Ontluistering van de top van een 150 jaar oud klassement : de premier grand cru classé is niet altijd excellent.
...

Ontluistering van de top van een 150 jaar oud klassement : de premier grand cru classé is niet altijd excellent.Herwig Van Hove Foto : Gerald DauphinIn 1855, ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling in Parijs, werden de wijnen van Bordeaux, en dan vooral die van de linkeroever van de Gironde, geklasseerd par ordre de mérite in vijf kategorieën : van premier tot cinquième cru classé. De job werd geklaard door de officiële vereniging van wijnmakelaars ( courtiers) die, beter dan gelijk wie, de geldende prijzenstruktuur kenden. Ze gebruikten als norm de prijs op de markt : de duurste was ook de beste. Vandaag, meer dan 150 jaar later, wordt nog altijd met deze klassering gezwaaid, en wordt gewoonlijk de bodemgebondenheid van de excellentie naar voren geschoven. Ongeweten zouden de courtiers van weleer eigenlijk de terroirs hebben geselekteerd en geklasseerd. (Met het woord terroir bedoelt men in de Franse wijnmiddens het geheel van klimatologische en bodemgebonden faktoren die door de traditie zijn gemodelleerd, en die maken dat de Franse wijn uniek is in de wereld.) Toegegeven, de hoogst geklasseerde cru's liggen allemaal op de fameuze grint- en kiezelbulten ( graves), enkele meters boven de rivierspiegel, waarvan veel later zou aangetoond worden dat het enkel de afwateringskwaliteiten zijn die wijn zijn eigenschappen geven. Als het oppervlaktewater maar niet stagneert en snel genoeg weg kan, kan er grote wijn van komen. De samenstelling van de eigenlijke ondergrond zelf, als hij maar arm genoeg is, heeft geen enkel belang. Grote wijn kan op klei (Pétrus) en op kalk (heel Saint-Emilion), en natuurlijk ook op de veelbezongen graves. Alle bodems die flink afwateren, zijn potentieel groot. En als ze niet voldoende afwateren, steekt men wel een handje toe : de wijngaard van Cheval Blanc ligt op een metershoog onderaards netwerk van draineergangen. Op de Yquemheuvel werd een in het midden gelegen harde kleilaag op 20.000 plaatsen met draineerpijpjes doorboord. Er is dus wel een zekere relatie tussen bodem en wijnkwaliteit. Maar dat is niet het hele verhaal. Ten tijde van de klassering en bijna tot voorbij de Tweede Wereldoorlog was de prijsspanning (het prijsverschil tussen de verschillende klasseringen) een kwestie van procenten. Een Saint-Emilion Grand Cru kostte toen praktisch de helft van Cheval Blanc, nu kost Cheval Blanc misschien wel 500 procent meer. Het is vanzelfsprekend dat de kwaliteitsspanning niet in dezelfde mate is geëvolueerd. De hoogst geklasseerde cru's zijn relatief veel duurder geworden omwille van de grote vraag en de eruit volgende zeldzaamheidsfaktor, en niet omwille van de meerkwaliteit die men er zou mogen van verwachten. Een grotere vraag betekent een grotere penetratie bij het konsumerend publiek, maar ook een verbreding van de konsumptiegroep. Japan en de Verenigde Staten zijn nog maar pas aan het wijndrinken begonnen, en ook het feit dat steeds meer mensen minder en beter beginnen te drinken, helpt nog mee aan de prijsstuwing in deze hooggeklasseerde kategorieën. De klassering is dus door de zeldzaamheidsfaktor ondergraven. Maar ook hiermee is het verhaal nog niet ten einde. Sinds het klasseringsmoment in 1855 zijn de meeste van de geklasseerde cru's duchtig in wijngaardoppervlakte toegenomen, wat natuurlijk het vroegere klassement als principe voor de huidige toepassingen in vraag doet stellen. Parallel met de oppervlaktetoename is echter het principe van de second vin ontwikkeld, zodat, op rendementsstijgingen na, het effektief aantal geklasseerde en dus dure flessen praktisch konstant zou gebleven zijn... Maar zeldzaamheid heeft met naakte kwaliteit niets te maken, en zo komt het dat men met geklasseerde cru's gewoonlijk een ongelukkige prijs-kwaliteitsverhouding treft. Er is echter een andere en meer belangrijke reden om toch af en toe eens een perperdure cru in het glas te nemen : de normfunktie. De hoogst geklasseerde cru's moeten het antwoord brengen op de vraag : hoe goed kan een wijn zijn in een bepaald jaar ? Wat is het