Maanden had hij ermee geleurd, en hij raakte het aan de straatstenen niet kwijt. Hij stuurde enkele hoofdstukken naar Esquire - het Amerikaanse magazine dat ook verhalen van de populaire Amerikaanse schrijvers Norman Mailer en Gore Vidal had gepubliceerd - in de hoop dat men een uittreksel van zijn Loflied op de rijpe vrouw zou afdrukken, maar hij kreeg zijn manuscript terug, met een gigantisch kruis erover en in grote letters : NO !
...

Maanden had hij ermee geleurd, en hij raakte het aan de straatstenen niet kwijt. Hij stuurde enkele hoofdstukken naar Esquire - het Amerikaanse magazine dat ook verhalen van de populaire Amerikaanse schrijvers Norman Mailer en Gore Vidal had gepubliceerd - in de hoop dat men een uittreksel van zijn Loflied op de rijpe vrouw zou afdrukken, maar hij kreeg zijn manuscript terug, met een gigantisch kruis erover en in grote letters : NO !"Vooral dat uitroepteken deed pijn", glimlacht Stephen Vizinczey. Hij is 77, maar nog steeds een knappe man, met beminnelijke trekken en een bruine, zachte, lieve blik. "Nu kan ik erom lachen, maar destijds waren dat serieuze opdoffers. Ik had zolang aan mijn boek gewerkt, er zoveel in geïnvesteerd, ik had er zelfs mijn baan als producer bij de Canadese radio voor opgegeven. Maar het hoogste bod dat ik voor mijn manuscript kreeg, was amper 250 dollar. Een zware belediging. Ik kón niet anders dan weigeren." Hij leende nog meer geld om het boek in eigen beheer uit te brengen, en regelde zelf de verdeling met de wagen of met de post. Loflied op de rijpe vrouw was een kant-en-klaarsucces. Critici bestempelden het als een meesterwerk, het werd in meer dan twintig landen vertaald en ging meer dan vijf miljoen keer over de toonbank. Dit jaar werd In Praise of Older Women opnieuw uitgegeven in Londen, onder Penguin Modern Classics, en andermaal werd het een bestseller, en het verscheen ook in het Nederlands met als ondertitel : De amoureuze herinneringen van András Vajda. In simpele, volkomen heldere zinnen vertelt hij over zijn jeugd in Hongarije, eerst een fascistisch en daarna communistisch land, maar vooral over zijn seksuele volwassenwording. Toen András - en ook Stephen - twee jaar was, werd zijn vader door nazi's vermoord. "Ik heb mijn vader nooit gekend", zegt Vizinczey. "Maar ik groeide toch op in een broeikas van liefde. Op school had ik deel aan het leven van franciscaner monniken, een hele horde vriendelijke vaders. Thuis werd ik verwelkomd in een gemeenschap van vrouwen : mijn moeder, haar zussen en vriendinnen, weduwen tussen dertig en veertig. Van de paters leerde ik de verrukking en eerbied die me heel mijn leven zijn bijgebleven", zegt hij. En : "Soms geloof ik dat je geen beter leven kunt hebben dan als franciscaner monnik met een harem van veertigjarige vrouwen." Door de chaos van de Tweede Wereldoorlog raakt András gescheiden van zijn familie, en verzeilde hij in een Oostenrijks vluchtelingenkamp bij Salzburg. Daar begint zijn liefdesparcours, hij is nog geen twaalf jaar oud. Om in de behoeften van de Amerikaanse soldaten te voorzien, treedt hij op als go-between met gevluchte Hongaarse vrouwen, als piepjonge pooier dus. Zelf biedt hij die vrouwen ook blikken melkpoeder, kartons eierpoeder, suiker en blikjes cornedbeef aan, omdat hij ze zover wil krijgen dat ze seks hebben met hem. Tevergeefs. Tot gravin S., een voorname dame op leeftijd, uiteindelijk de jongen zijn eerste seksles geeft. Ze wil hem niet ontmaagden, maar uit medelijden bevredigt ze hem oraal. Tussen een reeks smachtende mislukkingen in, beleeft hij een memorabele maar rampzalige ontmoeting met de formidabele Fräulein Mozart, op een picknickkleed achter de struiken. Om een lang verhaal kort te maken : András is nog steeds 'maagd' als hij terugkeert naar zijn Hongaarse provincieplaats. Daar kan hij maar moeilijk wennen aan de onvriendelijke, kinderlijke en meedogenloze meisjes van zijn leeftijd, die hem uitlachen en voor de gek houden. Veel liever dan overgeleverd te zijn aan hun