In de buurt is een kat verloren, die naar de roepnaam Siri luistert. Ze is elf maanden oud, grijsbruin met zwarte strepen, volgens de affiches die overal uithangen. De kat ligt als een diva op een tapijtje en kijkt verrast in de lens, als moet zij zelf nog bekomen van haar onrustwekkende verdwijning. Het vermelde adres ligt straten ver, wat laat vermoeden dat de baasjes geen moeite onbetuigd laten om hun kat terug te krijgen.
...

In de buurt is een kat verloren, die naar de roepnaam Siri luistert. Ze is elf maanden oud, grijsbruin met zwarte strepen, volgens de affiches die overal uithangen. De kat ligt als een diva op een tapijtje en kijkt verrast in de lens, als moet zij zelf nog bekomen van haar onrustwekkende verdwijning. Het vermelde adres ligt straten ver, wat laat vermoeden dat de baasjes geen moeite onbetuigd laten om hun kat terug te krijgen. Zo'n zoektocht naar een huisdier herinnert mij aan iets waar ik al eens aan herinnerd moet worden: dat ik op een vrij goede plek leef, op een vrij goed moment in de wereldgeschiedenis. Er zijn slechtere momenten te bedenken, en slechtere plekken, zoals de Slag om Moskou of de Slag aan de Somme. Alles met Slag eigenlijk, de Franse slag misschien uitgezonderd. Bij zo'n Slag konden in één dag honderdduizenden jonge mannen verdwijnen, waarvan een aanzienlijk deel spoorloos. Hun botten, en vaak zelfs hun laarzen, zitten daar nog ergens in de grond opgesloten, zonder dat iemand ooit moeite heeft gedaan affiches op te hangen met hun foto of roepnaam. Die naam kan van alles geweest zijn, maar waarschijnlijk was het niet Siri, aangezien die jonge mannen leefden in de tijd vóór algoritmes de wereld veroverden. Onze tijd kent natuurlijk andere kwalen, zoals zware beroepen en vervuilende diesels - om van de eenzaamheid te zwijgen, waarover ik steeds vaker mensen hoor klagen bij wie je geen eenzaamheid zou verwachten. Ook bestaat de kans dat we op een mooie morgen op een nucleaire ramp getrakteerd worden. Gelukkig kunnen we daarvoor bij de apotheker om de hoek een doosje jodiumpillen halen. Die moet je drie uur voor de ramp innemen, wat geen probleem mag zijn, aangezien van rampen bekend is dat ze hun komst netjes vooraf aankondigen. "Bij een chemische of nucleaire ramp heb ik maar één raad", citeert in de krant een apotheker zijn professor in Leuven: "Drie keer diep inademen en dan doodgaan. Gewoon. De korte pijn." De jodiumpillen doen mij denken, zo gaat dat bij mensen die al wat langer meedraaien, aan de milieubox die iedereen omstreeks 1991 opeens moest hebben. Veel tijd heb ik echter niet om van dat knullige ding weemoedig te worden. Ik moet voor belangrijker kwesties naar Gentbrugge, wat ik altijd een verwarrende plaatsnaam heb gevonden. Is het nu Gent of is het Brugge? Of is het nog iets anders dat zich voordoet als Gentbrugge, zoals veel dingen die we om ons heen zien zich als andere dingen vermommen? Als ik de deur van mijn auto wil openen, word ik door een prachtexemplaar van het andere geslacht aangesproken. Ze vraagt of ik haar kat niet gezien heb, en bekijkt mij eigenaardig als ik wil weten of die Siri heet. Ik moet helaas toegeven dat ik die ochtend nog geen kat gezien heb. Teleurgesteld sluipt zij weg op witte sneakers. Met mijn sleutel in de hand sta ik haar een tijdje na te staren. Dat andere geslacht ook altijd. Soms meen ik dat we beter af zouden zijn met één geslacht, of met een stuk of zeventien verschillende. Dat lijkt me nog wel spannend. Bovendien bestaat de kans dat de wereld een minder eenzame plek zou worden.