Lanzarote is een eiland om te mediteren en te contempleren", schreef de kunstenaar César Manrique, die er in 1919 in de hoofdstad Arrecife werd geboren en zijn leven wijdde aan het behoud van de authenticiteit van zijn moederland. Toch nestelen de meeste toeristen zich tot het einde van hun vakantie op het strand. Wij wisten beter, huurden een auto en trokken zigzaggend door het vulkanische eiland, op zoek naar de zeven monumenten waarmee César Manrique aan Lanzarote zijn persoonlijke signatuur gaf.

Timanfaya.

Het hoogste punt van Lanzarote is Islote del Hilario. Slechts één weg voert erheen, een smalle strook asfalt die door de gestolde lava snijdt. Nergens is er een plaatsje om te stoppen, zodat de felgekleurde huurwagentjes netjes op een rij moeten rijden. Tot plots vanachter een krater een zwart gebouw opdoemt, als een UFO geland in het doodse maanlandschap: El diablo, zo heet het restaurant dat Manrique hier in 1970 bouwde, de duivel - alsof de hel vlakbij was. Niet ten onrechte, want op deze plek is de temperatuur onder de grond het hoogst. Op 10 cm diepte bedraagt de hitte al 140°C. De gerechten worden klaargemaakt boven een 6 meter diepe put, waaruit warme lucht van 300°C komt. Ze worden met smaak genuttigd door de bezoekers, die door de grote ramen uitkijken op de oneindige zwarte massa die in zee verdwijnt.

Enkele jaren na de bouw van het restaurant begreep Manrique dat het noodzakelijk was om het gebied errond te beschermen. Voetstappen in het vulkaangrint zouden het landschap voor eeuwig vernietigen. In augustus 1974 keurde de regering zijn voorstel goed. Het natuurpark werd genoemd naar Timanfaya, het dorp dat in 1739 door de lava werd verzwolgen. Een bezoek op eigen houtje is verboden. Bussen voeren de bezoekers vanaf de parking van El Diablo door het park. Terwijl we rijden langs kraters, opengereten aardkorsten en angstaanjagende lavastromen, luisteren we naar het verhaal van een ooggetuige: "Op de eerste dag van december van het jaar 1739, tussen 9 en 10 uur 's avonds, barstte opeens de aarde open. In de buurt van Timanfaya steeg een reusachtige berg uit de schoot van de aarde omhoog. De vlammen schoten in de lucht en brandden 19 dagen onafgebroken. (...) Enkele dagen later opende zich een nieuwe kloof waaruit zich woedende lavastromen op Timanfaya, Rodeo en een deel van Mancha Blanca stortten. De lava stroomde over de dorpen heen, in het begin kolkend en snel als water, daarna zwaar en stroperig als honing."

We laten het natuurreservaat achter ons en rijden verder naar Mancha Blanca. Wanneer ik iets later moederziel alleen tussen de steenmassa loop, beklemt me een vreemd gevoel. Je hoort er niets. Geen vogels, geen krekels, alleen het knarsen van onze schoenen op de losse lavastenen. Ik probeer om van de weg af te gaan, maar dat is onmogelijk. De gestolde stenen bewegen onder mijn gewicht, mijn voeten raken klem en bij het struikelen kwets ik mijn handen tot bloedens toe aan de scherpe rotsen. Dit landschap is ontoegankelijk. Nu pas begrijp ik waarom César Manrique zo in de ban was van het eiland en zijn ondoorgrondelijke natuur.

Casa del Campesino

Langs beide zijden van de smalle weg naar Mozaga zijn in de flanken van de grintheuvels honderden kuilen gegraven. Eromheen liggen stenen, en in het midden staat een wijnstok of een vijgenboom. Zo zijn de planten beschut tegen zon en wind. Deze enarenado-methode leidt bovendien de nachtelijke dauw naar de wijnstokken of vijgenbomen, zodat de bodem niet uitdroogt. Het ritmische spel van cirkels en planten is rustgevend, in tegenstelling tot het bedrukkende landschap rond Timanfaya. Maar ook hier zijn de vulkanen nooit ver weg. Tegen de felblauwe hemel volgen hun contouren elkaar op. Uitzonderlijk ontwaar ik tussen het zwart een vrouw met een grote strohoed, werkend in de velden. Verder zien we niemand. Alleen het geblaf van een hond verraadt dat hier mensen wonen.

