Hij studeerde af als computerwetenschapper, zong en speelde basgitaar in een band en werd vervolgens stand-upcomedian. De veertigjarige Brit Mark Stevenson houdt ervan om verder dan zijn neus te kijken. Exact een jaar geleden bracht hij zijn eerste boek uit : An optimist's tour of the future. Daarin leidt hij de lezer langs labs, ruimtecentra en zelfs langs boerderijen in de Australische outback. Optimistisch van nature wilde hij niet geloven in doemscenario's voor de toekomst. Hij ging op zoek naar wetenschappelijke ontdekkingen, gloednieuwe uitvindingen en evoluties die relevant zijn. Zijn conclusie na duizenden kilometers ? "Ik weiger te geloven dat de menselijke samenleving niet kan groeien, verbeteren en leren. Dat ze niet in staat zou zijn te veranderen en de wereld weer beter te maken."
...

Hij studeerde af als computerwetenschapper, zong en speelde basgitaar in een band en werd vervolgens stand-upcomedian. De veertigjarige Brit Mark Stevenson houdt ervan om verder dan zijn neus te kijken. Exact een jaar geleden bracht hij zijn eerste boek uit : An optimist's tour of the future. Daarin leidt hij de lezer langs labs, ruimtecentra en zelfs langs boerderijen in de Australische outback. Optimistisch van nature wilde hij niet geloven in doemscenario's voor de toekomst. Hij ging op zoek naar wetenschappelijke ontdekkingen, gloednieuwe uitvindingen en evoluties die relevant zijn. Zijn conclusie na duizenden kilometers ? "Ik weiger te geloven dat de menselijke samenleving niet kan groeien, verbeteren en leren. Dat ze niet in staat zou zijn te veranderen en de wereld weer beter te maken." Het Jamie Oliver/Jeroen Meusgehalte van Mark Stevenson is groot. Als we op een zonnige, ijskoude herfstdag aanbellen bij hem thuis, nabij Telegraph Hill in Londen, moeten we ons langs zijn fiets in de gang wurmen om binnen te komen en zien we hoe hij nog snel wat Britse ponden uit een glazen bokaal graait vooraleer hij ons meeneemt naar het buurtcafé. "Wow", reageert Mark als ik mijn exemplaar van zijn boek op tafel leg. "Je hebt het echt gelezen ! Het ziet er niet uit !" En meteen volgt de vraag : "Heb jij ooit een boek geschreven ?" "En jij ?" aan de fotograaf. Zijn aanstekelijke nieuwsgierigheid uit het boek is geen pose. Mark Stevenson : Ja. Twee jaar geleden ben ik eraan begonnen. Het is een poging om ter sprake te brengen wat er zich afspeelt aan de wetenschappelijke horizon. Er gebeurt zoveel op het gebied van genetica, robotica, het klimaat. Ik wil die informatie naar een breder publiek brengen. Er worden heel veel boeken geschreven. Was het nodig dat ik er ook nog eentje schreef ? Ja, vond ik, want dit soort boek bestaat nog niet. Ik hou van communicatie, ik vind het leuk om op zo'n manier te schrijven dat complexe, filosofische, wetenschappelijke dingen zelfs door mijn ma begrepen worden. Dat is geen belediging voor mijn ma, zij leest alleen crime novels, geen wetenschappelijke boeken. Het is bewust een soort Bill Brysonboek geworden (Bryson is een Amerikaans populairwetenschappelijk auteur, bekend van Een kleine geschiedenis van bijna alles). Op een dag, zes jaar geleden, stond ik op en besefte ik dat ik mijn marketingjob haatte. Ik nam prompt ontslag en vroeg me af : what do I care about ? Waar wil ik de rest van mijn leven mee bezig zijn ? Twee dingen bleken me te raken : enerzijds het gebrek aan kritisch denken, vooral in de politieke wereld, anderzijds het toenemend cynisme en het gebrek aan optimisme en ambitie. Vanuit die achtergrond is mijn boek geschreven. Het is een presentatie van kritische en optimistische denkers. Want als maatschappij zouden we betere beslissingen nemen als we die twee principes meer ter harte zouden nemen. Neen. Veel beslissingen worden genomen op basis van