Nergens maken ze voortreffelijker pizza dan in Napels. In het traditierijke Trianon krijg ik een pizza marinara met tomatensaus, basilicum en oregano : simpel van bestanddelen en reuzengroot, dat krijg ik nooit op, maar uiteindelijk is mijn bord leeg en dat voor geen geld. De hoofdstad van Campania is met haar intens levende mensen een wonderlijke stad, maar ook de perfecte basis om alle bezienswaardigheden rond de baai te bezoeken : Pozzuoli, de eilanden Ischia en Prócida, de Vesuvius en zijn slachtoffers Pompeji en Herculaneum, het schiereiland van Sorrento, Capri en de Amalfitaanse kust. Aan de kade bij het Castel nuovo scheep ik in, niet naar het drukke Ischia maar naar kleine zus Prócida. Want ik koester een verlangen : ik wil de mooie Beatrice zien, de dochter van een kroegbazin die de postbode uit de gelijknamige film Il Postino een kind en veel geluk zal schenken. Weinig eilanden hebben me, na een uur harde zon op de azuurblauwe baai van Napels, zo bekoord als dit onooglijke Prócida, geroemd door Vergilius, van wie Napolitanen beweren dat hij in hun stad begraven ligt : een kade van pastelkleurige huizen die gebukt gaan onder de massieve gevangenis op de rots. Marina Grande heeft een porto als die van vele vissersdorpen, loom en gemoedelijk, mediterraan helder en strak, eenvoudig zelfs en niet onder het massatoerisme bedolven. Met roze, gele en blauwe gevels trekt het dorp zich omhoog tegen de heuvel om er over de richel weer af te tuimelen naar Marina Corricella. Daar moet ik zijn : lang heb ik gezocht langs de kade, tussen pleintjes en huizen die het haventje een felle sfeer geven. Bootjes dobberen beschut op het water, de pescatori zitten op een trap te kletsen. Tot een bord Restaurante bar Il Postino de bestemming aangeeft. Een ster met la locanda del postino zet het adres...

Nergens maken ze voortreffelijker pizza dan in Napels. In het traditierijke Trianon krijg ik een pizza marinara met tomatensaus, basilicum en oregano : simpel van bestanddelen en reuzengroot, dat krijg ik nooit op, maar uiteindelijk is mijn bord leeg en dat voor geen geld. De hoofdstad van Campania is met haar intens levende mensen een wonderlijke stad, maar ook de perfecte basis om alle bezienswaardigheden rond de baai te bezoeken : Pozzuoli, de eilanden Ischia en Prócida, de Vesuvius en zijn slachtoffers Pompeji en Herculaneum, het schiereiland van Sorrento, Capri en de Amalfitaanse kust. Aan de kade bij het Castel nuovo scheep ik in, niet naar het drukke Ischia maar naar kleine zus Prócida. Want ik koester een verlangen : ik wil de mooie Beatrice zien, de dochter van een kroegbazin die de postbode uit de gelijknamige film Il Postino een kind en veel geluk zal schenken. Weinig eilanden hebben me, na een uur harde zon op de azuurblauwe baai van Napels, zo bekoord als dit onooglijke Prócida, geroemd door Vergilius, van wie Napolitanen beweren dat hij in hun stad begraven ligt : een kade van pastelkleurige huizen die gebukt gaan onder de massieve gevangenis op de rots. Marina Grande heeft een porto als die van vele vissersdorpen, loom en gemoedelijk, mediterraan helder en strak, eenvoudig zelfs en niet onder het massatoerisme bedolven. Met roze, gele en blauwe gevels trekt het dorp zich omhoog tegen de heuvel om er over de richel weer af te tuimelen naar Marina Corricella. Daar moet ik zijn : lang heb ik gezocht langs de kade, tussen pleintjes en huizen die het haventje een felle sfeer geven. Bootjes dobberen beschut op het water, de pescatori zitten op een trap te kletsen. Tot een bord Restaurante bar Il Postino de bestemming aangeeft. Een ster met la locanda del postino zet het adres extra in de verf. Dat de aura uit de film weg is, tot daar aan toe, maar er rest niets : een modern en banaal interieur, geen kicker-voetbal, alleen een foto van de postbode met de fiets waarmee hij de in ballingschap levende Chileense dichter Pablo Neruda z'n