genade, richt hij zich op oudere vrouwen. Nee, er volgen geen perversiteiten met grootmoeders, maar erotische ervaringen en avonturen met volwassen vrouwen tussen dertig en veertig : buren, docenten, verveelde echtgenotes, de een nog interessanter, vrijer en seksueel ondernemender dan de ander. Hij beschrijft zijn passie voor Maya, een getrouwde buurvrouw die hem de regels van het spel leert, plus hem een blijvende liefde voor negentiende-eeuwse Russische en Franse romanciers bijbrengt. Hij is bijzonder openhartig over de ontmoetingen met tal van andere vrouwen : de teleurgestelde Zsusza, de onverzadigbare en uitputtende actrice Boby, de onbereikbare Ilona enzovoort. Een schier eindeloze stoet van vrouwen. Zijn affaires zijn stuk voor stuk lessen in de liefde, hartveroverend en weemoedig tegelijk. De Hongaarse Opstand in 1956 gooit roet in het eten. András / Stephen vecht in de straten van Boedapest, hij helpt bij de omverwerping van het standbeeld van Stalin. Maar als het oproer wordt neergeslagen, vlucht hij het land uit, eerst naar Italië, daarna kiest hij voor Canada. Over dat laatste zegt hij : "De stommiteit van mijn leven, nooit van iets méér spijt gehad. Het scheelde geen haar of ik had zelfmoord gepleegd." Zijn András Vajda en Stephen Vizinczey één en dezelfde persoon ? Valt de schrijver samen met zijn personage ? "Grotendeels", zegt hij. "Ik heb de gouden raad aan beginnende schrijvers ter harte genomen : schrijf over de dingen die je kent. Mijn herinneringen, dus. Maar ik was geen enig kind, zoals András." En al die vrouwen, hebben die echt bestaan ? Zoals de frigide Italiaanse Paola, die door András met veel geduld en liefde weer op dreef wordt geholpen ? "Dat was geen Italiaanse, maar ze paste het best in dat hoofdstuk. Nee, de vrouwen in Loflied zijn geen bestaande vrouwen. Elk van hen is een samenraapsel van vrouwen die ik heb gekend. In werkelijkheid heb ik er veel meer bemind", pocht hij glunderend. "Ik had inderdaad het geluk om als veertienjarige een verwaarloosde echtgenote van in de dertig als buurvrouw te hebben. Maar ik heb nooit deel uitgemaakt van de academische wereld. Ik ben nooit professor geweest, laat staan de professor in de filosofie die András Vajda was. Ik was een armoedige en armzalige schrijver : een schrijver zonder taal." "Tijdens mijn studententijd zat ik elke avond in het theater", vertelt hij. " Hamlet, Cyrano de Bergerac, King Lear : ik heb alle klassiekers minstens vijftig keer gezien en ik ken er vele uit het hoofd. In het Hongaars, welteverstaan. Ik had gedichten geschreven. En drie toneelstukken, waarvan de opvoering helaas door de censuur verboden werd. Daar stond ik dan in Canada, 23 jaar oud. Ik kon niet terug naar Hongarije, en ik kende nog geen vijftig Engelse woorden. Alsof ik op een andere planeet terechtgekomen was, afgesloten van de wereld. In Hongarije had ik zoveel antiwesterse praatjes gelezen, dat ik dacht dat Canada en Amerika paradijselijk moesten zijn. Maar dat viel erg tegen..." "Toen tot me doordrong dat ik een schrijver zonder taal was, nam ik de lift naar de bovenste verdieping van een hoog gebouw, vastbesloten om van het dak te springen. Ik tuurde naar omlaag, werd bevangen door angst voor de dood, en een nog grotere angst dat ik alleen maar mijn rug zou breken en de rest van mijn leven in een rolstoel zou moeten slijten. Ik besloot heel erg mijn best te doen om een Engelse schrijver te worden. Van schrik om de hongerdood te sterven, heb ik in een recordtempo Engels geleerd." Hoofdschuddend, met weemoedige blik : "De vrouwen vielen niet meer voor me. In Hongarije en Italië had ik de indruk dat ik onweerstaanbaar was, maar in Canada werkte mijn Europese flair niet meer. Misschien was de glans uit mijn ogen verdwenen, want ik was totaal ontheemd en ontwricht. Ik had meer herinneringen dan dromen of plannen. Ik was niet alleen mijn vaderland en mijn moedertaal kwijt, maar ook mijn charmes. De Canadese vrouwen zagen me niet eens staan. Het duurde zes jaar voor ik