In juni 2012 opent het New Yorkse Museum For Arts & Design een departement, gewijd aan de kunst van het parfum. Ze rekenen daarvoor op Chandler Burr (48), een parfumcriticus die voor The New York Times schreef en al enkele boeken aan het onderwerp wijdde.
...

In juni 2012 opent het New Yorkse Museum For Arts & Design een departement, gewijd aan de kunst van het parfum. Ze rekenen daarvoor op Chandler Burr (48), een parfumcriticus die voor The New York Times schreef en al enkele boeken aan het onderwerp wijdde. Chandler Burr : Ik heb geen parfumeursopleiding gehad. Ik heb Luca Turin, de eerste parfumcriticus, vier jaar gevolgd om een boek over hem te schrijven. Hij was mijn grote leermeester. Toen het boek uitkwam, vroeg The New Yorker me om een artikel te schrijven over het ontwikkelingsproces van een parfum. Ik contacteerde verscheidene huizen en Hermès accepteerde om me het proces te laten volgen van Un jardin sur le Nil. Deels omdat het voor The New Yorker was, maar ook omdat ik een echte wetenschapsjournalist ben. Ik had al twee coververhalen voor The Atlantic geschreven. Dat stelde hen gerust. Ze wisten dat ik geen oppervlakkig verhaal zou maken zoals je in veel damesbladen leest. Bovendien hebben ze een eigen huisparfumeur, Jean-Claude Ellena, waardoor het verhaal volledig over Hermès gaat, ze wonnen er dus bij om me toe te laten. Toen het stuk verscheen vroeg The New York Times om voor hen te schrijven. Ik stemde toe op voorwaarde dat ik hun parfumcriticus mocht worden. Absoluut. Ik ben niet geïnteresseerd in de marketing, ik focus enkel op de materie. Ik haat de oppervlakkigheid die er meestal mee gepaard gaat. De manier waarop over parfums wordt geschreven is beschamend. De mecenassen van deze kunst zijn bijna allemaal grote modeontwerpers en ze hebben er belang bij om de illusie te wekken dat ze hun eigen geuren maken. Wat niet waar is. Je moet natuurlijk je klassiekers kennen. Als je op een correcte manier over parfums wilt schrijven, moet je over de ingrediënten spreken, of die nu natuurlijk zijn of synthetisch. Daar gaat veel wetenschap mee gepaard : er worden allerlei synthetische moleculen ontwikkeld die erg belangrijk zijn voor de creatie. Die moet je kennen om een parfum te kunnen beoordelen. Ik heb maar een fractie van de kennis van getrainde parfumeurs, maar ik heb uren met hen doorgebracht en zoveel mogelijk geroken en bestudeerd. Ik weet hoe methyl dihydrojasmonate of cis-3-hexanol ruikt. En ik ken het verschil tussen essence, absolue en extract. Dat zijn belangrijke dingen als je parfumcriticus wilt zijn. Hoewel dat soms ook mogelijk is zonder die technische achtergrond. Paul Goldberger, de gerenommeerde architectuurcriticus van The New Yorker, is geen architect maar hij heeft een oog voor esthetiek en heeft voldoende technische kennis. Dat is erg belangrijk, omdat nieuwe soorten metalen, harsen, lijm, glazen andere materialen toelaten dat architectuur vooruitgaat. En dat geldt net zo voor parfums. Het idee dat een parfum anders ruikt bij iedereen vind ik een grove overdrijving en is vooral marketing. Dat is slechts in zeer beperkte mate het geval, door de zuurheidsgraad van je huid of de voeding. Maar sommige mensen menen dat parfums interageren met hormonen en dat bijgevolg vrouwen enkel damesgeuren en mannen enkel herengeuren mogen dragen. Dat is het idiootste dat ik ooit gehoord heb. Parfums worden zo gemaakt dat ze geen biochemische reactie veroorzaken. Anders zouden ze onder de veel strengere medische wetgeving vallen. Iedereen heeft zijn voorkeuren. Ik heb het moeilijk met zwaardere oosterse of dierlijke geuren. Als een criticus moet je je zeer bewust zijn van je vooroordelen. Opium van YSL bijvoorbeeld is een duidelijke oriental die ik echt heb moeten