:: Graham Marsch en Paul Trynka, Denim, From Cowboys to Catwalks, Aurum Press, 2002, 128 p., ISBN 1 85410 791 7.
...

:: Graham Marsch en Paul Trynka, Denim, From Cowboys to Catwalks, Aurum Press, 2002, 128 p., ISBN 1 85410 791 7. :: Alle foto's komen uit het boek.We schrijven 16 augustus 1974. In de East Village van New York, het centrum van Amerika's alternatieve rockcircuit, maken vier jonge twintigers zich op voor hun de- buutoptreden. De band is slechts enkele maanden oud, het viertal is opgegroeid in dezelfde truttige middenklassewijk in Queens. De ideale plek om weg te kwijnen van verveling, zo wordt gezegd, en ook de brave rockbands van de vroege jaren '70 bieden geen uitlaatklep. Tot die vrijdagavond in de CBGB dus, een kelderconcertzaal met ook Blondie, Talking Heads en Patti Smith op de affiche. Het publiek heeft twee dollar betaald voor het kaartje en meer is het punkviertal niet waard : ze tuimelen van de ene technische panne in de andere en klooien zich haastig door de onherkenbare nummers. Van miserie beginnen ze uiteindelijk op elkaar te schelden. De uitbater noemt hen " the most untogether group I've ever seen". Bij de toeschouwers, voornamelijk vrienden, valt hun ruwe, ongepolijste stijl echter in de smaak. Onder hen is ook Danny Fields, een voormalige platenbons die meteen onder de indruk is van hun sjofele look : strakke, op de knieën gescheurde jeans, zwarte leren jekkers, witte T-shirts en versleten gympen. "Mannelijk, stoer, tijdloos : je kunt het niet beter bedenken," zegt hij later, "elke jongere kan er zo uitzien. Wedden dat mensen over vijftig jaar nog steeds zwarte lederen jekkers en Levi's dragen ?" De talentenjager, al gauw manager van de groep, vergist zich niet : twee jaar later zijn The Ramones het boegbeeld van de Amerikaanse punk en wordt hun outfit de vaste look van de do it yourself-generatie. Eén die zowel jongeren, modefreaks als sterren tot op heden kopiëren. "Het kernwoord is authenticiteit", zegt Paul Trynka, de 41-jarige hoofdredacteur van het gerespecteerde Britse muziekblad MOJO. Het jongste boek van de muziekjournalist, Denim - From Cowboys to Catwalks, brengt voor het eerst de geschiedenis van jeans in kaart. Uiteraard zijn The Ramones tijdloze stijliconen, legt Trynka uit : "Jeans weerspiegelen al onze moderne waarden. Onze obsessie met jeugd, met individualiteit en authenticiteit. Sterker, jeans zijn er niet alleen een uiting van, ze vormden ook de achtergrond waartegen zulke idealen konden bloeien. Naarmate stijliconen als James Dean en Marlon Brando, maar ook subculturen als de Britse mods of punks zich met jeans profileerden, raakte denim onlosmakelijk verbonden met onze moderne leef- en denkwijze. Ik wilde begrijpen hoe dat gebeurde. Het idee is gewoon ontstaan op een etentje met Graham, een vriend die in zijn jonge jaren een mod was en het boek heeft vormgegeven." Trynka ploos de archieven van Levi's en andere jeansfabrikanten uit. In de onderzoeksfase sprak hij met muziek- en modekenners, maar ook met historici. Voor een goed begrip van het jeansfenomeen en zijn maatschappelijke relevantie moeten we immers terug naar de oorsprong, naar mei 1873. Toen verwierf Levi Strauss, een stoffenleverancier uit San Francisco, het patent op een ideetje van een van zijn afnemers : door de werkmansbroeken op de zakken en andere strategische plaatsen af te werken met klinknagels, overtroffen zijn duurzame overalls alle andere werkkledij. Levi's populairste model, in blauwe spijkerstof, werd al gauw de broek bij uitstek van eenvoudige arbeiders aan de Amerikaanse Westkust : landbouwers, mijnwerkers en houthakkers. "Historisch gezien zijn jeans de outfit van het werkvolk", vat Trynka samen. "Veel Ameri- kaanse jeansfabrikanten hebben daar later handig van geprofiteerd. In de Amerikaanse psyche is hard werken immers erg belangrijk. Er hangt een zweem van romantiek rond verpauperde arbeiders, denk aan de vele zwart-witportretten van arbeiders in sjofele denimoutfits tijdens de Grote Depressie. Nog steeds zien we een zekere edelmoedigheid in hun