Jef Laureys is schrijnwerker, Wies Verwimp werkt op een advocatenkantoor. Geen avontuurlijke types zou je op het eerste gezicht denken. Tot ze reisverhalen beginnen te vertellen. Al dertig jaar hebben hun vakanties slechts één doel : de natuur in haar puurste vorm beleven. Eerst deed het koppel uit Herentals trektochten met de rugzak door ongerept Scandinavië. Maar dat vonden ze op de duur niet avontuurlijk genoeg meer. De echte confrontatie met de natuur moest toch anders aanvoelen, vond Jef Laureys. Hij wou naar plaatsen trekken waar je echt geen mens tegenkomt. Naar de absolute stilte en wildernis.
...

Jef Laureys is schrijnwerker, Wies Verwimp werkt op een advocatenkantoor. Geen avontuurlijke types zou je op het eerste gezicht denken. Tot ze reisverhalen beginnen te vertellen. Al dertig jaar hebben hun vakanties slechts één doel : de natuur in haar puurste vorm beleven. Eerst deed het koppel uit Herentals trektochten met de rugzak door ongerept Scandinavië. Maar dat vonden ze op de duur niet avontuurlijk genoeg meer. De echte confrontatie met de natuur moest toch anders aanvoelen, vond Jef Laureys. Hij wou naar plaatsen trekken waar je echt geen mens tegenkomt. Naar de absolute stilte en wildernis. Jakoetië is nog zo'n plek. Het meest afgelegen gebied van Siberië is even groot als India, ook al telt het maar 66 gemeenten en nog geen miljoen inwoners. Een complete woestenij is het, met onmetelijke bossen, gigantische rivieren en massa's wilde dieren. Het gebied is bekend om zijn mijnbouw en diamantwinning. Maar de natuur is er nog veel meedogenlozer dan de mens. "In 1996 trokken we voor het eerst naar Siberië voor een trektocht door de pure wildernis. Twaalf keer hebben we dat extreme avontuur intussen overgedaan. Telkens een ongelofelijke ervaring, op leven en dood, door een gebied dat eigenlijk niet te bereizen valt." Concreet vliegt het koppel op Jakoetsk, de hoofdstad van de republiek Jakoetië in Noordoost-Rusland. Van daaruit laten zij zich droppen door een local aan de startplaats van hun trektocht. Meestal in een afgedankt legervoertuig, ergens langs de tweeduizend kilometer lange grindweg door Jakoetië. De enige die er ligt. "Gewone wagens kunnen hier niet rijden, enkel legerjeeps die ook door de rivieren kunnen waden. Want bruggen zijn er nauwelijks", zegt Laureys. "Over driehonderd kilometer doe je gemakkelijk tien tot twaalf uur. De eerste keer dat we op die weg reden, brak het voorwiel van ons voertuig af, waardoor we tien meter diep in het ravijn stortten. Driemaal gingen we over de kop. Mijn vrouw brak twee ribben, ik bijna mijn nek. Maar dat ontdekten we pas als we weer in België waren", zegt Laureys. "Na de trektocht van drie weken spreken we altijd opnieuw af op diezelfde grindweg, die nog door gevangenen van de Goelags aangelegd is. Als we er niet staan op de afgesproken dag, dan mogen ze in Siberië een zoekactie starten. Al weet ik niet of ze ons ooit zouden vinden." Wies en Jef trekken zich uit de slag met kompas en slechte stafkaarten. De rivier en de grindweg zijn zowat de enige oriëntatiepunten. Voor de rest is er enkel de onmetelijke taiga, waar ze elke dag wild- kamperen. "De wouden van Siberië zijn zo groot, dat het op de ene plaats nacht is en op de andere dag. Er woont haast niemand. In de wildernis kwamen we heel soms eens Jakoeten of Evenken tegen. Dat zijn de inheemse volkeren, die met rendieren rondtrekken door de wildernis. Ze wonen winter en zomer in tenten. Sommige