Aan het begin van de twintigste eeuw verhuisde de Belgische schilder Rik Wouters met zijn vrouw Nel naar de rand van het Zoniënwoud te Bosvoorde, waar ze samen met andere 'socialistische en vaak vegetarische', verarmde kunstenaars uit Brussel het eenvoudige leven leefden. Zijn grote liefde voor Nel in haar alledaagse bezigheden, het bos en de natuur vormden de rode draad in Wouters' werk, taferelen die in groot contrast stonden met de politieke onrust in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog en Riks armoede en tragische levensloop.
...

Aan het begin van de twintigste eeuw verhuisde de Belgische schilder Rik Wouters met zijn vrouw Nel naar de rand van het Zoniënwoud te Bosvoorde, waar ze samen met andere 'socialistische en vaak vegetarische', verarmde kunstenaars uit Brussel het eenvoudige leven leefden. Zijn grote liefde voor Nel in haar alledaagse bezigheden, het bos en de natuur vormden de rode draad in Wouters' werk, taferelen die in groot contrast stonden met de politieke onrust in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog en Riks armoede en tragische levensloop. De tentoonstelling Rik Wouters en het huiselijk utopia was voor het ModeMuseum Antwerpen een aanleiding om de levenslustige en intimistische taferelen die Wouters ruim een eeuw geleden schilderde te koppelen aan het werk van hedendaagse Belgische modeontwerpers. Ook zij zoeken anno 2016, elk op hun manier, naar de essentie van 'het goede leven' : sommigen door een bewuste keuze voor natuurlijke stoffen en ambachtelijke technieken, anderen zoeken hun eigen ritme en positie in het gejaagde modesysteem, of keren zich naar de natuur, back to basics. Toen de Duitse ontwerper Bernhard Willhelm, afgestudeerd aan de Antwerpse modeafdeling, furore maakte in Parijs begin jaren 2000,werd hij als on-Belgisch bestempeld : zijn kleurrijke, humoristische ontwerpen werden gezien als tegenpool van de neutrale Belgische designermode. Willhelm combineerde omarokken met gehaakte accessoires, handgeborduurde keukenschorten en gebreide landschapstruien. Zijn kitscherige ontwerpen barstten van kneuterigheid en van Duitse Gemütlichkeit. De Belgische mode stond toen, dankzij de erfenis van Martin Margiela en de Antwerpse Zes, bekend als avant-gardistisch, conceptueel en intellectueel. En hoewel er een wereld van verschil zat tussen het kleurrijke palet van Dries Van Noten, de romantische silhouetten van Ann Demeulemeester en de moderne lijnen van Raf Simons, plakte de internationale pers hen steeds diezelfde labels op. Wie echter onbevooroordeeld naar het werk van de Belgen kijkt, en bij uitbreiding de buitenlandse afgestudeerden in Antwerpen, ontdekt een terugkerende fascinatie voor het dagelijkse leven, huiselijkheid, utopische ideeën en een hang naar de natuur. Thema's die allesbehalve conceptueel of moeilijk zijn. Zo presenteert Dirk Van Saene, een van de meest discrete en raadselachtige ontwerpers onder de Antwerpse Zes, in 1991 al een collectie gemaakt uit keukenhanddoeken, geneeskundig verband en geruit, plastic tafelkleed, de zogenaamde toile cirée, een banaal huis-tuin-en-keukenmateriaal. Hij combineert 'lage' materialen met technieken uit de haute couture en met de titels van zijn collecties, zoals Blumenkleid of Black Heidi, balanceert hij op de rand van provocatie en kitsch. Dirk Van Saene produceert bovendien weinig beeldmateriaal en creëert collecties op zijn eigen tempo, niet zozeer uit rebellie tegen de modewereld, maar om volledig vrij te zijn op creatief vlak. Zijn creatiedrang uit zich naast mode ook in interieurtextiel en keramiek, maar voornamelijk in schilderkunst, wat begrijpelijk is gezien hij uit een kunstzinnige familie komt waar hij de liefde voor het penseel meekreeg. Van Saene wil creatief geprikkeld worden en streeft geen commercieel succes na : hij is een eenmansbedrijf en produceert met kleine zelfstandige Italiaanse en Vlaamse ateliers. De creaties van Van Saene en Willhelm doen denken aan de filosofie van de Duitser Heidegger, die stelde dat de mens zijn in-de-wereld-zijn opbouwt met kleine