Het tuinfeest is volop aan de gang. Het is al donker maar nog lekker warm. De New Yorkse gasten klokken het Belgische bier met smaak achterover. Ze zijn met een stuk of 35. Het is me weer een de-mode-kan-ze-kussen-bende. Daar komt Shirley net toe. Ze is gekleed in een zwarte katoenen broek en een zwart wijd T-shirt met het logo van een of andere heavy metal-groep. In de zeventien jaar dat ik haar ken, heb ik haar nooit iets anders weten dragen. Toch zien haar kleren er niet versleten uit. Misschien heeft ze een grote voorraad van dezelfde broeken en T-shirts.
...

Het tuinfeest is volop aan de gang. Het is al donker maar nog lekker warm. De New Yorkse gasten klokken het Belgische bier met smaak achterover. Ze zijn met een stuk of 35. Het is me weer een de-mode-kan-ze-kussen-bende. Daar komt Shirley net toe. Ze is gekleed in een zwarte katoenen broek en een zwart wijd T-shirt met het logo van een of andere heavy metal-groep. In de zeventien jaar dat ik haar ken, heb ik haar nooit iets anders weten dragen. Toch zien haar kleren er niet versleten uit. Misschien heeft ze een grote voorraad van dezelfde broeken en T-shirts. Haar man heeft ook zijn voorspelbare zomerplunje aan: een kaki shorts, een wit T-shirt en tennisschoenen. Nog minstens vijf andere mannen dragen dat uniform. Beter uit elkaar te houden in het kaarslicht zijn de enkele heren in zotte hemden bedrukt met Hawaïaanse bloemetjesmotieven, olifanten en Mickey Mouse. Twee mannen hebben het voorgeschreven kabouterpakje aan waarin zoveel New Yorkse homo's zich deze zomer doodzweten: zware hoge leren schoenen, kousen, shorts tot aan de knieën en een hemd dat gelukkig los uit de broek hangt. Verder lopen er enkele tijdloos-geruite hemden rond. Een enkele durver heeft iets zilverkleurigs aangetrokken. Gastheer Tom draagt een perfect passende jeans en een ouderwets, wit-en-lichtblauwgestreept katoenen slaaphemdje waarvan alle knopen openstaan. Beide zijn een geschenk van mij. Ik vond ze op een dag netjes opgevouwen met nog andere kleren in een plastic zak op straat naast een vuilbak. Ook bij de vrouwelijke gasten is er van modeconcurrentie niet veel te merken. De meerderheid draagt een luchtig loszittend T-shirts en shorts. Er loopt verder een enkele lange overgrootmoederachtige gebloemde jurk rond, een lang zwart T-shirt dat als korte jurk dienst doet, en een geborduurd wit bloesje zonder mouwen over een lichtblauwe lange zijden rok. In tegenstelling tot de gastheer is de gastvrouw een beetje overdressed. Ik doe dat wel meer op zo'n Amerikaanse kan-het-ons-wat-schelen-gelegenheden, gewoon om uit de toon te vallen. Wat heb ik dit keer aan? Een doorzichtig zwart kanten topje van de vlooienmarkt met daaronder een zedig zwart behaatje, een teergroen flinterdun zijden sjaaltje, een brede zilveren armband, en een vederlichte zwarte zijden zigeunerrok met franjes op de linkerheup en een rij knoopjes in het midden van de onderrug. Die rok, het pronkstuk uit mijn kleerkast, is net als het bier dat hier vanavond wordt geschonken van Belgische makelij. Nationalistisch ben ik niet, maar wel trots: die Van Noten zit me als gegoten. Terwijl ik de simpele plunjes van mijn gasten bekijk, denk ik aan die studie waarover ik vanochtend in de krant las. Daaruit blijkt dat Amerikaanse mannen meer klagen over het geld dat hun vrouwen aan kleren hangen naarmate ze er langer mee getrouwd zijn. In het eerste huwelijksjaar vindt 12 procent dat vrouwlief zich te duur kleedt, in het vierde huwelijksjaar vindt 26 procent dat. Ik lach als ik mij afvraag of een van de aanwezige echtgenoten daarover zou klagen. De vrouwen hier hebben zeer weinig interesse voor kleren, laat staan voor de nieuwste snufjes. Net als hun partner kleden ze zich zoals ze eten: snel, zonder veel nadenken, omdat het nu eenmaal moet. Ook ik kreeg nog geen klachten. Veel van waarde hangt er niet in mijn garderobe, behalve dan die eerder vermelde Van Noten, waarin ik nog op mijn tachtigste hoop te worden nagefloten. Ik vind dat de onverschilligheid van mijn New Yorkse vrienden voor de mode iets bevrijdends heeft. Toch hou ik zelf wel van mooie dure kleren. Ik kijk er graag naar, zoals ik naar mooie meubels of schilderijen kijk: ik geniet ervan maar hoef ze niet per se te bezitten. New York is in dat opzicht de ideale stad voor mij: visueel kan ik me er zoveel bevredigen als ik maar wil. Een zwarte fluwelen lange broek van 3500 dollar (150.000 fr.), een zijden jasje bestikt met lovertjes van 16.500 dollar (700.000 fr.), een mini-jurkje van zijde en vossenbont van 2680 dollar (105.000 fr.): vorige week nog betastte ik ze alle drie, lachte even en wandelde weer weg. Dat kan ik zonder moeite. (Natuurlijk, mijn collectie van Van Noten, die zou ik graag vergroten.) New York kan je ondergang betekenen als dure kleren je doen watertanden. Honderdvijftig jaar geleden al publiceerde de New Yorkse sensatiepers om de haverklap verhalen over zakenmannen die bankroet gingen door de mateloze klerenobsessie van hun vrouwen. Fashion, een toneelstuk dat in 1845 veel succes had in New York, ging over de capriolen van een modeverslaafde parvenumadam die door haar sobere plattelandsvriendin tot inkeer werd gebracht. "Vrouwen moeten het despotische juk van de mode afwerpen", riepen New Yorkse feministen in datzelfde jaar. Mijn vriendinnen is dat aardig gelukt. Jacqueline Goossens vanuit New York