eenvoud."Ook Hollywood droeg van bij het begin zijn steentje bij tot de imagovorming rond jeans. Het westerngenre leverde al rond 1915 volop heldhaftige cowboys en eigengereide lonesome rangers in jeans af. Iconen als John Wayne verspreidden de denimlook op talloze affiches en tijdschriftencovers, later muteerde die ontelbare keren, van Dennis Hopper en Jim Morisson tot James Dean. Imagogewijs zaten jeans hoe dan ook altijd aan de 'goede' kant. "Jeans werden een mythe", zegt Trynka. "Ondanks alle commercie en marketing, alleen kenners zien nog het verschil tussen vintage en machinale slijtage, zijn ze altijd een symbool van authenticiteit gebleven. Ze zijn niet meer weg te denken uit de mode en designercollecties, en toch blijven jeans het eenvoudigste, discreetste item in onze garderobe. Onverdacht : je kunt ze aantrekken zonder dat het lijkt alsof je te hard probeert. In onze ogen bepalen jeans niet je look, maar weerspiegelen ze je persoonlijkheid. Iedereen draagt ze, maar toch zijn ze geen uniform. De bekende televisiepresentator die een olifant is in een jeans en de slome tiener met een afhangend model kunnen perfect naast elkaar bestaan. Dat is precies wat jeans van andere kleding onderscheidt : ze vormen een identiteit op zich. Als we een jeans aantrekken, voelen we ons een ander mens. We voelen ons sexy." Tegen de tijd dat de woelige jaren zestig aanbraken, was de jeansmythe een feit en het product een commercieel succes. Onder invloed van een nieuwe generatie rocksterren werden jeans meegezogen in de enorme mentaliteitswijziging in de samenleving. "In de jaren vijftig stond jeugdigheid niet erg hoog aangeschreven. Maturiteit en ervaring, dat waren de kwaliteiten die men respecteerde. Tegenwoordig is het omgekeerd : onze cultuur is geobsedeerd door jeugdigheid. Jeans hebben die verandering gemarkeerd, onder meer met de persoon van Elvis Presley. In tegenstelling tot Frank Sinatra, die zichzelf mettertijd bewees, was the King immers geen muzikant die jarenlang geoefend had om zijn gitaarkunst te perfectioneren. Hij was een instinctief muzikant, hij pakte bij wijze van spreken zijn gitaar vast en creëerde onmiddellijk een sound. Zijn belangrijkste werk had hij in de eerste jaren al afgeleverd. Het lijkt misschien een detail in de muziekgeschiedenis, maar het illustreert hoe groot de omwenteling wel was." Hoewel Elvis de rebellie van de toenmalige tieners vormgaf, en volgens sommigen de duivel zelf was, droeg hij alleen denim op instructie van zijn management of de filmstudio's. De rock- en filmwereld begreep immers al gauw de sterke symbolische kracht van jeans. Sla er de foto's maar op na : zowat alle grote namen uit de rockgeschiedenis dragen jeans, van Jefferson Airplane, Neil Young en The Grateful Dead tot Santana en The Stooges. Wie kent niet de met jeans getooide platenhoezen als Sticky Fingers van The Rolling Stones of Born in the USA van Bruce Springsteen ? Een 501 voor de stars & stripes, krachtigere symbolen van het door Springsteen bekritiseerde Amerika zijn nauwelijks denkbaar. "Veel jeansiconen wisten heel goed wat ze deden", meent Trynka. "Toen Bob Dylan, ook een burgerrechtenactivist, denim ontdekte, deed hij bewust aan marketing. De jongens van The Who werden in de jaren '70 gewoon door hun manager naar de klerenwinkel gestuurd. Hij bepaalde wat de jongens aantrokken. In deze tijd hebben alle bands, alternatief of niet, trouwens een eigen stylist. Niets is toevallig, en soms is het gewoon doelbewuste marketing, waarbij popsterren nieuwe producten lanceren of trends aanzwengelen. Doorgaans moeten jeans bepaalde signalen uitsturen ; ze moeten authenticiteit en integriteit communiceren. Moderne bands als Oasis of The Strokes pretenderen vaak dat kleding hen koud laat, maar ze lenen stijlelementen van voorgangers als The Ramones. Het verschaft muzikanten een zekere geloofwaardigheid." De oorzaak daarvan ligt evenzeer bij de arbeidersroots van denim als, opnieuw, bij de revolutie die zich in de jaren zestig voltrok, zegt Trynka. Jeans symboliseerden immers de afwijzing van