1. LEG HET HOOFD IN DE NEK

Ik beken: ik kan niet zeilen. Wat niet hielp, was dat mijn eerste zeiltocht meteen een race bij windkracht acht was, waarbij ik de helft van de tijd op de bodem van het bootje lag met de rest van de bemanning bovenop mij. Maar het kan ook anders: op een van de Star Clippers met name, replica's van de klassieke zeilklippers die in de negentiende eeuw de oceanen domineerden. Wat mij meteen aanspreekt als ik de Star Flyer in de haven van Palma zie liggen, zijn de afmetingen. Honderdvijftien meter lang is hij, met vier masten en zestien zeilen. Naast de gigantische cruiseschepen, echte drijvende flatgebouwen, lijkt hij een notendop. Maar als bij de afvaart de zeilen zich één voor één majestueus ontvouwen, alles bij elkaar 3365 m² canvas boven je hoofd, dan is het toch wel even slikken. Zeker als daarbij Vangelis' soundtrack voor 1492 Conquest of Paradise uit de luidsprekers schalt. Lekker bombastisch, zeker omdat we geen continenten gaan veroveren, maar simpelweg tussen het Spaanse vasteland en de Balearen dobberen. Mijn grootste angst is dat er niet genoeg wind zal zijn om te zeilen, maar die blijkt ongegrond: 98 % van de tocht varen we onder zeil. Als je toch een motor meent te horen, dan is dat het geluid van het roer en de generatoren. Een standaardprocedure na de afvaart is de veiligheidsdril. Aan het muster station (de plek waar de opvarenden samenkomen bij een noodgeval) maak ik kennis met de lui met wie ik in geval van schipbreuk een reddingssloep zal delen. Die worstelen net zo sukkelachtig met hun reddingsvest als ik. Als we ooit zinken, kan het maar beter traag gebeuren.
...

Ik beken: ik kan niet zeilen. Wat niet hielp, was dat mijn eerste zeiltocht meteen een race bij windkracht acht was, waarbij ik de helft van de tijd op de bodem van het bootje lag met de rest van de bemanning bovenop mij. Maar het kan ook anders: op een van de Star Clippers met name, replica's van de klassieke zeilklippers die in de negentiende eeuw de oceanen domineerden. Wat mij meteen aanspreekt als ik de Star Flyer in de haven van Palma zie liggen, zijn de afmetingen. Honderdvijftien meter lang is hij, met vier masten en zestien zeilen. Naast de gigantische cruiseschepen, echte drijvende flatgebouwen, lijkt hij een notendop. Maar als bij de afvaart de zeilen zich één voor één majestueus ontvouwen, alles bij elkaar 3365 m² canvas boven je hoofd, dan is het toch wel even slikken. Zeker als daarbij Vangelis' soundtrack voor 1492 Conquest of Paradise uit de luidsprekers schalt. Lekker bombastisch, zeker omdat we geen continenten gaan veroveren, maar simpelweg tussen het Spaanse vasteland en de Balearen dobberen. Mijn grootste angst is dat er niet genoeg wind zal zijn om te zeilen, maar die blijkt ongegrond: 98 % van de tocht varen we onder zeil. Als je toch een motor meent te horen, dan is dat het geluid van het roer en de generatoren. Een standaardprocedure na de afvaart is de veiligheidsdril. Aan het muster station (de plek waar de opvarenden samenkomen bij een noodgeval) maak ik kennis met de lui met wie ik in geval van schipbreuk een reddingssloep zal delen. Die worstelen net zo sukkelachtig met hun reddingsvest als ik. Als we ooit zinken, kan het maar beter traag gebeuren. Wat maakt een tocht met een Star Clipper zoveel authentieker dan een doorsneecruise? Hier geen plastic klimop en kitscherige fresco's met de toren van Pisa en de piramide van Cheops als versiering, zoals op sommige cruiseschepen. Wel witte zeilen en vuistdikke touwen, schoongeschrobde teakhouten dekken, glimmend koper en geverniste relingen van mahonie waar ik graag mijn hand over laat glijden. Bij het uitvaren hou ik kapitein Yuriy Slastenin in het oog. De geblokte Oekraïner is een volbloedzeeman die zijn tijd het liefst op de brug doorbrengt. 