"Wil je langs Salto Angel vliegen, de hoogste waterval ter wereld ?" vraagt de piloot als hij zijn Cessna goed en wel in de lucht heeft. We zitten in een zeszitter, onderweg van Santa Elena, de enige grenspost met Brazilië in het oosten van Venezuela, naar Ciudad Bolivar op de oever van de Orinoco. Onder ons openbaart zich het meest unieke landschap van Venezuela, het Nationaal Park Canaima met zijn legendarische tepuis, ontoegankelijke tafelbergen met loodrechte wanden. Van een van die zonderlinge bergen valt het water bijna een kilometer naar beneden. Geen waterval ter wereld is hoger. "Een goede zichtbaarheid, geen mist en veel debiet", brult de piloot terwijl de propeller genoeglijk ronkt. "Amper honderd bolívar (ca. 25 euro) voor 20 minuten extra vliegen." Een aanbod dat geen reiziger weerstaat, zo weet de bush pilot, getraind op jungle- airstrips van aangestampte aarde.
...

"Wil je langs Salto Angel vliegen, de hoogste waterval ter wereld ?" vraagt de piloot als hij zijn Cessna goed en wel in de lucht heeft. We zitten in een zeszitter, onderweg van Santa Elena, de enige grenspost met Brazilië in het oosten van Venezuela, naar Ciudad Bolivar op de oever van de Orinoco. Onder ons openbaart zich het meest unieke landschap van Venezuela, het Nationaal Park Canaima met zijn legendarische tepuis, ontoegankelijke tafelbergen met loodrechte wanden. Van een van die zonderlinge bergen valt het water bijna een kilometer naar beneden. Geen waterval ter wereld is hoger. "Een goede zichtbaarheid, geen mist en veel debiet", brult de piloot terwijl de propeller genoeglijk ronkt. "Amper honderd bolívar (ca. 25 euro) voor 20 minuten extra vliegen." Een aanbod dat geen reiziger weerstaat, zo weet de bush pilot, getraind op jungle- airstrips van aangestampte aarde. Vierduizend voet lager meanderen riviertjes en brede stromen door eindeloos groen, met hier en daar watervallen die glinsteren in de zon. Maar het zijn de tepuis die de show stelen. De piloot wijst mij de Doodskist aan, en de Burcht. Na ruim een uur volgen we de rand van Auyantepui, met zijn loodrechte kliffen een onneembare vesting. We vliegen net hoog genoeg om te zien dat op de hoogvlakte geen boom staat. "Hier kan ik landen", dacht de avontuurlijke bush pilot Jimmie Angel, die in 1933 zijn naam gaf aan de watervallen. Terug in de bewoonde wereld geraken, bleek een ander paar mouwen. In een wildernis zonder wegen worden piloten engelen. We blijven net onder de donkergrijze wolken die zich boven de bergen samenpakken en zwenken de canyon in. Op de kronkelende rivier bemerk ik bootjes, op driedaagse excursie naar de waterval. Vanuit vogelperspectief, of na een lange tocht over de rivier vanuit Canaima : dat zijn de enige opties om het natuurfenomeen te zien. Een halve eeuw na hun ontdekking blijven de Angel Falls niet alleen de hoogste, maar ook van de meest afgelegen watervallen ter wereld. Onze Cessna tekent slechts een kleine, snel bewegende schaduwstip op het gebergte. Nietig, vergeleken met de lange witte wolk, een bruidssluier van witschuimend water, die uitwaaiert langs het klif. Nog een scherpe bocht langs de rotsrand en we vliegen naar het noorden, over het grootste stuwmeer van het land, bezaaid met tientallen eilandjes. Uiteindelijk verschijnt de machtige Orinoco aan de horizon, de bekroning van een uitzonderlijke vlucht. Op een heuvel aan het smalste stuk van de stroom, nog steeds bijna een kilometer breed, ligt Ciudad Bolívar. In de oude stad, kasseistraatjes kronkelend op een heuvel, bleef de koloniale architectuur verrassend goed bewaard. Een provincienest uit de achttiende eeuw, met een Spaanse kathedraal, statige residenties en pastelkleurige huizen. Maar ook met dichtgespijkerde ramen en ruïnes in de steigers. Onze posada lijkt een beetje op een vesting en als ik een