het establishment en haar verstikkende moraal. "Jeans werden omarmd door intellectuelen en opgenomen door de tegencultuur. Kijk naar kunstenaars als Jackson Pollock in de jaren veertig, beat-lui als Jack Kerouac of Pablo Picasso. Tot die tijd waren kunstenaars doorgaans klassiek gekleed en veeleer elitair ingesteld. Pollock daarentegen, die zich in Life Magazine in donker, met verf besmeurd denim liet fotograferen, was uit een heel ander hout gesneden. Hij droeg een jeansjasje en werkte met zijn handen. Voor hem was kunst niet het exclusieve terrein van netjes geklede intellectuelen. Idem voor Andy Warhol, Peter Blake, Max Ernst, Willem de Kooning, Roy Lichtenstein, allemaal droegen ze denimoutfits, liefst van Levi's. Het grote publiek vond dat hele beat-gedoe maar niks. Men hield niet van mensen die sigaretten stalen in de supermarkt, wiet rookten en naar jazz luisterden. Maar nu zijn hun waarden en levensstijl eigenlijk de onze. De tegencultuur is de cultuur geworden, en toch zijn jeans de rebeloutfit bij uitstek gebleven." Sindsdien waren jeans vaak van alles tegelijk : een werkplunje of een schilderpak voor de een, een stijlelement voor de ander. Glamourboys als Cary Grant gingen er destijds de heroïsche, all-American tour mee op, terwijl de Woodstock-generatie vrije liefde wilde en dus taille basse droeg. Zeker de meiden: voor vele vrouwen, zowel cowgirls op vooroorlogse Amerikaanse farms en Vogue-lezeressen als Madonna-fans, waren jeans een kwestie van vrijheid, van emancipatie. De damesjeans die Levi's in de begindagen creëerde, verkocht trouwens voor geen meter. Een rits aan de zijkant, hou op ! "Wat fascineert," ratelt Trynka, "is dat jeanslabels vaak niet weten wat de consument eigenlijk wil. Toch veranderen jeans elk decennium moeiteloos van look, bovendien in diverse stijlen en milieus die elkaar vaak uitsluiten. Een bootcut-jeans zoals in Easy Rider, de modern gebleven denimlook van Eddie Cochran in de jaren vijftig of de gescheurde Levi's van New Yorkse punkers twintig jaar later, jeans zijn eeuwig veranderlijk." Alleen de zwarte muziekwereld stond tot voor dertig jaar zeer afwijzend tegenover denim. Toen een wiet rokende Marvin Gaye zich tijdens de opname van het protestalbum What's Going On in een donkerblauw spijkerjasje liet fotograferen, in navolging van Miles Davis, werd een hardnekkig taboe doorbroken. "Denim weerspiegelt de rassenverhoudingen", zegt Trynka. "Jeans waren lange tijd een blank product, Afro-Amerikanen daarentegen zagen vooral de katoenvelden en het slavenverleden. Het was een symbool voor de uitbuiting en achterstelling waaraan ze juist wilden ontsnappen. Met hiphop kwam dan uiteindelijk de afhangende jeans op, net als bij Amerikaanse gevangenen die hun broeksriem hebben ingeleverd, vaak zwarte jongens." Dat jeans nog wel een tijdje meegaan, is zo goed als zeker. Ook al wordt dat verhaal vaak pas achteraf geschreven, zegt Trynka, we kijken er doorgaans overheen. "Het is haast onmogelijk geworden om nog subculturen te onderscheiden op het moment dat ze zich manifesteren. Bij de beats of de mods kon je nog heel goed zien wat ze met jeans deden. Elk idee, elke stijlcode wordt echter zodanig snel uitvergroot door de media en gecommercialiseerd, dat subculturen verwateren voor ze volwassen zijn. Ook van hiphop, destijds baanbrekend, blijft bijna niets over. Anderzijds is het aantal groepen ook geëxplodeerd. Vroeger was je het ene of het andere, nu zijn we van allerlei microculturen wat. Het aantal jeansstijlen is gewoon meegegroeid. Ze zijn nu het bindmiddel van kleine tribes." Tekst Wim DenolfHet westerngenre leverde al rond 1915 volop heldhaftige cowboys en eigengereide lonesome rangers in jeans af. Imagogewijs zaten jeans altijd aan de 'goede' kant. Jeans werden omarmd door intellectuelen en opgenomen door de tegencultuur. Kijk naar kunstenaars als Jackson Pollock of Pablo Picasso. Door de werkmansbroeken op de zakken en andere strategische plaatsen af te werken met klinknagels, overtroffen de duurzame overalls van Levi Strauss alle andere werkkledij.