eraan toe was om Loflied te schrijven. Toen het boek in 1965 uitkwam, was ik 32 jaar oud. Ik had een gedegen studie gemaakt van de vrouwen die ik heb liefgehad, en ik trachtte de gelukkige en ongelukkige ervaringen weer te geven die mij tot man hebben gemaakt." Vizinczey wil niet in één adem genoemd worden met Nabokov, de uitgeweken Russische schrijver die (in 1955) ook in het Engels zijn bekendste werk schreef : Lolita, dat verhaalt over de uitzinnige liefde van een veertigjarige intellectueel voor een jong meisje. "Dat was een loflied op de nímf", snuift Vizinczey verontwaardigd. "Er is een hemelsbreed verschil tussen een jongen die zich aangetrokken voelt tot rijpere vrouwen, en een oudere man die geilt op jonge meisjes. Dat is precies het omgekeerde. Mijn Loflied is een anti-Lolita. Ik ijver voor een eerherstel van de rijpe vrouw. Ik houd een pleidooi voor de ervaren vrouw als ideale minnares, want als beginneling naar bed gaan met iemand die even onbedreven is als jijzelf, is ongeveer net zo onverstandig als in het diepe springen met iemand die ook niet kan zwemmen. De meeste vrouwen worden betere minnaressen naarmate ze ouder worden. Jonge meisjes zijn te preuts en onkundig om jongens plezier te doen beleven." Hij schreef Loflied in 1965 en het thema is nog steeds brandend actueel : zelfverzekerde vrouwen gaan relaties aan met jonge mannen, Demi Moore en Madonna op kop. "Het is van alle tijden", zegt Vizinczey. "Lees er de Franse en Russische klassiekers maar op na. Volwassen vrouwen voelen zich vaak aangetrokken door het onervarene en het onhandige van een jongen. Al mijn rijpere vrouwen hadden iets moederlijks, ze waren ook onderwijzend, en zorgend. Ze wilden je iets van hun kennis geven, intelligentie was belangrijk in die relaties." Of hij twintigjarige meisjes dan niet aantrekkelijk vond of vindt ? "Natuurlijk zijn intelligente en interessante twintigjarige meisjes aantrekkelijk. Maar als je die eigenschappen hebt als je twintig bent, dan ben je op veertig of vijftig nóg interessanter. Helaas worden domme meisjes nóg leger naarmate ze ouder worden." Loflied is geschreven in een deftige, duidelijke en frisse stijl. Het is een vrolijk, vrijmoedig boek vol broeierige erotiek en brandend verlangen. Pittig en pikant, maar nooit banaal of plat. En het meest verrassend van al : het boek is bijna vijftig jaar oud, maar het sprankelt alsof het vandaag geschreven is. Het geheim van die tijdloosheid ? Vizinczey : "Literaire mode is even veranderlijk als de lengte van de rok in het straatbeeld. De enige manier om niet ouderwets of verouderd te raken is : jezelf blijven. Trouw aan je ware ik, niet de deemoedigste van alle mensen, niet iemand die zich slechts bekommert om de hongerige kindjes in Afrika. Ik schrijf over zaken die me ten zeerste interesseren, en ik laat àlles weg wat ik onbelangrijk vind. Ik beschrijf alleen wat mensen doen, zeggen, denken en voelen, voor zover het mijzelf of anderen kan choqueren, bevreemden, amuseren of in vervoering kan brengen." Of hij denkt dat jongeren vandaag nog seksuele opvoeding nodig hebben ? "Meer dan ooit", zegt Vizinczey overtuigd. "Omgaan met de ander sekse is nog even moeilijk als honderd of tweehonderd jaar geleden. Dat moet je leren. Al doende. Jongeren zijn vandaag misschien minder onschuldig omdat ze overstelpt worden door informatie en beelden over seks. Maar dat betekent zeker niet dat ze bedrevener zijn. Door porno te zien, word je geen betere minnaar. Integendeel : porno doodt de erotiek." Stephen Vizinczey, 'Loflied op de rijpe vrouw - De amoureuze herinneringen van András Vajda', Lebowski, Amsterdam 2010, WPG Uitgevers België, 240 p., 18,95 euro. DOOR GRIET SCHRAUWEN"ALS JONGEN NAAR BED GAAN MET IEMAND DIE EVEN ONBEDREVEN IS ALS JIJZELF, IS NET ZO ONVERSTANDIG ALS IN HET DIEPE SPRINGEN MET IEMAND DIE OOK NIET KAN ZWEMMEN." "DE MEESTE VROUWEN WORDEN BETERE MINNARESSEN NAARMATE ZE OUDER WORDEN. JONGE MEISJES ZIJN TE PREUTS EN ONKUNDIG OM JONGENS PLEZIER TE DOEN BELEVEN."