dagelijkse portie brieven brengt. Een oude visser wijst naar de trap waarlangs de zwartharige Beatrice onschuldig afdaalt naar het plein. Helaas, ze is er niet. Natuurlijk bestaat ze alleen in mijn dromen, ook al vindt Mario haar het mooiste wat zijn eiland te bieden heeft. Beatrice Russo zal voor mij geen kicker spelen, ze zal het balletje niet sensueel tussen haar lippen klemmen om het me dan met een uitdagend plofje toe te spelen. Wil ik haar zien, dan zal ik de film opnieuw moeten bekijken. De postbode die van Neruda leert wat metaforen zijn, die leert dichten en het mooiste meisje van het dorp tot zijn verbazing als echtgenote wint, rijdt straks de heuvel op, naar het huis waar de dichter in ballingschap leeft (al zijn die scènes op een van de Liparische eilanden gefilmd). De Chileense dichter is echter nooit op Prócida geweest, maar verbleef op Capri. Vanaf een balkon zie ik dat eiland liggen : in een uithoek van mijn oog glimt Capri, dat samen met Ischia en het eiland waar ik sta, de hele Napolitaanse baai omhelst, weids, wonderlijk mooi, met daartussen het opwindende Napels als een slapende schone die in vaal licht beschut is door de Vesuvius. Onder mij ligt een kleurrijk snoer van huisjes waar Beatrice, als in een droom, de gedichten en liefdesbrieven van haar postbode leest. Terug op het vasteland rijd ik Napels uit, snij het schiereiland van Sorrento af en bereik de havenstad Salerno, waar de indrukwekkende weg langs de Amalfitaanse kust uitkomt. Maar ik kies voor het zuiden, op zoek naar kaas en stenen, twee bestemmingen in een onaantrekkelijke vlakte : de Piana del Sele is niet mooi met rijstakkers, violette artisjokvelden en kastanjebossen die in het zuiden begrensd zijn door de bergketen van Cilento. Welke weg kiezen vanuit Salerno ? Het is niet moeilijk : ze zijn allebei even saai, die door het binnenland evengoed als de kustweg. Al vlug verraden borden dat de streek befaamd is voor een uitzonderlijk product : mozzarella di bufala campana, de porseleinwitte kaas die van volle buffelmelk is gemaakt. Bij Cappacio leidt een dreef naar een erf met cipressen en muurtjes, waar buffels onder een hitsige zon soezen in een modderpoel. "Dat noemen we het zwembad", lacht Isabella Amato, "want met hun zwarte huid trekken de dieren warmte aan. Bovendien hebben ze een slechte verdamping. Vroeger graasden ze in de moerassen van de Selerivier, nu kweken we de buffels voor de melk. Er zijn veel kaasmakerijen, maar Tenuta Vannulo is het enige biologische bedrijf in de streek. We gebruiken alleen natuurlijk veevoer. Sinds 1907 huist in dit 18de-eeuws landgoed een familiebedrijf. Op honderd hectare, met boerenhof, stallingen en weilanden, lopen zo'n vijfhonderd buffels rond. Allemaal wijfjes, want de mannetjes worden gedood, behalve de vier beste stieren die instaan voor het nageslacht. Hun vlees is excellent, met weinig cholesterol. We maken er salami van, maar die verkopen we niet, net zoals we de kaas niet exporteren maar enkel in onze winkel aanbieden." Achter een hek kauwt een groepje buffels op gras. Een man houdt een kalfje overeind : net geboren staat het op zijn poten te trillen. "Bevruchting gebeurt op natuurlijke wijze. Een zwangerschap duurt 310 dagen. De wijfjes krijgen elk jaar een 'baby' en dat gedurende tien jaar. Ze leven zo'n 15 tot 17 jaar. De kalfjes krijgen vijf dagen moedermelk, daarna geven we ze melk van koeien. Want de buffelmelk gebruiken we uiteraard voor onze mozzarella. Twee keer per dag worden de buffels gemolken, om vier uur 's ochtends en om drie uur in de namiddag. Dat geeft vijf liter per dag, het is melk van hoge kwaliteit."We lopen langs de melkerij, de sproeiers waar de dieren afkoeling vinden, een museum met een duizendtal objecten : oude werktuigen, kar en blaasbalg, manden en lantaarns, persen en ploegen die eigenaar Antonio Palmieri in de streek heeft verzameld. In de kaasmakerij kneden een paar