Saxofonist Benny Carter wordt volgend jaar negentig, maar blijft nog behoorlijk bedrijvig. Werk van hem verschijnt de laatste jaren bij Music Masters, en straks krijgt hij uit de handen van president Clinton de Kennedy Center Honor voor zijn hele carrière.
...

Saxofonist Benny Carter wordt volgend jaar negentig, maar blijft nog behoorlijk bedrijvig. Werk van hem verschijnt de laatste jaren bij Music Masters, en straks krijgt hij uit de handen van president Clinton de Kennedy Center Honor voor zijn hele carrière. Bij dat laatste bericht meldde de International Herald Tribune als belangrijkste wapenfeiten dat Carter bij de orkesten van Duke Ellington en Cab Calloway speelde. Die dwaling illustreert nog maar eens hoe de werkelijke verdiensten van de man in de plooien van de geschiedenis blijven vallen. Carter zat dan wel bij een aantal swingbands ook een paar weken bij Ellington maar zijn echte grote rol speelde hij als meesterlijk arrangeur, leider van zijn eigen orkesten en als een van de grote, vernieuwende solisten van de jaren dertig. Samen met figuren als pianist Teddy Wilson en saxofonist Lester Young, demonstreerde hij een voor die tijd ongewone elegantie en een harmonische diepgang die de weg bereidden voor de moderne jazz van het volgende decennium. Dat dit alles een goed bewaard geheim bleef, kwam allicht omdat Carter een cruciaal gedeelte van zijn werk leverde in Europa, als stafarrangeur voor de BBC en bij de Ramblers. En meer nog, omdat hij in de jaren vijftig verdween in de studio's van de West Coast en zich stortte op het lucratieve schrijven van soundtracks voor film en televisie. Voor het zover kwam, nam Carter nog een reeks albums op voor pruducer Norman Granz. Eentje daarvan heet ?The Urbane Mister Carter?, inderdaad het juiste adjectief voor zijn verfijnde, grootstedelijke stijl. Samen met de stukken, die door elkaar gehaspeld op de lp's ?The Formidable...?, ?The Urbane Sessions?, ?Alone Together? en ?New Jazz Sounds? werden verzameld, staat die nu op een dubbele cd. Eén cd met 26 stukjes met strijkersensemble, en een met 16 nummers met kleine groepjes, alles opgenomen tussen 1952 en 1955. Voor sommigen zal de onmiskenbare charme van de strings sessions gedateerd lijken of te veel naar sentiment neigen. Probeer toch maar om door de camouflage heen te luisteren de wijze waarop de zangerige altsax van Carter zich die Hollywood-songs toeëigent, is onverbeterlijk. Minder dubbelzinnig zijn de opnamen met kleine bands met afwisselend Roy Eldridge en Dizzy Gillespie op trompet, en meestal met Oscar Peterson en zijn ritmesectie erbij. Dit is klassieke jazz, luchtig maar daarom niet minder swingend, gespeeld met een meesterschap dat aan cricket- of tennisspelers van oudere generaties doet denken. Bijkomende attractie : de wonderlijke duetjes van Eldridge met drummer Alvin Stoller, avant-garde en avant la lettre. Voor de verzamelaars biedt deze uitgave een handvol onuitgegeven alternate takes, netjes opgespaard voor het einde van elke cd. En voor wie de smaak te pakken krijgt en meer wil van deze boeiende figuur : meer Verve-opnamen uit dezelfde periode staan op ?Benny Carter 3, 4, 5? ; ouder werk met zijn eigen big band op cd's in de Jazz Classics-reeks en op een hopelijk nog verkrijgbare en hele mooie compilatie in de Masters of Swing-serie. Benny Carter ?New Jazz Sounds/Urbane Sessions? (Verve, dubbele cd/Polygram). Op Point In Time laat pianist Fred Hersch de geest waaien waar hij wil.