hadden duidelijk nooit eerder westerlingen gezien. Ze keken ons aan alsof we van een andere planeet kwamen", zegt Verwimp. "Nergens is de lucht en het water zuiverder, en nergens is de stilte puurder dan in Siberië. En nergens is de natuur ongerepter. In januari vriest het er -50°C, in de zomer kan het 30°C zijn, maar erg wisselvallig. Aangenaam wordt het 's zomers nooit. Ofwel is het koud en onweerachtig. Ofwel warm, met miljoenen muggen. Een lange broek en sjaal zijn een absolute must." De proviand waarop ze overleven, is voornamelijk gevriesdroogd, licht en onbederfbaar. Eén pot sleuren ze mee, waarmee ze elke dag op een houtvuur koken. "Dagelijks vang ik verse vis met een kleine werphengel. Soms zalm, forel of baars, maar meestal snoek. Die kunnen wel één meter lang zijn", zegt Jef. "Vis is er in overvloed in de glasheldere rivieren of meren. We drinken er gewoon uit, zonder het water eerst te koken of te filteren. Niet één keer zijn we ziek geworden." Tijdens zo'n Siberiëtocht vallen ze allebei ettelijke kilo's af. Door het minder vette eten. Maar vooral door de pittige dagtochten. "In de woeste wildernis gaat het stappen zeer traag. Tien kilometer neemt gemakkelijk een dag in beslag. Zeker met zo'n zware rugzak van 25 kilo. Naar paadjes hoef je niet te zoeken, want die bestaan gewoon niet. We waden door oneindige veenmoerassen en wouden, waar wellicht nooit eerder een mens heeft gewandeld. Moeten we een rivier oversteken, dan gaat de broek uit en de sportschoenen aan. Met een stok of aan een touw stappen we voorzichtig naar de overkant. Een halve dag kan dat soms duren, door de sterke stroming." Snoeken en baarzen zijn niet de enige dieren waarmee het koppel te maken krijgt in Siberië. Elanden, rendieren, lynxen, wolven en beren zijn ook vaste prik tijdens de tochten. Wolven jagen 's winters in groep, 's zomers leven ze meer alleen. Gevaarlijk zijn ze pas, als er te weinig voedsel voorhanden is. "Vooral de beren zijn te duchten, wegens onvoorspelbaar. Al drie keer hadden we er serieuze problemen mee", aldus Laureys. "De eerste keer begon een beer 's nachts onze tent op te tillen en tegen de grond te kwakken. Hij wou ze kapotscheuren, dus ik moest iets doen : ik opende kordaat de rits en de beer schrok. Hij blies uiteindelijk de aftocht." De tweede keer hing hun lot nog meer aan een zijden draadje. Toen ze een beboste helling beklommen, belandden ze plots tussen twee beren en hun gigantische moeder. "Zij stormde keihard de helling af, in onze richting. We gaan eraan, dachten we, dus bleven we stok-stijf staan, wachtend tot ze ons zou aanvallen. Wat konden we anders doen ? Op nog geen vier meter van ons hield ze plots halt. Als een standbeeld, op haar achterste poten. Ze keek ons een minuut in stilte aan. Al leek dat wel een uur voor ons. Vreselijk nerveus waren we. Tot ze zich plots omdraaide naar haar jongen. Wat haar bezielde om ons niet aan te vallen, zullen we nooit weten. In zo'n situatie is een berin meestal superagressief. Misschien had zij nog nooit een mens gezien ?" "Bij onze derde berenontmoeting waren we het dichtst bij de dood. We sloegen ons tentje op aan een zijarm van de machtige Lenarivier, ongeveer zo breed als de Schelde in Antwerpen. In het midden lag een groot eiland, dat we vanuit onze tent konden zien. Het was 23 uur en het begon te regenen. Toen we al sliepen, viel er plots iets met een enorme kracht in het water. Ik ritste de tent op en zag door mijn verrekijker