Wanneer de wijnvelden schaarser worden en de huizen langs de weg toenemen, verschijnt in de verte een groot wit beeld: het Monument van de boer. In het centraal gelegen wijndorp Mozaga, waar de wegen uit noord, zuid, oost en west elkaar kruisen, ontwierp Manrique een 15 meter hoge sculptuur, gewijd aan "de vergeten inspanningen van de onbekende boeren van Lanzarote". Ernaast staat La Casa del Campesino, het huis van de boer. De gerenoveerde hoeve illustreert hoe het eiland er vroeger uitzag, maar was voor Manrique tegelijkertijd een icoon voor de toekomst. De kunstenaar liet zich door de traditionele hoevebouw inspireren voor zijn eigen architecturale werk. La Casa del Campesino herbergt een museum, ateliers voor oude ambachten en een restaurant waar je de traditionele keuken op zijn best kan proeven.

Castillo de San José.

In 1968 stelde César Manrique aan het stadsbestuur voor om in deze vesting van 1776 een museum voor hedendaagse kunst onder te brengen. Het gebouw stond leeg, en Manrique wilde het niet alleen als historisch monument bewaren, maar er ook een actuele functie aan geven. Als onbezoldigd museumdirecteur bracht hij een moderne collectie samen, die hij verkreeg door zijn eigen werk te ruilen voor dat van onder meer Tàpies, Miró en Botero. Maar meer nog dan de collectie valt de verbouwing op. Aan de cisterne voegde Manrique een restaurant toe. De trap naar beneden is een kunstwerk op zich: als een hagelwit vraagteken wentelt hij langs de oude muren naar beneden, om uit te monden in een grote open ruimte met zicht op de haven. De uitbreiding voor het restaurant, met zijn gebogen glazen front, tekende Manrique met kalk op de grond. Ingenieurs en aannemers deden de rest.

Fundación César Manrique

Dat César Manrique behalve kunstenaar ook een uitzonderlijk architect was, blijkt vooral uit het ontwerp van zijn eigen woning. In Tahiche, een dorp ten noorden van de hoofdstad, kocht hij in 1968 3000 m² grond op een blauw-zwarte lavastroom, daterend van de uitbarstingen tussen 1730 en 1736. Onder de grond zaten vijf vulkanische bellen, die Manrique meesterlijk in zijn architectuur integreerde. Bovengronds volgt het huis de typische stijl van de eenvoudige woningen op het eiland, waaraan modernistische elementen zoals open ruimtes en grote ramen zijn toegevoegd. De gelijkvloerse verdieping doet dienst als tentoonstellingsruimte. Via een groot schuifraam kom je op een patio, waar in een kloof een binnentuin met zwembad is aangelegd. De witte, groene en blauwe kleuren steken af tegen het zwarte lavaveld boven. We wandelen de werkkamer binnen waar het uitzicht door het kamergrote raam adembenemend is: alsof de lavastroom nog niet gestold is en ieder ogenblik de kamer kan overspoelen.

Een smalle buitentrap leidt naar de onderaardse vulkaanbellen die als leef- en werkkamers zijn ingericht. Een kronkelende gang door de rotsen, tot 1 meter hoog witgeschilderd, brengt ons naar de witte kamer. Centraal staat een boom die door de opening in het dak groeit en in de zitkamer op de begane grond zijn bladeren toont. Na de witte bel komen we achtereenvolgens in de rode bel, de binnentuin met zwembad, de zwarte en de gele bel, om via trappen terug boven de grond te eindigen. Dat labyrint van ondergrondse kamers is buitengewoon aantrekkelijk. Van de Flintstones heeft de rotswoning niets, het lijkt eerder een setting voor een film van James Bond.