avondwandeling door de buurt wil maken, kijkt de gastvrouw met gefronste wenkbrauwen naar mijn fototoestel. Als ook de hotdogverkoper aan het eind van de straat mij waarschuwt "vooral geen twee blokken verder te wandelen", hou ik historisch Ciudad Bolívar voor bekeken. Nochtans is de stad een baken in de Venezolaanse geschiedenis. In 1817 trok Simon Bolívar, vader des vaderlands, zich hier terug ter voorbereiding van zijn finaal offensief. Santo Tomas de la Guayana de Angostura werd de hoofdstad van een nog te bevrijden land. Twee jaar later riep het Angostura Congres de republiek Gran Colombia (Venezuela, Colombia en Ecuador) uit. Terwijl schooljongens basketten op het pleintje, kleurt de zonsondergang de Orinoco met een gouden gloed. Elders zou zo'n scène veel volk trekken. Maar Venezuela ligt nog lang niet op de gringo trail, de toeristenroute door Latijns-Amerika langs de Panamericana. We volgen de Orinoco stroomafwaarts tot Tucupita, het laatste stadje voor het moeras. Vanaf hier vertakt de rivier zich in ontelbare kanalen en moerassen, een delta die zich uitstrekt over een gebied groter dan België. In La Horqueta registreert een militair onze paspoortgegevens en laden we onze lange sloep met een massa voedsel en drank. Verderop is niets meer te koop, behalve enkele handgeweven manden en hangmatten van kokospalm. Vanaf nu eisen papegaaien, toekans en ander exotisch gevogelte alle aandacht op. Gids Ricardo wijst ons apen aan die snel in het gebladerte verdwijnen. We verlaten de brede zijarm voor steeds kleinere kanalen, steeds dieper in een labyrint van waterwegen en woud. Vier uur later meren we aan in ons kamp, een houten vloer op stelten onder een rieten afdak. Her en der hangen hangmatten. Aan het eind van de loopbrug ligt achter een gordijn een toilet. Op die sanitaire voorziening na, lijkt ons verblijf de exacte kopie van de open paalwoningen van de Warao, de oorspronkelijke bewoners. Al een eeuwigheid trekken de Warao, ware nomaden van het water, door de delta. Steeds meer vestigen ze zich ergens permanent, met enkele golfplaten en een schotelantenne op het dak als toegeving aan de moderniteit. Voor westerlingen is het comfort van een hangmat even wennen, maar de rust is zalig. Hoewel... Rustig lijkt de jungle nooit. Terwijl we onze eerste cuba libre van de avond drinken, breekt een nerveus concert van kikkers en cicaden los. Diep in de nacht vliegen schreeuwende ibissen luidruchtig over. En het schemert nog als de primitieve roep van de brulapen oorverdovend over de rivier schalt. Nixon, manus-je-van-alles en rechterhand van Ricardo, leidt ons door het woud dat gehuld is in een geheimzinnige ochtendnevel. Dit is de speeltuin en voorraadkast van de Warao. Van kokosvezels knutselt hij een muts, afgehakte lianen druppelen lekker smakend water, de bast van een vrucht blijkt een biologisch afbreekbare beker. Razendsnel hakt hij een palmito en pelt de boom, tot alleen het lekkere palmhart overblijft. Maar voor de Warao is de belangrijkste palmboom de moriche, de levensboom waarvan alle onderdelen gebruikt worden. Nieuwsgierig naar de vreemdelingen in hun achtertuin, zoeken enkele kinderen ons gezelschap op. Wij strompelen in rubberlaarzen door de zuigende modder, zij rennen op blote voeten door het slijk en klimmen vliegensvlug naar de top van een hoge palmboom. Druipend van het zweet komen we een uur later terug in het kamp, waar de rivier een frisse duik biedt. Want piranha's zitten hier volgens Nixon niet, en anacondaslangen evenmin. Trust the locals, denk ik, terwijl ik met de kinderen in het gitzwarte water, zo donker als een spiegel, plons. Op mijn rug drijvend bewonder ik de brulapen, rosse pluizige bollen, hoog in de woudreuzen. Stroomopwaarts van de delta liggen Los Llanos, de 'vlaktes', die zich uitstrekken over een