REGEL 1 : Kunst doet het (bijna) altijd goed

Met wat kunst in huis maak je indruk. Dat weet iedereen. Alles hangt er wel van af wat je bezit, 25 jaar geleden kon je pochen met een Permeke boven het dressoir, vandaag kijkt niemand daar nog van op. Twintig jaar geleden moest je wat van Panamarenko in huis hebben. Vijftien jaar geleden kwam Luc Tuymans in zicht. Ga zo maar door, de trends volgen elkaar in ijltempo op. Het is van groot belang dat je dit beseft : wat vandaag in is, krijg je morgen misschien aan de straatstenen niet meer kwijt. Onlangs stelde de directeur van Art Basel, Marc Spiegler, in een interview in The Art Newspaper, trouwens dat acht op de tien kunstenaars die vandaag goed in de markt liggen over twintig jaar wellicht onverkoopbaar zullen zijn. Omdat ze uiteindelijk toch minder interessant blijken of omdat hun werk niet langer 'in' is.
...

Met wat kunst in huis maak je indruk. Dat weet iedereen. Alles hangt er wel van af wat je bezit, 25 jaar geleden kon je pochen met een Permeke boven het dressoir, vandaag kijkt niemand daar nog van op. Twintig jaar geleden moest je wat van Panamarenko in huis hebben. Vijftien jaar geleden kwam Luc Tuymans in zicht. Ga zo maar door, de trends volgen elkaar in ijltempo op. Het is van groot belang dat je dit beseft : wat vandaag in is, krijg je morgen misschien aan de straatstenen niet meer kwijt. Onlangs stelde de directeur van Art Basel, Marc Spiegler, in een interview in The Art Newspaper, trouwens dat acht op de tien kunstenaars die vandaag goed in de markt liggen over twintig jaar wellicht onverkoopbaar zullen zijn. Omdat ze uiteindelijk toch minder interessant blijken of omdat hun werk niet langer 'in' is. Trends spelen een essentiële rol in de onvoorspelbare markt van de beeldende kunst. Maar voor wie goed in de slappe was zit, blijft kunstbezit een statussymbool. Dat is altijd zo geweest en zal zo wel blijven. Alleen is de markt zelf veranderd en werden er nooit zulke hoge prijzen betaald als nu. "De kopers van kunst en antiek denken te veel over de meerwaarde van hun collectie", schreef Souren Melikian een tijd geleden in de New York Times, hij is zowat de bekendste kunstmarktexpert, beroemd en gevreesd voor zijn ontnuchterende analyses. Vroeger was een interieur vol kunst en antiek het luxesymbool bij uitstek. Zo kon een nouveau riche van simpele komaf veinzen uit een oud geslacht te stammen door antiek meubilair, enkele impressionisten of romantische meester in huis te halen. Dat soort interieurs zag je destijds bij alle industriëlen, gefortuneerde commerçanten, dokters en advocaten. Het grootste deel van dat publiek kocht geen design en al zeker geen hedendaagse kunst. De meeste nieuwe rijken keken zelfs neer op al wat modern was. Dat was zo tot een vijftien jaar geleden, na de millenniumwissel kwam er een omslag en deed er zich langzaam een aardverschuiving voor die zelfs Jan Modaal heeft beïnvloed. Het minimalisme bleek een sterke pletwals. Design en hedendaagse kunst werden de nieuwe statussymbolen. Dat ging samen met de hype van de grote kunstbeurzen, de toonaangevende veilingen en de boom van kunstgaleries voor de jetset. Sinds een kleine vijf à tien jaar gaat ook de middenklasse op jacht naar modern. Wie nu echt geen rekening hoeft te houden met wat anderen belangrijk vinden en de middelen heeft, omringt zich niet langer met hedendaags, maar kiest weer voor oudheden of etnografica. Dat is een klassiek verschijnsel : zodra de rijken merken dat ze door de middenklasse worden nagebootst of bijgebeend doen ze wat anders. De golfsport moet nu ook niet té democratisch en té populair worden. Het verhaal van de prijzenevolutie op de kunstmarkt is vrij ingewikkeld, er spelen duistere mechanismen, aldus Melikian. Hij wijst erop dat de kunsthandel tot voor een kleine twintig jaar vrij gesloten was. Je had aan de ene kant de verzamelaars en aan de andere kant de handelaars. De rol van de kunstgaleries en veilinghuizen was minder dominant. Prijzen evolueerden langzamer en werden niet artificieel opgepept. De markt was grotendeels gebaseerd op vraag en aanbod. Maar een aantal van de grote veilinghuizen en kunstgaleries