emoties of van ideologie. Dat vind ik niet goed. Ik ben ingenieur. Ik vraag mij af : werkt het of werkt het niet ? Maakt het de wereld beter of niet ? Helpt het mensen ? Zijn er nieuwe bewijzen ? Dan moeten we de oude weerleggen en onze aanpak veranderen. De politieke wereld doet dat niet. Politiek blijft hangen in een ideologie. We hebben meer ingenieurs nodig en minder politici. (Veert recht) Hé, dat is een goede quote, heb je die op tape ? Ik wil dat het heel duidelijk wordt wat er nu aan de hand is. Want als we niet kritisch gaan nadenken over genetica, nanotechnologie, bio- en infotechnologie, zullen we slechte beslissingen nemen, of zullen anderen ze nemen voor ons. Ik wil bij de discussies die op til zijn zoveel mogelijk mensen betrekken. Los daarvan is het gewoon fascinerende materie. Mensen die mijn boek lezen, zullen zich realiseren dat de wereld er nog behoorlijk playful uitziet. Het is niet per se zo dat de grote ramp er staat aan te komen. Ik zeg niet dat de toekomst er sowieso beter zal uitzien, maar het zou wel kunnen. Mark Stevenson vertrok van de simpele vraag : what's next ? "En dan volgde ik mijn neus. (Haalt zijn schouders op) I don't know, let's have a look. Omdat ik niet wist waar ik zou uitkomen en omdat ik ook zo wou schrijven, stel ik hopelijk dezelfde vragen op hetzelfde moment als de lezer." Omdat hun filosofie zo'n schok geeft. De vraag die gesteld wordt is belangrijk. We leven steeds langer. Technologie verplicht ons om na te denken over grote filosofische vragen die we maar voor ons uit blijven schuiven. Wat is bewustzijn ? Wat is leven ? Wat als we niet zouden sterven ? Wat is menselijk ? Als we niet meer sterven, zijn we dan nog menselijk ? Wat betekent het voor pensioenen ? Wat betekent het voor het huwelijk ? Zou je nog met iemand trouwen als het voor duizend jaar zou zijn ? Het transhumanisme roept prangende vragen op en als er iets is waarin ik geloof, is dat vragen stellen. Omdat we van een antwoordgebaseerde maatschappij naar een vraaggebaseerde maatschappij evolueren. Daarmee bedoel ik dat je vroeger als intelligent en erudiet werd beschouwd als je het antwoord op iets wist. Tijdens een dinertje of zo. Nu kun je die antwoorden heel snel vinden en is het veel belangrijker om een vraag te stellen die nog niet gesteld is. Op school heb je de foute situatie : kinderen die het antwoord al weten, steken hun hand op, de anderen worden genegeerd. Als kinderen van school komen, vinden ze wetenschap saai. Hoe is dat mogelijk ? Een kind van vier is van nature 'wetenschapper' : het wil weten hoe alles werkt, het is wetenschappelijk en artistiek ingesteld, het durft fouten maken. Ooit was ik stand-upcomedian. Ik weet wat afgaan betekent. Het is puur trial and error. Je wordt constant in de gaten gehouden en becommentarieerd. Er zijn veel parallellen met de wetenschap. Als de overheid blijft investeren in een onderwijssysteem dat creativiteit inhibeert, wees dan niet verrast als de economie na enkele generaties in het slop geraakt. We leven nu eenmaal in the age ofinformation. Sommige landen zien dat in, andere niet. Een van de dingen die ik deed toen ik stopte met mijn job was het oprichten van een learning consultancy bureau : Flow Associates. Daarmee proberen we creatieve leer-methoden voor te stellen in musea en cultuurhuizen. We creëren een omgeving waar het veilig is om te falen, waar je fouten mag maken, waar vragen stellen even belangrijk is als het juiste antwoord weten. Ik hou ervan als mensen mij iets vragen waarop ik moet zeggen : 'Ai, dat weet ik niet, dat moet ik uitzoeken.' Dan moet ik actie ondernemen. Dan ben ik blij, want het betekent dat ik verder kan gaan en kan bijleren. Alle technologieën uit het boek zijn even hoopgevend als gevaarlijk. Je