Piet Swimberghe
...

Piet SwimbergheDe Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene verwierf voor de oorlog naam en faam met stijlmeubelen en art-decomeubilair, maar was al langer actief. Wat in 1865 begon als een behangerszaak groeide tegen 1900 uit tot een volwaardig interieurbedrijf: meubilair, tapijten, luchters en glasramen. Bij Jozef De Coene, de artistieke kracht naast zijn broer Adolphe, sloegen de eerste creatieve vonken over toen Henry Van De Velde rond 1895 in Brussel een reeks voordrachten gaf over de renaissance van de toegepaste kunsten. Van De Velde verwees naar de Arts and Crafts-beweging in Engeland en de Secession in Wenen. Die wedergeboorte prees een versmelting van alle kunsten, van architectuur tot schilderkunst en meubelkunst. Jozef voegde de daad bij het woord, omringde zich met ontwerpers en slaagde erin om begin twintigste eeuw volledige interieurs te concipiëren. De onderneming was in heel België en Noord-Frankrijk actief. De glorietijd brak aan in de dolle jaren twintig, met de art deco, en uiteraard was De Coene in 1925 present op de richtinggevende Exposition Internationale des Arts Décoratifs in Parijs. Dat is vrij summier de vooroorlogse geschiedenis, waar we niet dieper op ingaan, onze belangstelling gaat naar de naoorlogse bedrijvigheid die minder bekend is.Het bedrijf kent in de jaren vijftig en zestig een nieuwe bloei, onder leiding van Pol Provost, medeoprichter van het Instituut voor Industriële Vormgeving. Hij maakte van De Coene een heuse designfabrikant. Van Knoll, destijds samen met Miller in de States dé leverancier van kantoormeubilair, verkreeg hij de licentierechten voor de productie van een aantal meubelontwerpen. Knoll werkte met onder andere Harry Bertoia, Eero Saarinen, Ludwig Mies van der Rohe, Florence Knoll en Marcel Breuer. Vanaf 1954 produceerde De Coene enkele beroemde Knoll-meubelen voor de Benelux: het begin van een nieuw succesverhaal. Kopers van Knoll-meubelen legden nooit het verband met De Coene, alles werd verkocht onder de naam Knoll International, dat bevestigen Jérôme Dervichian, Philippe De Craene en Achilles Daelman, die toentertijd een leidinggevende functie hadden in het bedrijf. De vroegere winkels van De Coene in Brussel en Amsterdam werden heringericht tot Knoll-showroom en op de facturen prijkte de naam van het designbedrijf, niet van de Kortrijkse producent. Het hele gamma van Knoll werd aangeboden, ook wat niet uit Kortrijk kwam. Volgens Achilles Daelman beperkte de productie in West-Vlaanderen zich tot hout en metaal. Meubelen van kunststof, zoals de Tulip van Eero Saarinen werden er niet vervaardigd, wel geassembleerd. Knoll veroorzaakte een ware revolutie bij de traditionele meubelfabrikant De Coene. De productie van de staaldraadmeubelen van Bertoia was een technische uitdaging, zelfs in de States stonden ervaren ambachtslui sceptisch tegenover de nieuwe technologie. Stoelen uit staaldraad werden door sommigen als een grap beschouwd, herinnert Dervichian zich. Hij was voor dit project de persoonlijke contactpersoon van Bertoia. Dick Schultz, de assistent van de beeldhouwer, startte de productie in Kortrijk. Om problemen met wantrouwige meubelmakers te ontwijken, leidde hij jonge, ongeschoolde arbeiders op, die de staaldraad van Bekaert op een mal plooiden en puntlastten volgens een toen nog vrij artisanaal procédé. Voor de meubelen van Mies van der Rohe kwamen de platte stalen staven uit Amerika. De Barcelona was een moeilijke klus, de X-verbinding van de voet vergde veel vakmanschap. Kenners vinden de exemplaren uit Kortrijk het best afgewerkt. De leren kussens werden in het begin zelfs door Delvaux gemaakt en waren nog opgevuld met paardenhaar. De Barcelona was zeker het kroonstuk van de productie. Daar het toen al een behoorlijk prijzig meubel was, werd het vooral aan bedrijven gesleten voor ontvangstruimten, particulieren toonden er minder belangstelling voor. Mooi is ook de Donum-stoel die de Fin Ilmari Tapiovaara (medewerker van Aalto, Le Corbusier en Mies van der Rohe) in 1946 ontwierp en die later een Knoll-product werd. Dat houten zitje, volgens Daelman de eerste houten stapelstoel, was een massaproduct voor bijvoorbeeld scholen. Van de Donum heeft De Coene duizenden exemplaren vervaardigd voor de wereldtentoonstelling van 1958. Uiteraard produceerde De Coene ook de meubelen van Florence Knoll. Dervichian benadrukt dat De Coene vooral een interieuraannemer was van grote projecten. Zo werd het Knoll-meubilair vaker aan de overheid en bedrijven verkocht dan aan particulieren. De Coene leverde volledige gebouwen, tot en met de wand-, vloer- en plafondbekleding toe.Een van de eerste grote naoorlogse opdrachten was de inrichting van de bekende BP-toren in Berchem, van architect Leon Stynen. Belangrijk was ook de inrichting van het gemeentehuis van Deurne, in 1963 ontworpen door Eduard Van Steenbergen, en gedeeltelijk gemeubileerd met werk van de architect en stoelen van Eero Saarinen. De Coene had ook eigen ontwerpers in dienst, zoals Philippe Neerman die tussen 1959 en 1969 aan het interieur van de Koninklijke Bibliotheek Albert in Brussel werkte. Tot de bouwkundige kwaliteitsproducten van het bedrijf hoorden zeker de gelijmde houten spanten, waarmee honderden grote projecten gerealiseerd werden in heel Europa, niet zelden in samenwerking met befaamde architecten als Renaat Braem, Jacques Dupuis en Sta Jasinski. Het bedrijf drong ook door op de internationale markt. In 1958-'60 richtte het de conferentiezalen in van de Unesco in Parijs en het Palais des Nations van de VN in Genève. Charlotte Perriand, eerder de rechterhand van Le Corbusier, trad op als raadgevend ontwerpster. Jérôme Dervichian heeft haar als begeleider van die projecten vaak ontmoet. Ze kwam zelfs voor vergaderingen naar Kortrijk. In die zin kun je het naoorlogse bedrijf nog moeilijk vergelijken met het vooroorlogse dat weliswaar groot was, maar minder internationaal gericht. Dit is nog maar een greep uit de vele activiteiten en producten, het ligt voor de hand dat het bedrijf veel creatieve krachten aantrok die later een eigen rol speelden in het design en de architectuur. De Coene werd in 1977 opgesplitst in aparte bedrijven die zich onder meer specialiseerden in interieurs en kantoorbouw.De dubbeltentoonstelling Van Moderne Makelij toont ons de interieurs van de gemeentehuizen van Merksem en Deurne en alle Knoll-meubelen. Kortfilms tonen de productiewijze. Daarnaast laten plans en foto's andere interieurs en gebouwen van De Coene zien, die destijds gerealiseerd werden in het Antwerpse. De tentoonstelling loopt van 29 maart tot 26 mei in de districtshuizen van Merksem (Burgemeester Jozef Bolfplein 1) en Deurne (Maurice Dequeeckerplein 1), dagelijks van 14 tot 17u, de donderdag tot 19u. Informatie: 03-641 72 52."Stoelen uit staaldraad beschouwden sommigen als een grap."