zijn zich vanaf de jaren negentig meer en meer gaan richten op de talrijke nieuwe rijken die het reilen en zeilen van de markt eigenlijk niet kenden en een makkelijke prooi bleken voor een speculatieve handel. Spiegler stelt ook vast dat de hedendaagse collectioneurs zelden uit families komen met een verzameltraditie. Ze blijken makkelijker beïnvloedbaar door de artistieke peptalk en denken vooral aan status en vooral aan winst. Dat publiek, intussen alomtegenwoordig en vrij dominant op veilingen en art fairs, werd een speculatieve reflex bijgebracht. De investeringsdrang won het van de kwaliteit, dixit Melikian. Dat viel samen met de grote hype van de kunstbeurzen à la Art Basel en de Tefaf en de recordprijzen voor moderne en hedendaagse kunst bij de grote veilinghuizen. De illusie van snel stijgende prijzen werd als een marktwet beschouwd. Hoe gebeurde dat ? Hier of daar werd een mooi werk van een grote naam, een Picasso of Warhol bijvoorbeeld, gekocht rond 2007 en verkocht in 2013 tegen het dubbele of het veelvoud van de prijs. Dat kreeg veel media-aandacht en versterkte meteen de vraag. Maar zo'n prijsexplosie geldt niet voor alle Picasso's of Warhols, merkt Melikian fijntjes op. Bovendien werd die topprijs misschien wat aangewakkerd om het algemene prijsniveau op te krikken. Want wat gebeurt er daarna ? Andere werken met dezelfde handtekening worden als topstuk naar de markt gebracht. Maar een mindere Picasso stijgt nooit zo spectaculair in waarde, aldus Melikian. Het nieuws over topprijzen de wereld in sturen jaagt de prijzen nog meer op. Die techniek wordt in de hele kunsthandel gehanteerd. Zo stormen veel kopers met open ogen een prijzenbubbel tegemoet. Want je kunt ervan op aan dat veel prijzen van zowel moderne als hedendaagse meesters kunstmatig worden gemanipuleerd. Feit is dat vooral dat het kunstsegment enorm aan status gewonnen heeft en tot een luxeproduct is verworden. Het gaat bovendien niet alleen om wat er gekocht wordt, maar ook waar. Daar komt wel wat snobisme bij kijken, wie zo rijk is als de zee diep, pocht graag met de 'vindplaats' : een beroemde galerie, een internationaal veilinghuis of een kunstbeurs met een klinkende naam. Eén ontnuchterend feit blijft overeind : kopen is altijd makkelijker dan verkopen. Tenzij je collectie zo belangrijk is dat je ze kunt aanbieden bij een gerenommeerd veilinghuis, zoals de verzameling van de Belgische architect Marc Corbiau, die in februari door Christie's werd afgehamerd in London. Die collectie met veel abstract werk uit de jaren zeventig en tachtig ligt nu goed in de markt, omdat de abstracte kunst momenteel in is. Wie echter niet het juiste moment kiest om zijn kunstwerken te verzilveren, kan van een kale reis thuiskomen. Daar weten bezitters van Vlaamse impressionisten en expressionisten alles van. Geen markt werd zo dooreengeschud als die van het antieke meubel. De kussenkasten die je anno 1980 in bijna alle Vlaamse herenhuizen zag staan en waarvoor destijds makkelijk tot twintigduizend euro werd neergeteld, zijn nu nog amper verkoopbaar voor een tiende van dit bedrag. Klassieke antieke meubelen, barok of in landelijke Franse stijl zijn meer dan gehalveerd in waarde. Intussen hebben we wel de hype van het vintagedesign gehad. De schoolstoel die twintig jaar geleden werd weggegooid, bleek ineens vijfhonderd of duizend euro of meer waard. Doordat grote firma's als Vitra zoveel vintagemodellen opnieuw produceren en de vintagehype bij alle lagen van de bevolking is doorgedrongen, zoeken sommigen nu weer naar exclusieve meubelen. Zo kopen nogal wat modeontwerpers, niet zelden dé trendsetters, art-decomeubelen van topkwaliteit - van Franse designers als Jacques Doucet, Jacques Adnet of Emile Ruhlmann. Ze werden hierbij zeker geïnspireerd door de grote YSL-veiling in 2009, die het eclectische interieur weer als luxe ging beschouwen. Tot dan gold het minimalistische interieur als enige bewijs van rijkdom en smaak. Datzelfde publiek valt ook voor Napoleon III-meubilair en kunstkabinetten uit de barok. Zelfs de verfijnde art-nouveaustukken maken tegenwoordig een voorzichtige retour. Een deel van het antieke