Toen kardinaal Danneels onlangs in het televisieprogramma Ter Zake te gast was om commentaar te geven bij de problematiek van pedofilie en seksueel misbruik in kerkelijke middens, herinnerde hij eraan dat we enkele decennia geleden in een heel andere tijdgeest leefden. Zo werd in het begin van de jaren '70 de Franse Médicis-prijs toegekend aan een auteur ( Tony Duvert) wiens oeuvre gezien kan worden als een ode aan de pedofilie. In diezelfde tijd werd de film Le souffle au coeur van Louis Malle als een kritiek op de bourgeoismoraal verwelkomd. Gezien de toenmalige tolerantie is het toch niet verwonderlijk dat we vandaag geconfronteerd worden met een aantal problemen, was de teneur van de opmerking van de kardinaal.

Op dat ogenblik werd waarschijnlijk in heel wat huiskamers instemmend geknikt, terwijl bij anderen de tenen aan het krullen gingen. De schuld voor seksueel wangedrag bij de permissieve samenleving leggen, is - gezien de ernst en de omvang van dat wangedrag - voorwaar geen kleine beschuldiging in deze tijd. De makkelijkste manier om daarmee om te gaan, is dan ook de kritiek terzijde schuiven en verder foeteren op de kerkelijke hypocrisie. Maar de kardinaal staat niet alleen met zijn analyse. In eigen land formuleerde ethicus Koen Raes al heel wat kritische bedenkingen bij de gevolgen van de "seksuele revolutie". Onlangs is ook in Frankrijk een boek verschenen waarin mei '68 het hard te verduren krijgt. In La tyrannie du plaisir (Editions du Seuil) vraagt Jean-Claude Guillebaud zich af of de toen gelanceerde slogans ("vrijheid, blijheid") niet geleid hebben tot een samenleving waarin egoïsme, angst en frustratie overheersen.

"Inzien dat de sympathieke slogan Het is verboden te verbieden een criminele dwaasheid was, is een eerste stap in de goede richting", zegt Guillebaud in een interview met het Franse weekblad Le Nouvel Observateur. Hij betreurt dat we eerst geconfronteerd moesten worden met afschuwelijke pedofiliezaken eer dat inzicht begon te rijpen. "Door die affaires heeft zich in onze samenleving een plotse ommezwaai voorgedaan: wat gisteren nog getolereerd werd, kan vandaag niet meer. (...) We moeten opnieuw op zoek naar de grens tussen goed en kwaad, tussen wat toegelaten is en wat niet. De vraag naar wat verboden is, hebben we ons in de voorbije dertig jaar niet meer gesteld."

In die voorbije dertig jaar werd wel voortdurend gewezen op een onbelemmerd recht op seksueel genot. Dat seksualiteit ook geweld in zich draagt en aan onze controle kan ontsnappen, verloren we even uit het oog. "Seksualiteit, verlangen en genot zijn slapende vulkanen, die je niet zonder voorzorgen kan wakker maken", zegt Guillebaud.

Sinds Kinsey zijn we er volgens Guillebaud van uitgegaan dat seksuele zaken niet meer in functie van goed of kwaad dienden beoordeeld te worden, maar enkel in functie van prestatie, van goed of slecht functioneren. "We hebben de seksualiteit gemedicaliseerd. Die opvatting heeft een verwoestende invloed gehad op onze samenleving en heeft tot veel miserie geleid, daar kunnen psychotherapeuten vandaag van getuigen. Men dacht mensen te bevrijden, maar men heeft hen een prestatiedrang opgelegd." In de plaats van normen kwamen er statistieken en peilingen, zodat men ging denken dat wat de meerderheid (zogezegd) deed de norm was. Tegelijk is, aldus Guillebaud, bij het vrijen het belang van de ander steeds kleiner geworden, waardoor seksualiteit bijna gelijk geworden is aan masturbatie. Kortom, vrije seks heeft niet meteen tot een betere wereld geleid.

Dan maar terug naar de tijd van toen? Van een aantal verworvenheden wil Guillebaud geen afstand doen. Zaken als het recht op homoseksualiteit, de emancipatie van de vrouw en het afwijzen van schuldgevoelens over seksualiteit moeten volgens hem hoe dan ook verdedigd worden tegen pogingen om een ouwe moraal te herstellen. Dat belet niet dat de samenleving opnieuw een aantal verboden moet formuleren. Volgens Guillebaud moeten verboden zijn: incest, pedofilie, geen verantwoordelijkheid opnemen tegenover kinderen, zich onttrekken aan het ouderschap, geen respect hebben voor de ander. "Het belangrijkste verbod is in essentie het niet respecteren van de ander, of het nu om een minderjarige gaat, om een weerloze vrouw of een kind dat men heeft verwekt."

Gezien het aantal scheidingen en eenoudergezinnen is een terugkeer naar het traditionele gezin van vroeger uitgesloten, maar Guillebaud wijst ouders wel op hun duurzame verantwoordelijkheid en pakt vooral de afwezige vader bij de lurven. "De afwezige vader bestond eerder al, maar de permissiviteit van de jaren '60 en '70 heeft het langzame terzijde schuiven van de vaderfiguur verdergezet, met zijn laffe instemming overigens."

Hoe het allemaal concreet verder moet, weet Guillebaud ook niet. Maar met enige vindingrijkheid moeten er nieuwe leefvormen bedacht kunnen worden, die zowel ruimte laten voor individuele vrijheid als de behoeften van het kind respecteren. Moét kunnen: de verbeelding aan de macht...

Jo Blommaert