Het huis dat ik bewoon, is gebouwd voor gezinnen, met zijn vier slaapkamers, zijn zolder en zijn diepe tuin. Halverwege staat een hondenhok waarin vroeger kippen zaten. Dat denk ik tenminste, vermits ik er stro in heb gevonden en een ei, en de kans mij redelijk miniem lijkt dat honden zo'n uitgekookt afleidingsmanoeuvre zouden bedenken.
...

Het huis dat ik bewoon, is gebouwd voor gezinnen, met zijn vier slaapkamers, zijn zolder en zijn diepe tuin. Halverwege staat een hondenhok waarin vroeger kippen zaten. Dat denk ik tenminste, vermits ik er stro in heb gevonden en een ei, en de kans mij redelijk miniem lijkt dat honden zo'n uitgekookt afleidingsmanoeuvre zouden bedenken. De enige hond die hier nog zit, woont aan de overkant van de straat. Het is een dobermann, dat hondenras dat ik al vóór de nieuwe spelling tricky vond. Zo raar geschreven worden, met die enkele 'b' en die dubbele 'n', en dan nog agressief uit de hoek durven komen. Bij de minste beweging slaat die hond aan - om eens dat rare werkwoord te bezigen. Elke keer dat ik thuiskom, of dat nu overdag is of diep in de nacht, begint die hond dus te blaffen. Schuimbekkend van woede gooit hij zich tegen het hek dat mij redt van een gewisse dood. Zo kwalijk blijft hij het mij nemen, ook nu hij mij al twee jaar kent, dat ik mijn sleutel in mijn eigen voordeur steek. Al die tijd al voel ik mij een dief en een insluiper, telkens als ik mij op die wijze toegang durf te verschaffen tot het huis dat ik bewoon. De hond heet Kingkong, geloof ik. Dat hoorde ik zijn baasje al een paar keer blaffen, op die komische manier waarop mensen snauwen naar iets dat ze zich eerst uit vrije wil hebben aangeschaft en dat zich vervolgens misdraagt. Gevoel voor humor heeft Kingkong niet. Toch moet je soms met hem lachen, bijvoorbeeld als er in de verte een politiewagen of ambulance wegijlt met loeiende sirenes. Kingkong begint dan te klaaglijk te huilen, alsof hij zijn solidariteit wil betuigen met dat dodelijk gewonde, voorhistorische dier. Het gaat door merg en been, en tegelijk is het grappig. Wat zouden de meisjes van Kingkong gevonden hebben ? Dat zou ik wel eens willen weten. De meisjes, dat is het lesbische stelletje dat hier vóór mij gewoond heeft. Het sprak genoeg tot de verbeelding om je als volleerde macho te doen sissen : " Such a waste !" Wat voor spannends zouden de meisjes gedaan hebben in de buurt van de grafzerk, die tegen de muur van de scheerzolder leunt ? "Bid voor de ziel van Alice L.", staat daarop, gevolgd door twee jaartallen die zich naar mijn zin te veel tegen elkaar aanschurken : 1885-1921. Toen ik hier mijn intrek nam, vroeg de huisbazin of ik er bezwaar tegen had dat het ding daar bleef staan. Stoer heb ik het hoofd geschud, al moet ik toegeven dat ik soms wacht tot het weer dag is om iets van die zolder te halen. In dezelfde ruimte staat een ingelijste oorkonde die hulde brengt aan de heer Huppeldepup, voor zijn deelname aan "den Veldtocht 1914-1918". Drager van de Vuurkaart nummer V/3807. Soldaat van het 1e linie. Frontstrepen = 6. Kwetsuurstreep = 1. Wat dat verder ook betekent. Toen ik onlangs thuiskwam in het holst van de nacht, in de vrieskou, met adem die opwolkte naar de maan, zag ik door het dakraam licht op die zolder. Het was nochtans weken geleden dat ik hem betreden had. Los van die paar dolende geesten heeft het huis niet veel ziel. Al jaren is het verworden tot een opbrengsteigendom. Plichtbewust vult het zich dag na dag met licht en met schaduw, met getik en geknars. Door de muren hoor ik soms stemmetjes van de kleinkinderen van de buren. Geluiden waar het huis naar smacht. Bij mij zijn er alleen maar vale deuren, waarachter leegte wacht. Het huis staat in een straat waar mannen vaker dan gemiddeld manken en waar je nog vrouwen met regenkapjes ziet. "Onze droom", staat er in roestige letters op een bungalow in de buurt, die met neergelaten rolluiken lijkt op een treurende clown. "Wat doe jij in dat gat ?" vraagt iemand mij op een feestje. "Jij bent een echte mens van de stad."Hij heeft gelijk, denk ik als ik die nacht door het grote zolderraam naar de straatlantaarns kijk, naar de veranda's en de koterijen, de rotspartijen en fonteintjes. Naar de rook die wegdrijft boven de schoorstenen. Gefascineerd staar ik naar de gloed van de stad in de verte, die de onderkant van de wolken verlicht. Bij helder weer kan ik van hieruit het belfort zien. In principe mag ik vrijelijk weg, maar ik wacht, zonder te weten op wie of op wat. Alsof er eerst nog iets voltrokken moet worden. Beneden begint Kingkong te blaffen. reacties : jp.mulders@skynet.beJean-Paul Mulders