meubilair komt terug. Volgens sommigen worden ook de landelijke meubelen straks weer 'hot', nu ze minder kosten dan Ikea-meubelen. Heb je een werk aan de muur uit de tijd van Rubens ? Niet van PP zelf, maar gewoon van een minder bekende tijdgenoot, dan kun je daar nog amper mee pronken. De meeste Oude Meesters uit de periode van de late middeleeuwen tot de negentiende eeuw, zijn sterk in waarde gedaald en moeilijk verkoopbaar. Ze hebben grotendeels hun statuswaarde verloren. In de jacht op moderne kunst blijkt het vooroorlogse werk schaars. De kunstmarkt ontdekte de laatste jaren de abstracte kunst uit de omgeving van de groep ZERO, met namen als Fontana, Verheyen, Bury, Vasarely, Leblanc of Verheyen. Met die kunstenaars kun je uitpakken, wel het liefst met schilderijen of beelden, geen grafiek. Grafisch werk of multiples worden zelden hoog gewaardeerd. Tenzij het - opnieuw - om ronkende namen gaat, zoals Warhol. Ook hedendaagse kunst is op en top luxe, maar je weet dus niet of ook de volgende generatie die zo spannend zal vinden. Kubisten als Picasso en Braque omringden zich al met Afrikaanse kunst. Lang werd die kunst vooral verzameld door kunstenaars en collectioneurs van moderne kunst. De goede stukken waren prijzig, maar toch min of meer betaalbaar. Vanaf de jaren negentig swingen de prijzen voor topstukken de pan uit. De bedragen die op Bruneaf (opendeur van de handelaren in etnische kunst op de Zavel) worden opgehoest, spreken tot de verbeelding. Ook op veilingen wordt soms een paar honderdduizend euro geboden voor een topstuk. In heel wat interieurs symboliseert een antiek Afrikaans beeld vooral goede smaak, het laat zien dat je 'apart' bent. Alleen jammer dat velen - ook gefortuneerden - zich laten vangen aan de waardeloze nabootsingen die de markt overspoelen. Het kale interieur is niet langer in trek. Een woning vol kunst en objecten wordt weer een statussymbool. Ook het verre verleden komt weer in beeld. Op de laatste Brafa was er verbazend veel archeologica te zien, vooral uit het Middellandse Zeegebied. Een mooie marmeren torso of buste blijft stijgen in waarde. Maar ook het kleine archeologische object is weer in. Want alles hoeft niet duur te zijn, voor prachtige stenen werktuigen uit de prehistorie tel je amper een paar honderd euro neer. Glas en zilver waren vroeger de symbolen van rijkdom par excellence, want alleen de adel bezat antiek glas en zilver. Omdat het pure luxe was en erg mooi is, werden er tot in de jaren tachtig fortuinen voor betaald. De prijs van veel antiek zilver is nu echter gehalveerd. Jongere stukken worden zelfs verkocht voor het metaalgewicht. Voorlopig loopt nog amper iemand warm voor art-nouveauglas. In de jaren tachtig betaalden rijke Japanners voor de mooiste Gallélampen tienduizenden euro. Maar die tijd lijkt voorbij. Afwachten is de boodschap, want net als voor de meubelen kan de belangstelling voor glas van beroemde huizen als Gallé en Daum ooit weer opleven. Niemand kijkt nog op naar een verzameling Delftse schotels, terwijl veel kopers ooit dachten dat dit de belegging van hun leven was. Enkel zeldzame stukken Delfts aardewerk uit de zeventiende eeuw worden nog wereldwijd verzameld. De grote hype van het moment is de kunstkeramiek uit de twintigste eeuw. Bij ons gaat het dan om jarenvijftigkeramiek van ateliers als Amphora en Perignem, in Frankrijk is Capron dé naam. Verzamelaars die willen imponeren kopen grote vazen met duidelijke signaturen. De markt voor die keramiek is toch veeleer regionaal. Je kunt die stukken nooit verkopen in het Verre Oosten. Chinezen kopen liever Chinees porselein op. Voor hen zijn grote vazen van amper een eeuw oud pure luxe. Ze hebben minder belangstelling voor eeuwenoude stukken en geen interesse voor het porselein dat destijds via de Oost-Indische Compagnie naar het Westen werd verscheept. Zo blijven de culturele verschillen overeind, ook op een kunstmarkt die zich zo graag internationaal noemt. Door Piet SwimbergheZodra de rijken merken dat ze door de middenklasse worden nagebootst of bijgebeend, doen ze wat anders Eén ontnuchterend feit blijft overeind: kopen is altijd makkelijker dan verkopen