het lichaam dat ernaar hunkert gebruikt te worden.? Bij choreograaf Wim Vandekeybus, die in het begin van de jaren '80 al als performer voor Fabre werkte, luidt het : ?Het lichaam dat weigert verbruikt te worden.? Renée Copraij (sinds 1987 danseres bij Fabre) : ?Eigenlijk wilde ik bij de Dansmariekes. Ik kwam bij het ballet terecht. Ik was bezeten door dat sierlijke van die ballerina's. Ik volgde een klassieke opleiding. Toen ik 14 werd, was die ballerina absoluut geen ideaal meer. Ik was jong in de punk- en new-wavetijd. Ik kreeg hedendaagse interesses : popmuziek, naar concerten gaan, je haar afknippen, uitgaan... Dat kon op de balletschool niet. Ik wilde alleen nog moderne dans. Na de opleiding in de Dansacademie van Rotterdam deed ik auditie bij Jan Fabre. Ik had nooit gedacht weer op spitsen te gaan dansen. Mijn lijf is mijn materiaal. Ik draag er dus zorg voor. Ik zou ooit wel zwanger willen zijn. Ik zou mijn danserslijf dan eens anders ervaren misschien, meer als het lichaam van een vrouw. Het zou me misschien een andere danstaal geven. Bij oudere dansers zie je allerlei dingen van het leven doorsijpelen. Het meest beangstigende is een kwetsuur. Die heb ik vorig jaar nog gehad. Ik dacht : 'Ik kan nooit meer dansen. ' Maar ik hoor van andere dansers dat je je daarna weer des te bewuster wordt van je lichaam. Schrammen, blauwe plekken, kleine wonden, dat zijn dingen die gewoon gebeuren, ik denk dat ik het achteraf gewoon zie als sporen op het lijf van bewegingen die ik heb ondergaan. Dansen is een vorm van zelfontplooiing. Het is geen zelfverminking. Het is intens. Verminking klinkt zo negatief. Toch gebeurt zoiets wel in dans. Op het moment dat jij naar mij kijkt, gebruik je mij.? Wim Vandekeybus : ?Ik zie graag mensen die met hun eigen grenzen strijden. Ik vind dat mooi. Dan zie ik ze leven.? Vorig jaar liep hij een zware kwetsuur op. Even leek het erop dat hij zou stoppen. ?Ik heb nu geen ligament meer. Ik heb duizend voorstellingen gedaan op tien jaar tijd. Ik heb veel kwetsuren gehad, maar ik ben nooit moeten stoppen. Nu ben ik er anderhalve maand uit geweest en ik dans weer. Ik moet wel blijven trainen. Als je echt pijn hebt, moet je soms zeggen : 'Ik stop. ' Ik ben soms over die pijngrens heen gegaan, wat niet goed was. Maar ja, wat doe je als er duizend man op jou zit te wachten. De druk is groot. Een uur voor de voorstelling zeg je tegen jezelf : 'Let's go' en je speelt. Je voelt veel minder pijn als je in een soort vuur komt van dat optreden. Je wordt daar wel sneller oud van. Je verslijt vlugger. Je hebt mensen die klassiek geschoold zijn en voortdurend met hun techniek uitpakken, die zich constant gedragen als een danser. Daar kan ik niets mee doen. Ze marcheren als een danser, ze kijken nog maar naar de scène en je hebt al het gevoel : 'Oei, de danser is daar... ' Je ziet het ook aan hun kleren. Het zijn mensen die niet lelijk kunnen zijn, die constant dat soort elegantie, die controle hebben. Ik heb zelf geen klassieke dansopleiding gehad. Ik ben daar blij om. Omdat ik nu een soort vrijheid van denken heb. Ik werk nu wel met veel beter geschoolde dansers. Niemand geraakt nog binnen als hij totaal niets van de techniek kent. Ik vind het belangrijk dat ik niet van jongsaf geleefd heb met een discipline in functie van dans. Tot mijn twintigste was ik bezig met paarden, met dieren. Dans kwam pas later. Ik voel hoe mijn jeugd nog altijd een inspiratiebron is, én het leven van de straat. Bij mijn dansers ook. Wij dansen. Maar wij eten niet enkel een yoghurtje en vis. Ik vind het belangrijk dat je dat leven hebt gevoeld als je een voorstelling maakt. Nu ook met de solo van Jan. Hij heeft die tekst geschreven op basis van zijn leven. Hij heeft mij geïnterviewd en je voelt dat daar iets achter zit. Het gaat over de essentie van het lichaam.? Wat is de essentie van zijn lichaam ? ?Het is een haven van emoties. Ik voel dat de strijd met het lichaam belangrijk is. Als een metser een hele dag moet metsen, vecht hij ook met zijn lichaam. Hij heeft ook pijn in zijn rug... Ik heb ook zo'n werk gedaan. Als je in het station van Antwerpen een plateau moet ronddragen met twintig pinten, ben je heel hard met je lichaam, met je evenwicht bezig. Dan voel je ook die angst van : 'Als ik dit laat vallen, ben ik gezien. ' Mensen die opscheppen en zeggen van : 'Ik dans... ' Pfff...?