dagelijkse dingen. In plaats van met grote statements, toont hij zichzelf aan de hand van zogenaamd onbenullige zaken. Uit Heideggers filosofie komt ook de ecologische opvatting van de mens als onderdeel van de natuur, in de plaats van als haar heerser. Ook in het werk van Belgische ontwerpers zien we veel aandacht voor de natuur : soms dient ze als schuilplaats, soms als een dreigende inspiratiebron, als een Tuin der Lusten, of als ecologisch principe. Volgens de Britse modejournaliste Suzy Menkes is de liefde voor de natuur 'intrinsic to Antwerp style.' Belgische ontwerpers als Ann Demeulemeester, Raf Simons en Dries Van Noten staan inderdaad genoegzaam bekend als liefhebbers van groen en tuinieren. Veronique Branquinho's dreigende berkenbos is vaak de setting voor haar werk en de vrouwen die ze neerzet : geen lieflijke bosnimfen maar eerder haunted women of the woods. Branquinho's huis en atelier bevinden zich aan de rand van een bos, waar de bomen weerspiegeld worden in de glazen wanden van het gebouw. Ook Christian Wijnants integreert de natuur op verschillende wijzen : in zijn winkelruimte haalt hij het groen naar binnen, zijn prints zitten vol bloem- en plantmotieven en hij laat zijn materialen vaak onbewerkt, of gebruikt natuurlijke procedés om ze te bewerken. Zijn werk situeert zich op het kruispunt van traditionele handarbeid (verven, breien, borduren) en hedendaagse materialen, behandelingen en coupes. Het ingetogen karakter van zijn collecties heeft bovendien een kunstzinnige esthetiek : Wijnants schildert met stroken stof, tekent lijnen met de hand, maakt collages van verschillende applicatietechnieken en brengt zo een subtiele kleurtoets teweeg. Utopische maar tegelijkertijd realistische ideeën voor een eerlijker en duurzamer modesysteem zijn dan weer aanwezig in het werk van Jan-Jan Van Essche en Bruno Pieters. Van Essches uitgepuurde ontwerpen vormen een basis voor een mannengarderobe met een losse, nonchalante look. Met slechts één hoofdcollectie per jaar creëert hij een reeks met kleine variaties, die onderling erg bij elkaar passen en door de seizoenen in lagen worden gecombineerd. Van Essche creëert textiel dat als tweede huid vergroeit met het dagelijks leven van de drager. Bruno Pieters maakte op zijn beurt jarenlang naam met zijn eigen label, en lanceerde in 2012 het honderd procent transparante, ethische en duurzame label Honestby. Zijn antwoord op de overconsumptie van grondstoffen bestaat erin dat de consument volledig kan zien hoe de kleding gemaakt wordt, van de origine van de grondstoffen tot de lonen van de naaisters. Pieters toont hoe het anders kan in de industrie : alle grondstoffen worden duurzaam gesourcet. Honest By fungeert ook als een collectief : jonge ontwerpers worden uitgenodigd om onder het label collecties uit te brengen die passen in een veganistische levensstijl, zoals de schoenen in houtvezel van Belg Mat Rombaut. Het label bewijst dat duurzame mode anno 2016 geen geitenwollensokkengehalte meer heeft. De Belgische mode heeft, kortom, veel gezichten, maar wat haar onderscheidt is een evenwicht tussen realisme en experiment, en de vakkennis die onze ontwerpers hebben van technieken en materiaalkeuze. De Belgische ontwerpers die aan het begin van de 21ste eeuw voluit kiezen voor kleinschaligheid, artistieke onafhankelijkheid, pure ambachten en een liefde voor de natuur echoën de keuze van Rik Wouters en zijn Nel aan het begin van de 20ste eeuw voor artistieke vrijheid, huiselijke intimiteit en authenticiteit. Met hun utopische gedachtegoed en het back to basics als filosofie zijn onze Belgen een uitzondering in de hedendaagse modewereld, die vaak enkel rond cijfers, snelheid, branding en marketing draait. 'Rik Wouters en het huiselijk utopia', van 19 september t.e.m. 26 februari in het ModeMuseum Antwerpen, momu.be. De catalogus 'Lust for Life' verschijnt bij Uitgeverij Kannibaal. Tekst Karen Van Godtsenhoven en Elke LahousseRaf Simons en Dries Van Noten staan bekend als liefhebbers van groen en tuinieren. Christian Wijnants schildert met stroken stof.