kunt bacteriën gebruiken om nieuwe brandstof te maken, maar ook om nieuwe ziektes te creëren. In principe zijn al die ideeën dus griezelig. Het maakt dat veel mensen afstand nemen van de nieuwe technologieën. Alles gaat te snel, we verliezen onze menselijkheid. Einstein zou ooit gezegd hebben : " It has become appallingly obvious that our technology has exceeded our humanity." Maar hij zat fout. Evolueren dankzij cultuur en technologie is precies wat ons, mensen, onderscheidt van dieren. Afstand nemen van technologie is heel 'onmenselijk'. Je kunt nieuwe technologieën proberen te negeren, maar dat is dom. Je kunt ze proberen te stoppen, maar dat is nutteloos. Of je kunt ze in een positieve richting proberen te duwen en dat is volgens mij het beste wat je kunt doen. Wat mij het meest angst aanjaagt is het gebrek aan ideeën. Daarom heb ik The League of Pragmatic Optimists opgericht, een platform voor ontmoetingen. Ik heb veel interessante wetenschappers ontmoet, ze kunnen volgens mij veel voor elkaar betekenen. Het lijkt wel besmettelijk : als mensen voelen dat ze in de toekomst kunnen meespelen, zijn ze niet te stoppen. Een van de regels van de League is dat ideeën beter worden door ze te delen. In de komende maanden komen we met nieuws naar buiten. Neen. Ik word nu vaak door bedrijven gevraagd om mee na te denken over de toekomst. Ik help ze met hun communicatie en introduceer ze bij interessante mensen. Ik geef ook veel lezingen voor scholen en bedrijven. Ik sprak al voor IBM en Microsoft, de Verenigde Naties, de Standard Chartered Bank en binnenkort op het National Space Symposium in Amerika en op de Technology Frontiers van The Economist. Telkens heb ik het over pragmatisch optimisme. We zijn ook bezig aan een film over de mensen uit het boek. Een ander project is het carbon neutral petrol station. Daarvoor heb ik twee onderzoeksinstituten, die ik onafhankelijk van elkaar bespreek in het boek, bij elkaar gebracht. We onderzoeken nu of het haalbaar is om één nieuwe onderzoeksinstelling op te richten die zich toespitst op die materie. Op dit ogenblik is dat niet leefbaar, de technologie is niet klaar, er zijn problemen met energie-efficiëntie. Maar over tien tot vijftien jaar zou het wel mogelijk moeten zijn. Je kunt de bestaande infrastructuur gebruiken. Er zijn zelfs een paar grote autobedrijven geïnteresseerd. Dat is echt een pragmatisch-optimistisch ding om te doen, ook al zeggen mensen dat het niet kan. Zelfs als we falen zullen we onderweg veel dingen hebben ontdekt. Ik denk dat we een periode ingaan waarin leiderschap verandert. Tegen jongeren zeg ik wel eens : zoek niet naar promotie maar naar verspreiding. Je leidt niet door hoeveel je weet, maar door hoeveel mensen je inspireert. Dat is hoe de maatschappij nu werkt. Het zijn netwerken die leiden, niet leiders. Als je in een hiërarchie vooruit wil, moet je voorbij anderen. Wie dat wil, ziet zichzelf dus als beter dan de anderen en precies die mensen wil je niet als leiders. In een netwerk gaat het anders, daar leid je door mensen te inspireren. Je bent een 'licht' en als je voldoende mensen aantrekt ben je een leider. De moraal in zo'n netwerk is beter, het gaat om onderhandelen. Verandering ontstaat gemakkelijker in netwerken dan in hiërarchieën. Ik denk dat we nog altijd leiders nodig hebben, maar ze leiden omdat ze inspireren en omdat ze je macht geven. Niet omdat ze zelf macht hebben. www.anoptimisttourofthefuture.com DOOR LEEN CREVE - PORTRET WOUTER VAN VAERENBERGHVROEGER WAS JE SLIM ALS JE HET ANTWOORD OP IETS WIST. NU IS HET VEEL BELANGRIJKER OM EEN VRAAG TE STELLEN DIE NOG NIET GESTELD IS. JE LEIDT NIET DOOR HOEVEEL JE WEET MAAR DOOR HOEVEEL MENSEN JE INSPIREERT. HET ZIJN NETWERKEN DIE LEIDEN, NIET LEIDERS.