een beer de rivier overzwemmen. Het grootste exemplaar dat ik ooit gezien had. Toen hij al dichter in de buurt was gezwommen, begon hij enorm te brullen en keerde terug. Het leek wel een waarschuwing, dus ik wilde inpakken en wegwezen. Alleen regende het zo vreselijk hard. Dus besloten we om de hele nacht de wacht te houden. Niet overbodig, want twee uur later dook het beest opnieuw de rivier in. Hij zwom recht op ons af. We brulden eens heel luid en dat schrikte de beer gelukkig af." "Drie keer herhaalde dat scenario zich die nacht. Maar met onze verrekijker zag ik hoe de beer steeds onrustiger werd. We vertrouwden het zaakje niet en om 4 uur 's morgens, toen het eindelijk stopte met regenen, pakten we onze tent in en wandelden we vier kilometer verder naar een nieuwe kampplek. Maar ook daar hadden we de volgende avond bezoek. De beer naderde de tent langs achteren, tot op tien meter. Ik had hem gehoord noch gezien. Hij staarde ons vervaarlijk aan en leek te willen aanvallen. Mijn vrouw greep in een reflex naar onze twee plastic bekers, die ze keihard tegen elkaar sloeg. De beer schrok van het geluid dat hij niet kende, en stoof het bos weer in. We hoorden de uren erna overal gekraak in de bossen, wellicht van meerdere beren die op de loer lagen, maar op de vlucht waren geslagen. Echt gerust waren we er niet meer op. We braken de tent op en trokken verder." "Als mens ben je niets in die onmetelijke wouden. En tegenover een beer of hongerige wolf kun je al helemaal niks beginnen." Om zichzelf te beschermen tegen gevaar, kregen Jef en Wies van de inheemse bevolking soms een geweer in bruikleen. Eén keer gaf een lokale politieman hen zelfs een oorlogswapen mee, tegen een zacht prijsje. "De agent wikkelde het in een discrete doek, zodat geen enkele dorpeling kon zien wat hij ons verpatste. Het bleek een zwaar geweer uit mijn geboortejaar, 1959. Bij een test vloog een kogel dwars door een boom van dertig centimeter doorsnede. Ik was gerust : hiermee zou ik wel een beer kunnen neerknallen. Alleen : ik moest die enkele kilo's ijzer extra meezeulen." Verwimp en Laureys moesten al meteen hun geweer trekken, toen ze tijdens een van hun tochten plots iets in een vallei zagen blinken. Met de verrekijker zagen ze dat het om een wrak van een vliegtuigje ging. "Capaciteit veertig à vijftig personen, zoiets", zegt Laureys. "Voorzichtig gingen we naderbij. Misschien was het een valstrik ? Menselijke resten hebben we niet gevonden. Wel een zelfgemaakt kruisbeeld, gemaakt van een boomtak in het mos. Ik tilde het op en vond eronder een lederen broeksriem. Van god-weet-wie. Het crucifix lag er al enkele jaren, getuige de moslaag. Ook in het dorp, tientallen kilometers verderop, wist niemand iets van deze crash. Een raadsel tot op de dag van vandaag." De jongste jaren lukt het niet meer om naar Siberië te gaan. Niet omdat ze de natuur of de ervaring beu zijn, maar omdat de spanningen in de regio zo hoog oplopen. "We zijn er niet gerust op", zegt Wies Verwimp. "Maar we houden contact met onze vrienden daar ter plekke. Ze zijn zelfs al eens in België geweest bij ons in Herentals. Dat was voor hen even avontuurlijk als voor ons op hun grondgebied." Door Thijs Demeulemeester"Op 4 meter van ons bleef de berin plots staan, als een standbeeld, op haar achterste poten. Een minuut, voor ons leek het een uur" "Als mens ben je niets in die immense wouden. Tegenover een beer of hongerige wolf kun je al helemaal niks beginnen"