Het is zes uur in de ochtend, geen tijdstip om een hond door te jagen, maar ik zit aan mijn bureau. Het is stil in huis, ik hoor niets dan het geluid van water dat door verwarmingsbuizen suist. We zijn in de week tussen Kerstmis en Nieuwjaar aanbeland, die merkwaardige periode waarin iedereen verdwaasd lijkt rond te lopen in afwachting van de volgende schranspartij.
...

Het is zes uur in de ochtend, geen tijdstip om een hond door te jagen, maar ik zit aan mijn bureau. Het is stil in huis, ik hoor niets dan het geluid van water dat door verwarmingsbuizen suist. We zijn in de week tussen Kerstmis en Nieuwjaar aanbeland, die merkwaardige periode waarin iedereen verdwaasd lijkt rond te lopen in afwachting van de volgende schranspartij. Op mijn werktafel ligt een grote zak knikkers, gekocht in een winkel waar ik toevallig kwam, voor een luttele vier euro. Ik heb het gevoel dat het niet eerlijk is, dat ik zomaar al die knikkers kan bezitten zonder ze moeizaam op klasgenootjes te hebben veroverd. Er zijn soorten bij. De gewone, met van die driekleurige sliertjes in. Maar ook bijzondere exemplaren, die doen denken aan verre planeten. " Kluffers", noemden we ze op de speelplaats, met een woord dat de ingebouwde spellingscorrector van mijn tekstverwerkingsprogramma hardnekkig in "bluffers" probeert te veranderen. Weet hij veel. Ook de grotere knikkers, de " boleketten", zijn goed vertegenwoordigd in het zakje. De knikker met de grootste waarde was een kruising tussen die twee, de welhaast magische " klufferboleket". Onvoorstelbaar dat ik mij die woorden nog zo goed kan herinneren, terwijl het dertig jaar geleden is dat ik ze voor het laatst heb gebruikt. Zo gaat dat met de dingen in het leven waarvan je dacht dat ze altijd zouden blijven duren, of dat nu bikkelen is of knikkeren, je eerste lief zoenen of spek met eieren bakken op een mooie zondagochtend : ooit doe je het voor de laatste keer. Nooit ben je je daar op dat ogenblik van bewust. "Zijn doodvonnis zal nu waarschijnlijk binnen de dertig dagen worden voltrokken." Het ochtendnieuws meldt het over de genaamde Hoessein, Saddam. Het is eigenaardig dit bericht vandaag te horen, zoals het gisteren, op kerstdag, eigenaardig was op Studio Brussel naar Sympathy for the devil te kunnen luisteren. Zelfs de schijn van gewijdheid houden onze feesten niet meer op. "RECORD !" toeterde een krant trots op haar voorpagina. "Belgen betaalden zaterdag 4.300.896 keer met bankkaart." Een heuse mijlpaal in de geschiedenis van de mens. Ik tuur door het raam ; op de mistige akker aan de overkant zitten kraaien. Galgenvogels, lijkenpikkers schijnen dat te zijn, maar daar trek ik mij niets van aan. Ik mag ze wel, met hun kloeke gestalte en de koddige manier waarop ze over het land stappen. "Kijk, kraaien !" merkte ik onlangs op tegen een jonge vrouw, terwijl we samen door de velden liepen. Het verraste haar dat ik deze vogels bij hun naam kon noemen. Als meisje van de grote stad zou ze daartoe niet in staat zijn geweest, gaf ze toe. Van zo ver kom ik ook : dat ik geen mus van een merel kon onderscheiden. Dat is gelukkig lang geleden. De ekster en de koolmees, de kluffer en de boleket, de tarbot en de mooie meid : ik heb geleerd ze uit elkaar te houden. Ik heb het gevoel dat het belang heeft hun juiste naam te kennen, waarom weet ik niet. Het water suist nog steeds door de buizen, die nu ook aan het tikken zijn gegaan. De aderverkalkte bloedsomloop van dit oude huis maakt best wel een gezellig geluid. Ik sta op en loop naar de barometer van mijn grootvader, die op 780 staat oftewel op " Très beau". Ik tik ertegen met mijn vinger. De naald schokt een millimeter naar beneden, wat erop wijst dat de luchtdruk daalt. Terwijl ik naar de keuken loop, herinner ik me flarden uit een droom van vannacht. Het was zo'n droom waarin ik mij van de ene naar de andere kamer wou begeven, en daarvoor een gordijn opzij moest schuiven. Een gordijn van vuile jute, vol spinnenwebben. Toen ik het open had geschoven, bleek er nog een achter te hangen. En nog een en nog een en nog een, als had de eigenaar van de woning een oude textielhandel overgenomen en de gordijnen dan maar ten overvloede opgehangen, kriskras en lukraak, omdat hij anders toch niet wist wat ermee aan te vangen. Ik tastte en graaide maar en sloeg er bijkans van in paniek. Na belachelijk veel gordijnen zag ik opeens een gezicht. Daar schrok ik nogal van. Dat gezicht was namelijk het mijne, maar dan twintig jaar geleden en bevrijd van alles wat ik nu weet. Reacties : jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders