P eter De Cupere staat me aan de poort van de ateliers van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten in Antwerpen op te wachten. Voordat hij daar deze zomer moet vertrekken, krijg ik een rondleiding in zijn kamers vol schimmels, kruiden en zepen. Wanneer hij in de auto stapt, vult deze zich met een zoete, kleverige geur. Ik voel me misselijk worden en toch kan ik niet zeggen dat de man stinkt. Het is eerder iets weeïgs dat aan hem kleeft. Een niet thuis te wijzen parfum maar sterk genoeg om de maag te beroeren.
...