derde van Venezuela. Dit drassige grasland, doorsneden door talloze bijrivieren van de Orinoco, is zo mogelijk nog heter dan de delta. "Zeker aan het eind van het regenseizoen, als het alomtegenwoordige water verdampt en de luchtvochtigheid je de adem beneemt", bevestigt gastheer Carlos op de ranch waar we onze intrek nemen. "Maar als het regent, zakt de temperatuur misschien wel 15 graden." Carlos, een moderne cowboy met glanzende machobril, voelt zich thuis in dit land van llanero's en gaucho's, de behendige ruiters die duizendkoppige koeienkuddes hoeden. Te paard, maar vooral met een 4x4, maken we enkele fotosafari's op de prairie. Kaaimannen en capibaras, reuzenhamsters van zo'n zestig kilo, zijn alomtegenwoordig. Maar hoe naarstig Carlos ook zoekt, een anaconda vindt hij tot zijn ergernis niet. Voor vogelaars die hier gemakkelijk honderd soorten per dag spotten, lijkt dit het paradijs. Terwijl we op piranha's vissen, kwetteren niet minder dan drie verschillende variëteiten van ijsvogels in dezelfde majestueuze boom, duidelijk ontevreden met de indringers. Maar van onze vistechniek hebben ze weinig te vrezen. En als de zon zakt maken de skimmers hun opwachting, een trio dat elegant scherend over het wateroppervlak jaagt. Met open mond bewondert de ornitholoog van dienst het spektakel. Maar het hoogtepunt van deze trip is de mie-reneter, een gigant die zenuwachtig langs de kant van de weg scharrelt. Als later op de nacht een onweer losbarst en eindelijk verkoeling brengt, weerklinkt in de snikhete slaapzaal menige zucht van verlichting. De volgende nacht kruip ik onder drie warme wollen dekens. Op amper een dag rijden we van de terra caliente, het hete laagland, naar de koele Andes. Van zeeniveau naar 3000 meter, van 30 graden 's nachts naar 6 graden, van het zompige polderlandschap naar het hooggebergte met zijn pieken tot 5000 meter ; het contrast kan moeilijk groter zijn. In Mitibibo, een dorp op een uur rijden van Merida, verblijven we in een kleinschalige agriturismo, opgezet met Europese microkredieten. De gastvrouw van mucuposada El Trigal verwent ons met kopjes kruidenthee (om aan de hoogte te wennen) en warme chocolademelk (om ons op te warmen). Even boven het dorp begint de paramo, het gebergte boven de boomgrens, waar alleen weerbarstige kruiden en veldbloemen bloeien. De alomtegenwoordige frailejon kleurt het hoogland uitbundig geel. Merida, provinciehoofdstad en studentenbastion, viert zijn 450-jarige bestaan. Na de relatieve ontberingen van het laagland voelt de ontspannen sfeer en het koele klimaat als een verademing aan. Vanzelfsprekend heeft de historische stad zijn koloniale kathedraal en zijn Plaza Bolívar, maar het meest tot de verbeelding sprekende bouwwerk is de teleférico, de langste kabelbaan ter wereld. Van het station van Barinitas op 1577 meter klim je via drie tussenstations naar de 4765 meter hoge top van Pico Espejo, met een schitterend panorama op de omliggende vijfduizenders. Maar de kabelbaan, bouwjaar 1958, is gesloten wegens onderhoud. Kwatongen beweren dat president Chavez met de sluiting de studentenstad (waar hij nauwelijks aanhangers heeft) in de aanloop naar de lokale verkiezingen onder druk wil zetten. Gelukkig valt er in de adrenalinehoofdstad genoeg te beleven, van para-gliding tot canyoning, van rafting tot meerdaagse trekkings. Ik verken de dorpen in de vallei ten zuiden van Merida met een mountainbike. Ver van de Panamericana, op verlaten wegen met als enige tegenligger sporadisch een oldtimerpick-up, openbaart de mysterieuze kracht van de Andes zich. Terwijl ik hijgend in de regen de laatste kol beklim, verdwijnt een zwerm Incagaaien lachend tussen de bromelia's. Hoog tijd om af te zakken naar de Caribische kust, naar het zand, de palmen en de warme golven. Tekst en foto's Jo Fransen