Stil is het, zo'n zondagmorgen waarop roerloosheid in de lucht hangt. Op de radio babbelt iemand met Tom Waes. Soms wou ik dat ik Tom heette, of Waes, of zo weinig wazig was als Tom Waes. Een concrete kerel, die zich bezighoudt met jongensdromen en er stáát. Hoewel je natuurlijk nooit kunt weten.
...

Stil is het, zo'n zondagmorgen waarop roerloosheid in de lucht hangt. Op de radio babbelt iemand met Tom Waes. Soms wou ik dat ik Tom heette, of Waes, of zo weinig wazig was als Tom Waes. Een concrete kerel, die zich bezighoudt met jongensdromen en er stáát. Hoewel je natuurlijk nooit kunt weten. De rusteloosheid blijft aanwezig, maar als volleerd dompteur ben ik erin geslaagd, hard met mijn zweep van nijlpaardleer knallend, ze in de hoeken van de kamer terug te drijven. Daar loert zij, valsig, wachtend op een kans om toe te slaan en weer bezit van mij te nemen. Steeds minder ben ik geneigd deze demon een kans te geven. Steeds beter besef ik dat het 'slechts' emoties betreft. De materiële wereld om mij heen is oké. De boeken staan schouder aan schouder solidair in de kast, vanuit de badkamer weerklinkt het geruststellende gezoem van een draaiende wasmachine en voor de rest van de dag zijn geen orkanen of aardbevingen voorspeld. Het enige waar ik bang voor moet zijn, komt van binnen : de onrust, die je als een hond achter zijn eigen staart aan doet zitten. Ik snak naar vanzelfsprekendheid. Naar een vrouw die niet twijfelt. Naar de warmte van een bevriend lichaam in de nacht. Waarom moet ik altijd zoveel voelen ? Die vraag stel ik mij, de laatste tijd, in deze fuckin' emotijden. Een liedje op de radio kan al volstaan om mij te ontroeren. "I'll meet you on the other side", hoorde ik onlangs op zoetgevooisde tonen. "I'll meet you in the light." Zoiets vervult mij op slag met gemis en verlangen, naar alles wat voorbij is en nooit meer terug zal komen. Naar alles wat had kunnen zijn. Ook dat populaire nummerke waarin Amy MacDonald zich afvraagt "where you gonna sleep tonight ?" spreekt mij aan, vermits ik elke dag weer het gevoel heb niet te weten onder welke brug ik die avond zal slapen. Terwijl het altijd op dezelfde zachte matras is, met het zicht op New York, dat heb ik bij Ikea voor 149 euro gekocht. Gelukkig zijn er vrienden om mee in het park te zitten, zoals gisteren. Er waren gesprekken over Darfour en de mannelijke okselbeharing, er was cava, er was een kind van wie het eerste woordje auto was. Ik betrapte mij erop niet graag te zouden hebben dat het eerste woordje van mijn kind auto was. Er zijn zoveel mooiere woorden, te weten bijvoorbeeld immer en vadsig, hoewel ik niet geloof dat er veel kinderen rondlopen die dat als eerste woordje hadden. Des avonds begaven we ons in wat de gezellige drukte van de Patersholfeesten zou kunnen worden genoemd. Er was een man met grijze pruik die vanuit een raam op de eerste verdieping een vettige striptease ten beste gaf. Daar stonden we goedkeurend naar te kijken. Voorts waren de feesten een slideshow van drankjes en gezichten, waarvan de meeste vreedzaam waren. Ik hou van vreedzaamheid in de wereld. Vreedzaamheid is een eigenschap die vermag mij te ontroeren - hoewel ik moet uitkijken met dat ontroerd geraken, want in industriële hoeveelheden genuttigd verliest ontroering elke glans, zoals overigens ook gelach, dat dan ontaardt in gekakel. In plaats van altijd per se dingen te moeten voelen zou ik mij beter beperken tot pure beschrijving van de wereld, waar ik dan doorheen kan waden in de gedaante van een kalkoen. Terug thuis zat ik nog enige tijd naar de skyline van Gent te staren, die zoals bekend niet bijster indrukwekkend oogt. Ik vond het bizar dat ik nu alleen woonde op een appartement. Het leek mij iets wat ik niet zelf had geregeld maar dat mij op de een of andere manier was overkomen, zoals een kop-staartbotsing op een heldere ochtend. Ik ben er niet dol op alleen te wonen, maar het is waar, het heeft ontegensprekelijk voordelen, zoals geen gezeur aan je kop en je dekbed niet moeten delen. Misschien was dit wel het ideale moment om nog eens iets van Jeroen Brouwers te lezen, want die is altijd zo zwartgallig dat ik er van de weeromstuit vrolijk van word. Op Facebook had ik inmiddels veertien vrienden. Buiten was het beginnen te regenen, wat enigszins debiel is om te zeggen, want binnen regent het nooit. Dikke druppels sloegen tegen de ramen te pletter. Ik kreeg zin in een kop warme chocomelk en in een milde, gezellige ziekte, zodat mijn moeder mij kon komen vragen of ik nog keelpijn had. Jean-Paul Mulders