mannen goedlachs bollen witte kaas. "Deze traditie gaat terug tot de twaalfde eeuw. De productie van de kaas gebeurt alleen 's morgens", zegt mijn gids. "Aan de melk voegen we kalium toe, stremsel en melkzuurbacteriën. Na vier uur ontstaat een deeg dat door een machine in stukken wordt gesneden. Opgewarmd tot 85 graden geeft dat een polenta, een wrongel. Dan volgt de meest typische handeling : met de handen trekken de arbeiders grote of kleine stukken los. Dat heet mozzata, wat 'met de handen gesneden' betekent. Dankzij hun ervaring is het gewicht altijd hetzelfde : kleine bollen tussen 20 en 100 gram heten bocconcino, klein hapje zeg maar, die van 200 tot 600 gram noemen we mozzarella. In koud water met zout koelen de bollen af, de kaas is dus niet gerijpt maar wel vers en etensklaar. De machines zijn moderner geworden, maar de handenarbeid blijft, net zoals de karakteristieken van de mozzarella." In de winkel krijg ik een schoteltje met glanzende bolletjes voorgeschoteld : de witte kaas met zijn kneedbare en elastieken textuur is erg vast en rijk aan vetten. Stevige en lekkere kost. "Alles wordt hier verkocht", zegt Isabella. "We voeren niets uit. Want in eigen vocht houdt de consistentie van de kaas hooguit een dag of zes. Ook de temperatuur moet goed zijn. De mozzarella in jullie winkelrekken ? Je eet hem beter hier." Ze grijnst. Naast de mozzarella maakt het bedrijf nog andere producten : budino of chocolademousse, yoghurt met verschillende smaken, van bosbessen en banaan tot abrikoos en aardbei, café-crème voor de cappuccino en ongelooflijke gelati. "Geen suiker nodig, het ijs is zo ook lekker" : een speelse lach. Gelijk heeft ze : ik proef een verrukkelijk ijsje van buffelmelk. Van de kaas naar de stenen is maar een boogscheut. Op een paar kilometer ligt, verscholen achter een ijzeren hek en souvenirkramen, in een bed van groen en bloemen, de best bewaarde Griekse ruïne op Italiaanse bodem : drie tempels uit de zesde eeuw voor Christus als restanten van een stad uit Magna Graecia. De stad Poseidonia, gesticht als eerbetoon aan de zeegod, gaat sinds de Romeinen als Paestum de geschiedenis en het toerisme in. Goethe en Shelley stonden op hun Grand Tour verstomd te kijken naar zoveel harmonie, vandaag trekt de site vele bezoekers. De Dorische tempels, eeuwenlang verwaarloosd maar overdonderend in hun sierlijkheid, hebben hun gelijke niet : het volmaakte postuur van de tempel van Ceres (of Athena), de harmonie van de zuilen in het huis voor Neptunus (of Poseidon), maar ook de symmetrie van de basilica die in antieke tijden een cultplaats voor Hera was. Maar wat zijn ze nog voor ons, die stenen, fundamenten en ruïnes, die namen van goden en godinnen, Grieks of verbasterd in het Latijn ? In de late namiddag, als de zon de zuilen en frontons okergeel en goud kleurt, loop ik van de ene tempel naar de andere en weet niet meer wat die gave erfenis, bijna 2500 jaar oud en zo goed bewaard, voor ons nog betekent. Niet eens zo lang geleden leefden oudere generaties, die van onze ouders en leraren Grieks en Latijn, zich volop uit in de klassieke architectuur en literatuur, zoals die voor reizigers, filosofen, schrijvers en schilders van de 17de tot de 19de eeuw bakermat, confrontatie en bewondering was. Wij zijn dat verloren, omdat we ondertussen de hele wereldcultuur kennen of onverschillig zijn geworden : het zijn vaak niet meer dan stenen uit een ver verleden, onbetekenend en saai. Ik ben dan ook verrast als mijn dochter Sara, onder de indruk van die Dorische perfectie, zegt dat haar zesjarige studie Latijn voor het eerst iets heel concreets en fascinerends krijgt. Daar in het zuiden van Campania, diep in een stuk verloren Italië onder de mediterrane zon, is de reis niet voor niets geweest. n Tekst en foto's Mark GielenDe Dorische tempels van Paestum, eeuwenlang verwaarloosd maar overdonderend in hun sierlijkheid, hebben hun gelijke niet.