Wie in Parijs luncht met Kris Van Assche, weet zich in goede handen. Hij geeft de bestelling door voor je nog wat kan zeggen, en nadien legt hij je haarfijn uit hoe je weer bij je hotel komt. Van Assche, geboren in Londerzeel en in '98 afgestudeerd aan de Antwerpse modeacademie, kent de lichtstad als zijn broekzak. Na zijn studies ging hij er vrijwel meteen aan de slag bij Yves Saint Laurent, als eerste assistent van Hedi Slimane. Twee jaar later verhuisde hij samen met Slimane naar Dior, om ook daar de mannencollectie uit de grond te stampen.
...

Wie in Parijs luncht met Kris Van Assche, weet zich in goede handen. Hij geeft de bestelling door voor je nog wat kan zeggen, en nadien legt hij je haarfijn uit hoe je weer bij je hotel komt. Van Assche, geboren in Londerzeel en in '98 afgestudeerd aan de Antwerpse modeacademie, kent de lichtstad als zijn broekzak. Na zijn studies ging hij er vrijwel meteen aan de slag bij Yves Saint Laurent, als eerste assistent van Hedi Slimane. Twee jaar later verhuisde hij samen met Slimane naar Dior, om ook daar de mannencollectie uit de grond te stampen. Na acht jaar is de band tussen Van Assche en Parijs alleen maar hechter geworden, en niet alleen omdat hij er nu eindelijk een appartement heeft gekocht. Sinds januari 2005 heeft de Belgische ontwerper er een showroom in de rue Charlot, hartje Marais, en staat zijn mannendefilé op de officiële kalender van de Parijse modeweek. De eerste collectie maakte destijds meteen duidelijk waar Van Assche voor staat : elegante, comfortabele mannenkleding die de codes van pakken en sportswear door elkaar haalt, noties van traditie en rituelen oproept, en opvalt door originele, maar discrete details. Vooral de coole pakken die toen te zien waren, maakten indruk. Zelden gaf een defilé mij zo'n zin om mijn garderobe uit te mesten en mijn kledinggewoonten radicaal om te gooien. De herkenbare, wat Parijse aanblik van de collectie was geen toeval, bekent Van Assche : "Je mag me hier gerust een hele namiddag op een terras zetten. Ik zal me niet vervelen. De mensen en mijn vrienden hier zijn een plezier om naar te kijken, en dat straatbeeld beïnvloedt mij. Want als ik wil dat mannen opnieuw pakken dragen, moet ik er voor zorgen dat de mijne een vertrouwde, hedendaagse indruk maken."Zijn voorliefde voor blazers, bandplooipantalons, driedelige pakken en hemden geven Van Assche de wat dubbelzinnige reputatie 'draagbaar" te zijn. Nochtans maakte hij het zich sinds zijn eerste collectie niet bepaald makkelijker. Een meer verhalende aanpak onthulde inspiratiebronnen als de Argentijnse tango en American Gigolo, met de huidige wintercollectie als voorlopig dramatisch hoogtepunt. Klassiekers als trenchcoats, mantels met dubbele knopenrij, cabans en scherpe blazers worden daarin gecombineerd met versierde hemden, poncho's en accessoires waarvoor Van Assche inspiratie vond bij Arabische krijgerstammen. Het defilé, waarop de modellen getooid waren met bloemenkransen, lokte gemengde reacties uit. Vooral in de Amerikaanse pers, beseft ook Van Assche : "Amerikanen houden niet van theatraliteit. Die willen gewoon kleren zien en dat hebben ze me ook laten weten."Kris Van Assche : Kritiek van iemand als Suzy Menkes komt hard aan. Dat is een klap in mijn gezicht. Maar als je creatief bezig bent, wil je reacties horen. En uiteindelijk vind ik dit nog altijd leuker dan geen verantwoordelijkheid te nemen en me te verschuilen achter een collectie die niet de mijne is. Ik sta erg achter wat ik doe, maar ik ken de kritiek : ik weet dat sommigen me te commercieel en gemakkelijk vinden. Maar dat hoorde ik op de academie al. Dit ben ik, denk ik dan, get over it. Maar verder heb ik mijn twee voeten op de grond. Ik moet nog elke keer afwegen of ik wel het budget heb voor een nieuwe show. Ik heb altijd beseft hoe moeilijk het is op zakelijk en commercieel vlak om een label van de grond te krijgen. Zelfs bij Dior Homme, met een veel groter budget. Als ik