Koen Fillet

Je zult mij niet horen beweren dat ik kreupel ben, Linda, maar ik ben het wel. Sinds 28 mei, de dag na de 20 km van Brussel. Ontstoken achillespezen. Dat voelt alsof er bij elke stap iets wordt geforceerd onder aan mijn kuiten. Een of andere spier lijkt te kort. Als ik even heb stilgezeten, kom ik wankelend overeind en zet ik grimassend mijn eerste passen. Voor familieleden en collega's probeer ik mijn lijden te verbergen, maar ik vrees dat ze me doorzien. Ik voel bovendien een verontrustende bobbel boven mijn hiel. Vroeg of laat knapt daar iets.
...

Je zult mij niet horen beweren dat ik kreupel ben, Linda, maar ik ben het wel. Sinds 28 mei, de dag na de 20 km van Brussel. Ontstoken achillespezen. Dat voelt alsof er bij elke stap iets wordt geforceerd onder aan mijn kuiten. Een of andere spier lijkt te kort. Als ik even heb stilgezeten, kom ik wankelend overeind en zet ik grimassend mijn eerste passen. Voor familieleden en collega's probeer ik mijn lijden te verbergen, maar ik vrees dat ze me doorzien. Ik voel bovendien een verontrustende bobbel boven mijn hiel. Vroeg of laat knapt daar iets. Wat doet de ware loper dan ? De ware loper gaat naar de dokter. Die schrijft een zalfje voor en ijskompressen en een ontstekingsremmer en een paar sessies bij de kinesist. Na een paar weken is het probleempje vergeten en kan de ware loper weer lopen. Ik niet, ik ben niet zo dokterachtig. Liever nog de pijn verbijten dan in een wachtkamer te gaan zitten. Ik sus mezelf met de gedachte dat het morgen wel beter zal gaan, of volgende week. Of de week daarna. En voor je het beseft zijn er vijf maanden voorbij. Vijf maanden geen meter meer gelopen, ik hijg intussen opnieuw als een gewone sterveling als ik de trap op moet. Ik heb heimwee, Linda. Heimwee naar de eenzaamheid van de loper, de monotonie van het duizend-en-zoveel keer neerkomen van mijn voeten, vakantie in mijn hoofd, ontsnappen aan het echte leven, de inwendige monologen. Vaaglijk herinner ik me de lotsverbondenheid met andere lopers, de stille concurrentie ook, de zoute druppels die prikten in mijn ogen, het heerlijke stinken van mijn zweet, en de douche achteraf. Het lopen had me veranderd, vanbinnen en vanbuiten. Had, want stilaan begin ik in de spiegel opnieuw mijn voltallige zelf te zien. Ik ben dan toch maar naar de dokter gegaan. Schoorvoetend. Nee, dat is ongepaste beeldspraak. Schoorwankelend. Inderdaad : zalfje, ijs, ontstekingsremmers, kinesist. En wat doet Fillet vervolgens ? Hij legt de voorschriftjes op de kast en daar liggen ze nog altijd. Die zalf smeer ik, want die hadden we nog in huis, maar naar de apotheker gaan of een afspraak maken bij de kinesist ? Niet. Het zal morgen wel beter gaan, of volgende week. Of de week daarna. Nooit gedacht dat ik je nog eens een krop in de keel zou bezorgen, Koen. Hoe stond het er, in je bijdrage tot het Ontroerparcours ? "Middelbare vrouwen die te hard hun best doen". Lap, dat ben ik dus, ten voeten uit. Laat ik me vooralsnog tot het lichamelijke aspect beperken, dat is al pijnlijk genoeg. In meer dan één betekenis zelfs. Een fijn stel zijn we, Fillet. Jij kreupel ? Innige deelneming, want ik knars. Ter hoogte van de linkerknie om precies te zijn. Allemaal de schuld van Mieke Boeckx, de oermoeder van Start to run, die er met haar loopvuur voor zorgde dat duizenden min of meer belegen malloten zoals jij en ik het op een sukkeldrafje zetten. Ik die mij als halfwas in de turnles achter de stapel rubbermatten ging verstoppen zodra bok, paard of evenwichtsbalk er aan te pas kwamen. Ik die de laatste jaren genoeglijk in een toenemend embonpoint wegsudderde. Het moest maar zo goed niet zijn, nietwaar. Maar ha, de triomf van de wederopstanding. De eerste keer dat ik zonder onderbreking rond de Kielse Mastvest kon lopen. En daarna twee, drie, vier en vijf keer. Bloed dat in je oren suist, adem die vanuit het putje van je longen komt, endorfinen die door je brein razen. En verrek als het niet waar is, een vermoeden van spieren in de slappe mediorendijen. Tien jaar jonger voelde ik me, Koen, en trots en dankbaar om dat corpus van me dat zo dapper meewerkte. Prille collega-loopsters kregen lage rugklachten, pijnlijke schenen, zere enkels. Maar niet deze veterane. Misschien was ik zonder het te beseffen altijd al atletisch geweest en sprak ik nu ongekende reserves aan, maakte ik mezelf wijs. Pure hoogmoed natuurlijk. Die zoals de Oude Grieken al wisten vóór de val komt. In mijn geval vóór de knars. Een smerige knars die zich vooral bij het trappenlopen manifesteert. En bij het aantrekken van sokken. Maar je ziet van hier dat ik naar de dokter ga. Want eens op de onderzoekstafel is de knars natuurlijk foetsie. Om geniepig terug te keren zodra ik de consultatie verlaat. Maar voor je een traan wegpinkt, Koen, ik pak pilletjes. Vervaardigd uit de baard van de kammossel of uit de kam van de baardmossel, ik wil het kwijt zijn. Ik laat je weten of het helpt.