'Some like women and some like horses best. But I like ships and you can keep the rest'. Het oude zeemansvers lijkt perfect op hem van toepassing. Ondanks zijn brede glimlach verdenk ik hem ervan de passagiers als onvermijdelijke maar ietwat hinderlijke ballast te beschouwen. Na een belsignaal begint de ankerketting te ratelen. Rustig geeft de 'oude' bevelen aan de roerganger, die ze twee keer herhaalt, voor en na koerswijziging. Ik moet denken aan The Onedin Line, de geweldige televisieserie vol zeemansromantiek uit mijn jeugd. Maar dit is écht. Achtenzeventig bemanningsleden telt de Star Flyer, van vijftien verschillende nationaliteiten. "No religions, no politics", dicteert de kapitein tijdens de welkomstdrink, en dat geldt ook voor de honderdzevenentwintig passagiers. Zoals op zoveel schepen worden keuken en restaurant voornamelijk door Filipino's bemand, alsof zij dienstbaarheid in hun genen hebben. Hoe ze het klaarspelen, die zeven man in dat kleine kombuis, is mij een raadsel, maar de buffetten en à la carte diners op de Star Flyer zijn copieus en voortreffelijk. Er is ook een sport- en animatieteam aan boord. Een van de leden is Matthew, een ernstige, bebrilde Maltees met een hoog prins-Filip-gehalte. Hij droomt ervan om als officier op de brug te staan en is op zijn schutterigst als hij aan groepsdansjes moet deelnemen of piraat spelen. Als late rite of passage kan het tellen, of misschien heeft kapitein Yuryi gewoon een bizar gevoel voor humor. Na het diner speelt pianist Bela ten dans in de Tropical Bar, ouderwets vertier dat wel past in dit kader. Voor meer introverte zielen is er de zilveren weerkaatsing van de maan op een vredig kabbelende zee. Mijn nautische vaardigheden mogen dan al beperkt zijn, voor zeeziekte heb ik evenmin aanleg. Sterker nog, het wiegen van het schip kalmeert mij. Nergens slaap ik zo goed als op het water, zelfs bij stijve bries. Op voorwaarde dat alle deuren en kastjes in de kajuit goed dicht zijn, anders houdt het klapperen mij wakker. De kajuiten op de Star Flyer zijn ruim en comfortabel, zonder tierlantijntjes. Vroeg opstaan om tegen zeven uur op het achterdek te zijn voor de yogales vergt enige wilskracht, maar het loont de moeite. De horizon kleurt roze, wimpels wapperen in de lichte bries, de lucht smaakt zuiver en zout. Yogalerares Christel, een pezige, zondoorstoofde Duitse, toont hoe je moet ademen in de verschillende posities. Ik doe vast iets verkeerds, want tijdens de neerwaardse hond ondervind ik acuut ademgebrek. Na het aanmeren in Sant Carles de la Ràpita zal ik Christel betrappen op een terrasje achter een pint en met een sigaret in de hand. Ha, dus toch niet zo onthecht. Een andere sportieve uitdaging aan boord is het beklimmen van de hoofdmast via een stijgladder. Nee, niet tot aan het kraaiennest, dat zou al te ambitieus zijn. Wel tot de zaling, een klein platform aan de mast vijftien meter boven het dek. Klinkt niet indrukwekkend, maar dat is het wel als je naar beneden kijkt. Gevaarlijk is de beklimming niet, je hangt in veiligheidsriemen die een beetje onhandig tussen je dijen zwabberen, maar eenmaal boven voel je je toch wel heldhaftig. Wat dan weer sterk vermindert als ook een van de oudste passagiers aan boord, een dame van 86, het schavotje bereikt. Nee, dan lig ik toch liever in de netten aan weerszijden van de boegspriet. Boven mij een smetteloos blauwe lucht, onder mij niets dan staalblauwe golven met opspattend schuim. Ik sluit mijn ogen en geef mij over aan het deinen van de oerzee. Als dat geen mindfulness is. 's Nachts varen en de volgende dag in een Spaanse haven aanmeren, het is een prettig reisritme. De afstanden op deze cruise zijn kort, soms heb ik het gevoel dat we 's nachts een surplace doen. In de meeste havens ligt het schip aan de kade, in Formentera en Puerto Soller gaat het buiten de haven voor anker en worden de passagiers met een tender of kleine motorboot aan wal gebracht. In Puerto Soller gaat de 'landing' uiteindelijk zelfs niet door omdat de zee te woelig is. Jammer, want ik was graag nog eens met het oude trammetje het binnenland ingereden. Maar bij een zeilcruise is en blijft de natuur de baas. Op een ochtend waarop de wind wel goed zit, kunnen de vele amateurfotografen aan boord hun hart