het drie seizoenen volhoud, is het dus goed, zei ik altijd. En nu heb ik met een team van drie mensen honderd verkooppunten. Ik mag dus blij zijn. In het begin was de stress groot. Ook omdat ik een realist ben en dus besef hoeveel het allemaal kost. Mijn investeerders moeien zich niet met de dagelijkse gang van zaken, maar zelf denk ik toch wel aan de cijfers. In een groot bedrijf verlies je daar voeling mee, maar ik wéét hoeveel de stoffen en de mannequins kostten. Al ben ik na anderhalf jaar wel wat relaxter. Ik werk nog steeds even hard, maar ik ga wel weer op stap. Na de huidige wintercollectie, die vrij dramatisch was, wist ik meteen : de volgende moet fun zijn, lichter. In die zin is de zomercollectie, de garderobe van een Amerikaanse gigolo, een luchtige reactie op de dramatiek die eraan voorafging. Ik ben geen touroperator die elk seizoen een nieuw land verkent, maar in mijn hoofd is er wel een zekere cyclus. Veel ontwerpers beginnen meteen heel extravagant omdat het publiek dat verwacht, maar zo zit ik niet in elkaar. Ik wilde eerst goede basisstukken maken, en daarop verder bouwen. Met deze collectie heb ik bewust mijn grenzen van drama opgezocht. Tegen die tijd vonden mensen dat wat ongewoon van mij, maar ik had dat nodig. Ik moest weten waar mijn limiet lag. En nu ik dat weet, is het goed. Ik hoef niet verder te gaan. Toen ik in augustus op het strand in Griekenland lag, lang voor de show in januari, wist ik al dat ik het bloemen wilde laten sneeuwen op de show. Ik las toen een boek over nomadenstammen in Saudie-Arabië, en dat maakte een bepaald gevoel in me los. Net zoals de tweede collectie geboren is uit een heel romantisch gevoel en een foto van een man met een regenscherm op het strand. Er was één Belgische krant die iets in die zin schreef, en dat heb ik totaal niet begrepen. Met politiek laat ik me niet in. Het was trouwens ook geen Palestijnse sjaal, maar een accessoire uit Saudie-Arabië. Nog een eindje verder ( lacht). Waar het mij om gaat, is het esthetisch beeld van die stam. Dat is heel anders dan het onze, maar die krijgers willen ook fierheid, macht en mannelijkheid uitdrukken. Zij doen dat met schmink en bloemen, en dat vond ik zo frappant dat ik die tradities wilde afzetten tegen de onze. Mannenkleding wordt sowieso interessanter omdat er steeds meer boeiende collecties zijn, maar zelf wil ik draagbare kleren maken. Geen carnavalskostuums. Dat is ook mijn taak als modeontwerper. Als ik iets niet geproduceerd of verkocht krijg, voel ik dat aan als falen. Dat zijn de enige beperkingen die ik me zelf opleg : ik wil kwaliteit maken, en ik moet het verkocht krijgen. Geen enkel. Vroeger kon ik zelden mijn visie doorduwen, nu ben ik zelf mijn enige limiet. Ik ben niets of niemand iets verplicht. Mijn investeerders stellen zich bescheiden op : ze houden een oogje in het zeil, maar ze kennen niks van mode en vragen me ook niks. En als Frank, mijn commerciële medewerker, een idee niet goed vindt, doe ik het dikwijls toch. Destijds waarschuwde hij me dat je gilets niet meer aan de straatstenen kwijtraakt, maar die lopen nu als een trein. Dat die honderden salarissen te betalen hebben ( lacht). Nee, ik heb er wel begrepen hoe je een collectie opbouwt, dat er x aantal broeken en vesten moeten zijn, gilets, hemden, onderhemden, korte mouwen, lange mouwen. Die commerciële regels storen me niet. Ze stimuleren juist mijn creativiteit. Ik werk niet graag in het luchtledige. Ik kan me voorstellen dat mijn realisme sommige mensen choqueert, maar daar schaam ik me niet voor. Mijn job is mensen aan te kleden. Als je zes jaar assistent bent van iemand die perfect weet wat hij wil en niet op jouw mening zit te wachten, heb je tijd genoeg om je af te vragen wat je zelf anders zou doen. Dat heeft me heel koppig gemaakt. Ik wilde niet dat mijn mannen er zouden uitzien als de jongens van Hedi. Het gaat trouwens veel verder. Ik heb een heel ander beeld van comfort, van wat mannen willen en