De man ligt op het strand. Knieën opgetrokken, rug naar de lens, kleren aan. Hij is dood, maar daarom wordt nog niet naar hem omgekeken. Een eindje verderop, ongeroerd door de nabijheid van de dood, zit een koppeltje in badpak te zonnebaden. Onder een gebloemde parasol, koelbox naast ingevette dijen, blikjes frisdrank bij de hand. Het is de eerste van drie foto's, gepubliceerd door een Nederlandse krant. Ze zijn gemaakt door de Spaanse fotograaf Javier Bauluz aan de Costa de la Luz. De twee andere foto's vervolledigen het verhaal van de aangespoelde vluchteling. Op de tweede foto is te zien hoe hij in een doodkist van het strand wordt weggedragen, terwijl twee toeristen op de achtergrond pluimbal spelen. De derde foto toont zijn bezittingen: een familiekiekje, een handvol munten, een foto van de paus, een cd van Bob Marley, een tandenborstel en een rolmaat.

La Trousse du Naufragé heet de collage die de Frans-Duitse kunstenaar Hans Arp maakte in 1921. Zes stukjes drijfhout heeft hij bevestigd op een plankje. Hun herkomst valt niet van ze af te lezen, er is ook niets bijzonders aan. Maar door hun geslepen vorm en de wijze waarop ze zijn geschikt, zijn ze kunst geworden. Waard om te worden geëxposeerd in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, samen met de marsepeinen vruchten van Marcel Duchamp of de papiersnippers van Kurt Schwitters. Met van alles en nog wat kun je kunst maken, zelfs van wat door de zee op het strand is geworpen. Dat is wat de tentoonstelling je onder meer tracht te vertellen.

Kijk! heet ze, en dat is dan ook wat de bezoekers doen. Daar zijn ze immers voor gekomen, daar hebben ze voor betaald, in tegenstelling tot het koppeltje op het strand. Dat heeft alleen betaald voor zon en zee, en kijkt dus weg van dat levenloze extraatje.

Er valt nog meer te bekijken dan wrakhout op de overigens voortreffelijke expositie. Op een video van Gary Hill staren zeventien ingeweken arbeiders je aan. Zeventien vreemdelingen van uiteenlopende etnieën op één rij, klaar om aan de slag te gaan in Amerika. Een zaal verder hangt een wand vol babyhoofdjes, gefotografeerd binnen de vijf minuten na hun geboorte, smeer en bloed er nog op. Drieëntwintig onbeschreven blaadjes, eveneens van diverse origine. Op hun manier ook klaar om aan de slag te gaan.

Wie kijkt hier en wie niet, wie bepaalt wie mag kijken en wie bekeken mag worden? Alle mensen zijn gelijk, zeggen zowel die video als die foto's, maar in één adem ontkrachten ze dat ook. Alleen weten deze kindjes dat nog niet, daar moet eerst nog een beetje leven overheen gaan. De arbeiders, die weten het inmiddels wel. De aangespoelde vreemdeling wist het ook. Maar nu niet meer.

En weten wij het? Wij, de dames in mantelpakjes en heren met hoornen brillen, die eerbiedig voorbij het wrakhout uit 1921 schuiven? Ik ben een van hen, zij het zonder mantelpakje of hoornen bril, en ik doe wat de tentoonstellingsmaker me bevolen heeft. Ik kijk naar wat bekeken moet worden, maar in gedachten zie ik de tenten die even verderop zijn opgetrokken, aan de voet van alweer zo'n overheidspaleis.

Met de mensen die in die tenten wachten op gastvrijheid, zou je ook moeiteloos zo'n video kunnen maken, denk ik. Die zou je dan kunnen tonen in het Paleis voor Schone Kunsten, en je zou het kunst noemen. Als die mensen van vandaag op morgen ook nog baby's zouden maken, kon je even moeiteloos in datzelfde Paleis een hele wand vullen met verfomfaaide kopjes, en weer zou het kunst zijn.

Een wand vol babyhoofdjes, die nog niet beseffen dat sommigen van hen morgen zullen aanspoelen op het strand, en dat anderen daar in het zonnetje bij zullen zitten. Voor mij nog een Cola, er is alleen maar Sprite, is dat ook goed?

Kijk! zegt kunst die soms meer met het leven te maken heeft dan je zou denken. Nee dank je, zegt het leven en het sluit de ogen. Alsof het al dood was.

INGRID VANDER VEKEN