ophalen als de tenders om het volledig opgetuigde schip heen varen. Matrozen in oogverblindend wit wuiven ons decoratief toe van op de boegspriet. Excursies brengen de nodige afwisseling. Palma ken ik als mijn broekzak, ik heb er ooit een half jaar gewoond. Sindsdien is de stad er Catalaanser en aantrekkelijker op geworden, een soort Barcelona in het klein, met Ramblas die tot flaneren verleiden en veel Gaudi in het oude stadsdeel. Ook Es Baluard, het Museum voor Hedendaagse Kunst, is een must, voor de robuuste architectuur en het keramiek van Picasso. Valencia is een studie in contrasten : enerzijds is er Santiago Calatrava's futuristische Ciudad de las Artes y las Ciencias, met een gigantisch aquarium, de Hemisfèric in de vorm van een menselijk oog en het wetenschapsmuseum Principe Felipe dat nog het meest wegheeft van een walvisskelet. Anderzijds is er de oude stad rond de middeleeuwse kathedraal, de klokkentoren El Miguelete en de Plaza de la Reina. Foodies treffen elkaar in de Mercado Colon, vroeger een overdekte markt met veel glas en tegels in modernistische stijl, ontworpen door een leerling van Gaudi. Nu is het een trendy hal vol eetkraampjes en minirestaurants. Een prima plek ook om bij een tartaar van pulpo en een glas koele Verdejo wat bij te komen van de hitte buiten. Ibiza trekt zowel feestbeesten als natuurliefhebbers. 's Morgens dwaal ik door de steegjes van Dalt Via, de oude stadskern van het nog slaperige hoofdplaatsje. De boetieks zijn nog dicht, dat scheelt in de portemonnee. Tot de Santa Maria d'Eivissa klim ik, de veertiende-eeuwse kathedraal die de witte huisjes domineert. Beneden ligt de Star Flyer naast de pier. Wat een elegant schip is het toch. 's Namiddags dokkeren we met z'n zessen in een jeep door het ongerepte landschap, waar hier en daar een exclusief hotelletje of de villa van een jetsetter door de parasoldennen schemert. Maar de nonchalante Duitse neohippie achter het stuur maakt er zich nogal gemakkelijk van af. Beurs gerammeld zijn we het er over eens dat we beter een fiets of scooter gehuurd hadden. Formentera is de understated versie van Ibiza, met witte zandstranden en loungy strandbars bevolkt door slanke blondines en gespierde, zongebruinde kerels met tribals en modieuze gezichtsbeharing. Dé revelatie qua ankerplaatsen is voor mij Menorca. Alleen al het binnenvaren van de haven van Mahon, in een baai die vijf kilometer diep landinwaarts snijdt, is een belevenis. We glijden langs een voormalig fort en langs luxevilla's met riante tuinen en leggen aan langs de kade, vlakbij een indrukwekkende trap die naar de oude stad leidt. Port Mahon of Maó, waar volgens de overlevering de mayonaise uitgevonden is, was achtereenvolgens Brits en Frans bezit en heeft nog altijd een sterk koloniaal karakter. Er zijn pleintjes met klaterende fonteinen en palmbomen, stadspaleisjes met smeedijzeren balkons en er is opvallend veel kunst in het straatbeeld. De smalle straten zijn overdekt met grote witte zeilen, die voor schaduw zorgen en het shoppen relaxed en aangenaam maken. Het aanbod aan winkels en galeries is verrassend gesofisticeerd voor zo'n klein stadje, daar zullen de cruiseschepen wel voor iets tussen zitten. 's Avonds bruist het op de boulevard langs de kade van de bedrijvigheid. De terrasjes van bars en visrestaurants zitten vol, dit is de plek om te kijken en bekeken te worden. Als we om middernacht uitvaren, met gehesen zeilen en eens te meer begeleid door de juichende soundtrack van Vangelis, zie ik aan wal veel mensen verlangend toekijken: zat ik maar op dat droomschip. En deze bofkont is aan boord. Een paar dappere passagiers genieten van de zwoele temperaturen en slapen aan dek. Dat gaat mij net iets te ver, maar met een mojito in de hand de nacht in staren en vallende sterren tellen, daar ben ik helemaal voor te vinden. Door Linda Asselbergs & foto's Nathalie Le BlancAls bij de afvaart de zeilen zich één voor één majestueus ontvouwen, alles bij elkaar 3365 m² canvas boven je hoofd, dan is het toch wel even slikken