waar ze hun grenzen leggen. Mijn man stapt 's ochtends heel anders uit zijn bed dan die van Hedi. Als je mijn collecties en de casting bekijkt, dan zie je hopelijk dat het altijd om echte, trotse mannen gaat. Of mijn thema nu de Argentijnse tango, een krijgerstam of een Amerikaanse gigolo is. Een man die zich kleedt om er machtig uit te zien of om een vrouw te veroveren, dat is net hetzelfde. Het is telkens een man die niet bang is om zijn uiterlijk te verzorgen en de aandacht op zichzelf te vestigen. Maar het blijft een echte man. Op de academie heb ik altijd vrouwencollecties gemaakt. En ook toen al wilde ik vrouwen mooi en sexy maken, met kleding die kracht en zelfstandigheid uitstraalt. Zeker geen slachtofferrol. Heroine chique zegt me niks. Ik voelde me gewoon niet klaar voor jurken en rokken. Ik wilde sexy, chique vrouwen, en daar ga je meteen een heel andere richting mee uit. Mettertijd zal de afstand wel groter worden, maar ook mijn academiecollecties zaten vol mannelijke details als gestreepte kostuums en stropdasmotieven. Mijn eindejaarscollectie heette Madonna Meets Margaret Thatcher, maar eigenlijk ging het vooral over de vaders die kleine monsters hadden gemaakt van hun dochters. Het ontwerpproces is hetzelfde : een goed stuk is een goed stuk. Met dat verschil dat ik mannenkleding zelf kan aantrekken en goed weet of ik met iets op straat durf te komen. Maar ik heb vriendinnen die me hun mening geven ( lacht). Het kon trouwens geen kwaad eerst een mannencollectie te maken. Daarin kun je veel minder camoufleren, terwijl je vrouwenkleding eindeloos kunt versieren. Ik kom uit een traditionele Vlaamse familie die niets met kleermakers te maken heeft, op mijn grootmoeder na. Die maakte zelf haar kleren en ook mijn broeken toen ik zestien, zeventien was. Zij leerde me dat je de dingen gewoon kunt doen, of met net wat meer moeite, zodat ze mooier worden. Ofwel eet je aan een gewone tafel, ofwel neem je de tijd om die tafel mooi te dekken. In die zin was mijn grootmoeder een echte estheticus. Ze heeft me geholpen toen ik nog aan de academie zat, en ze komt nog steeds naar elke show. Zo fier als een gieter. Ik wist dat die zes jaren bij Hedi deuren zouden openen, daarom heb ik het ook gedaan. Ik heb er nooit van gedroomd om eeuwig assistent te blijven. Maar dat het zo'n vaart zou lopen, dat gaat zelfs mijn stoutste dromen te boven. Nu, aan de hype probeer ik niet te denken. Dat heb ik toch niet in de hand. Als een aanbod me ooit helpt om mijn eigen label verder uit te bouwen, dan wil ik het overwegen, maar ik zal mijn eigen label nooit laten vallen. Verder steek ik niet weg dat het me soms gek maakt dat mijn stoffen geleverd worden na die van de Prada's en de Gucci's, of dat het voor een kleine ontwerper een hel is om schoenen of zonnebrillen te laten maken. Je ideeën verwezenlijken is niet gemakkelijk. Dus als iemand dat ooit kan veranderen, zal ik er serieus over nadenken. Uiteindelijk heb ik zes jaar lang met alle mogelijke middelen van de wereld gewerkt. Ik begin mijn kleren stilaan op straat te zien, en dan slaat mijn hart nog elke keer over. Ik bereik ook een vrij breed publiek. Een winkel bij de Porte Maillot bijvoorbeeld verkoopt mijn collectie vooral aan de voetballers van het sportstadion daar, en dat maakt me blij. Dat is een wereld die mijlenver van die van Dior staat. In België is het veel moeilijker om die man in de straat te bereiken. Met vier verkooppunten mag ik niet klagen, maar het is toch als vanouds : Belgen zijn altijd beroemder in het buitenland. Dat ik die kan kleden, vind ik normaal. Een jong label dat in de boekjes staat, daar ben ik nuchter in. Die mensen blijven ook niet voor eeuwig klant, want er zijn elk seizoen nieuwe labels. Ik ben pas goed bezig als ik mannen aanspreek die niets om mode geven. Want die kennen mijn naam niet eens. Die kopen een hemd omdat ze het mooi en comfortabel vinden. Als ik zo iemand met een broek van mij zie, dan is mijn dag goed.