Jameos del Agua.

In het noorden van Lanzarote, aan de voet van de vulkaan Monte Corona, bevindt zich een aaneenschakeling van tunnels, grotten en spelonken die vanaf de zee tot 6 km landinwaarts lopen. Jameos del Agua is daar een deel van. Een jameo is een gesprongen vulkaanbel. Ze ontstaan wanneer een tunnel instort door de explosie van opgehoopte gassen. In 1968 maakte Manrique van dat natuurfenomeen een publieke ruimte waar gegeten, gedanst en gefeest kan worden. De laatste grot bouwde hij om tot een concertzaal met 500 plaatsen. Boven de grotten ontwierp Manrique een informatiecentrum waar een audiovisuele voorstelling de geheimen van de vulkanen uit de doeken doet.

Jameos del agua is van Manriques projecten de meest toeristische. Daardoor ontbreekt hier de sfeer die hij elders wel weet op te wekken. Hoewel bij zijn verbouwingen de vormgeving opvalt, is het vooral de sereniteit die indruk maakt: alsof natuur en architectuur een eenheid vormen.

Mirador del Río

Hoog boven de noordelijke eilanden Graciosa, Alegranza, Montana Clara, Roque del Este en Roque del Oeste lag vroeger een artilleriepost. Opnieuw stelde Manrique voor om op deze uitzonderlijk mooie plek de eilandbezoekers iets meer te bieden dan alleen de natuur. Hij bouwde een restaurant, en legde een wandelpad aan met zicht op de rotsen en het 400 meter lager gelegen strand. Maar Mirador del Río is niet zomaar een restaurant: wie tot het einde van het pad wandelt, merkt dat het in de rotsen is uitgehouwen. Het idee is afkomstig van de Madrileense architect Fernando Higueras, die in de berg boven de baai van Famara een dorp wilde bouwen. De bewoners zouden met liften het strand kunnen bereiken. Maar zijn project was te utopisch en werd van tafel geveegd. Manrique kwam met een minder spectaculair, maar fantastisch voorstel op de proppen. In de berg langs de zee-engte van El Río liet hij een gat graven om het restaurant in te bouwen. Boven de grote eetzaal ontwierp hij twee koepels. Daarop werd gras gezaaid om de eenheid met de natuur te versterken.

Wie nietsvermoedend een toegangskaartje koopt, valt in de opperste verbazing. Vanuit de grote, witte eetzaal kijk je als vanuit een ruimteschip over de blauwe planeet. Door de vorm van het restaurant en de sculpturale raamverdeling krijgt het zicht op het eiland La Graciosa iets onwezenlijks.

Jardín del Cactus.

Het laatste monument dat Manrique voor zijn dood in 1992 verwezenlijkte, is El Jardín del Cactus, de cactustuin. In de streek rond Guatiza en Mala liggen uitgestrekte cactusgaarden. De planten worden gekweekt voor de cochenilleluizen, die de natuurlijke kleurstof karmijn produceren. Tot halfweg de vorige eeuw was Lanzarote een bloeiend cochenillecentrum. Vandaag oogst men nog slechts enkele ton kleurstof, een luttele 0,3 procent van de wereldproductie. Maar dat kon Manrique niet deren, opnieuw vond hij in de traditie en de natuurlijke rijkdom van het eiland zijn inspiratie. De tuin werd gebouwd in een grote, kunstmatige kuil. Rond 1850 hadden de boeren deze grond uitgegraven om het losse vulkaangesteente over hun velden te strooien, als bescherming tegen de droogte. Wat na 150 jaar in deze kuil overblijft, zijn monolieten: als versteende cactussen staan ze tussen 1420 andere soorten.

Hilde Bouchez / Foto's Michel Vaerewijck