leren appreciëren. Sommige parfums moet je tijd geven. Een paar jaar geleden zat ik in een restaurant naast een dame die fantastisch rook. Tot mijn verbazing was het Opium, dat ze die ochtend had aangebracht. Bovendien heeft elk tijdperk andere affiniteiten. Wat in de jaren vijftig populair was, is dat nu niet meer. Onze smaak is geëvo-lueerd, je voelt wat gepast is en wat werkt. Iets uit een ander tijdperk moet je leren waarderen. Het is net zoals met muziek of literatuur : we kunnen Flaubert of Shakespeare appreciëren, maar we moeten daar aan werken, het eerst leren begrijpen. Dat geldt voor elk kunstwerk. Ik vind het pretentieus om te denken dat luisteren naar Chopin even gemakkelijk is als naar Lady Gaga. Gaga is meer van deze tijd en ligt bijgevolg beter in het oor. Maar als je moeite doet, leer je even goed Ravel te smaken, misschien zelfs meer dan Gaga. De manier waarop Jean-Claude Ellena parfums maakt, is erg invloedrijk. Hij maakt geuren die als een aura rond je hangen. Verder : Sophia Grosjman, Alberto Morillas, Jacques Cavallier, Francis Kurkdjian, Bertrand Duchaffour, Maurice Roucel, Dominique Ropion, Edmond Roudnitska, Germaine Cellier,... De lijst is nog veel langer. Die parfumeurs zijn invloedrijk om dezelfde reden dat andere artiesten dat zijn. Ze hebben een grote technische competentie én creativiteit. Het zijn esthetische geniën. Dat geldt ook voor architecten, filmregisseurs, componisten,... Zelfs Michelangelo kreeg limieten opgelegd van de paus toen hij de Sixtijnse Kapel aanpakte, maar dat doet geen afbreuk aan het kunstwerk. De ene opdrachtgever legt al grotere beperkingen op dan de andere. En de ene artiest is al genialer en meer getalenteerd dan de andere. Er zijn drie technische criteria. Hoe lang een parfum standhoudt, hoe het zich verspreidt in de lucht en ten slotte zijn structuur : hoe goed de ingrediënten bij elkaar passen en met elkaar verweven zijn. De compositie moet op elk moment harmonieus evolueren en stabiel blijven. Daarnaast heb je nog een esthetisch criterium, maar dat is subjectief, zoals bij elke kunst. Het is je eigen mening of je een parfum mooi vindt, choquerend, machtig, innovatief, intelligent, noem maar op. Elk medium is anders, maar de basiscriteria - technische en esthetische - blijven dezelfde. Kunst is per definitie kunstmatig, in de best mogelijke zin. Het gaat over een bepaalde visie, die je raakt en een bepaalde reactie of gevoel uitlokt. Ik wil aantonen dat parfum behoort tot de mainstream kunstgeschiedenis, net zoals de schilderkunst, architectuur, beeldhouwkunst, enzovoort. Dat ga ik doen door interessante tentoonstellingen te organiseren, lezingen, door te communiceren met het grote publiek, kunsthistorici, galeriehouders,... Het is geen lijst van de tien beste creaties, want dat is onmogelijk. Je zult een tiental geuren kunnen ruiken (van 1889 tot 2011) waarbij de parfumeur als artiest wordt vermeld. Er is geen flacon te zien, want dat heeft niets met het kunstwerk te maken, vind ik. Het is een geschiedkundige expo die parfums in de context van kunstgeschiedenis plaatst. Parfum als artistiek medium begon rond dezelfde tijd als film en fotografie ( in 1889 met Jicky van Guerlain, het eerste parfum waar synthetische moleculen werden gebruikt). Film werd een eeuw geleden al erkend als kunstvorm, fotografie pas sinds dertig jaar en ik geloof dat parfum dat in de komende tien jaar zal worden. - Vanaf juni 2012 in het Museum for Arts & Design in New York. DOOR SOFIE ALBRECHT"GROTE PARFUMEURS ZIJN INVLOEDRIJK OM DEZELFDE REDEN DAT ANDERE ARTIESTEN DAT ZIJN. ZE HEBBEN EEN GROTE TECHNISCHE COMPETENTIE ÉN CREATIVITEIT." "DAT VROUWEN ENKEL DAMESGEUREN EN MANNEN ENKEL HERENGEUREN MOGEN DRAGEN, IS HET IDIOOTSTE WAT IK OOIT GEHOORD HEB."