summum van excellentie ? Om aan deze normfunktie te kunnen voldoen, moet hij vanzelfsprekend excellent zijn... en daar wringt het schoentje. Premier cru classé of niet, wijn is nog altijd door mensen gemaakt en onderhevig aan de invloed van klimaat en markt. Zo zegt men dikwijls dat de geklasseerde cru's de enige wijnen zijn die goed zijn in de mindere jaren : goed wel, maar niet excellent. En juist dit werd onlangs nog maar eens bewezen : de vijf premiers, aangevoerd door de eigenaars Mme Corinne Mentzelopoulos van Château Margaux, Mme François Pinault van Château Latour, Baronne Philippine de Rothschild van Château Mouton, Duc de Mouchy van Château Haut-Brion en Baron Eric de Rothschild van Château Lafite, kwamen na Japan en Engeland (eindelijk) ook eens naar België om een overzicht van hun recente millésimes aan de drinkende pers voor te stellen, recente millésimes en ook enkele winkeldochters. We volgen de opgelegde proefvolgorde. De wijnen werden allemaal vooraf gedecanteerd en nog eens terug in de fles overgegoten. De proeverij was niet blind, en beperkt tot premiers zonder blindgangers. Château Lafite Rothschild 1988 : donkere kleur, met een nuance van rijp en een suave zachte neus met echter veel hout. Stevige en zachte textuur in het begin van de mond, met nog veel potentieel, maar wat uitschietend scherp bitter op het einde. De finale : de bittere staart brengt heel de wijn op het niveau van gewoon. Eric de Rothschild : ?Nog heel jong, maar toch al aangenaam ; hij moet nog tien jaar liggen." Château Mouton Rothschild 1986 : inktkleur, met een diepe nuance van rijp en een gedrongen kompakte neus met fijne textuur na het opschudden, zachte attaque en veel struktuurbitter over het gehele lange smaakgebied. Deze excellente maar strenge wijn moet en kan nog tien jaar liggen. Philippe Cottin, de wijnmaker : ?Een wijn voor onze kleinkinderen." Château Haut-Brion 1985 : goede kleur, met al een vrij brede meniscus tegen de rand en een nuance van rijp, een gedrongen kompakte neus met duidelijk hout, een smakelijke aanspraak in de mond. Ook het middengebied van de smaak is attraktief, het einde is echter wat streng en verdunnend : gewoon. Château Margaux 1983 : goede gedrongen kleur en een charmerende fijne neus die al wat verbreedt bij het opschudden. Smakelijke allure in de mond met goede struktuur, en niet van overdreven lengte. De tannines zijn mooi in het geheel opgenomen en toegedekt. Grote zachtaardige en toch struktuurvolle wijn. Een goede referentie. Wijnmaker Paul Pontallier : ?1983 is geen erg groot jaar, maar Château Margaux is heel goed. Een mooi voorbeeld van onze onwetendheid : wij begrijpen niet waarom we grote wijnen maken." Château Latour 1982 : kompakte kleur met tonus van het vat en veel rijpe diepte. Een neus met een uitgesproken finesse en veel goedgevulde onderbouw met een charmerende vlezige smaak, ver gedragen door goede suave rijpe struktuurtannines. Iets verdunnend op het einde. Jammer, want veel van de glans gaat erdoor verloren. Wijnmaker Fréderic Engerer : ?Met het wegselekteren voor de second vin mag men ook niet overdrijven, want dan gaat de terroir-expressie verloren." Bij de oudere wijnen van de jaren '70 kan enkel Mouton 1975 echt bekoren : geëvolueerde kleur, maar een neus die grote eenheid vertoont tussen onmiddellijke bovenbouw en de onderbouw na het opschudden. Strenge en stevige smaak, maar tegelijk ook zijdeachtig en met goede lengte. Een goede referentie voor 1975. Haut-Brion 1979 is al wat versleten. (Wijnmaker Jean-Bernard Delmas : ?Een beetje verbrand.") Margaux 1978 is aangenaam oud zonder meer. (Paul Pontallier : ?1978 is niet de beste millésime.") Lafite 1976 is fijn, maar wat streng op het einde (Eric de Rothschild : ?Je proeft dat het een doorleefde wijn is ; ik begrijp hem niet, maar respekteer hem wel.") Latour 1970 is ook getekend door een te strenge finale. (Fréderic Engerer : ?Men had hem enkele dagen later moeten kunnen oogsten.") De wijnmakers van de premiers crus classés (v.l.n.r.) : Fréderic Engerer van Latour, Paul Pontallier van Margaux, Philippe Cottin van Mouton, Christophe Salin van Lafite, en Jean-Bernard Delmas van Haut-Brion.