Je gaat me toch niet afschilderen als een vergrijsde ancien?" vraagt Piet Van Hassel lachend aan het eind van ons gesprek. Hij zit al 25 jaar in het vak, maar wil liever niet de Oom Piet zijn die het voortdurend over vroeger heeft. Daarmee uit hij meteen zijn grootste bekommernis: dat het Belgische kinderkledingmerk Van Hassels afgeschilderd zou worden oubollig, saai en weinig vernieuwend. Van Hassels staat voor vlotte, moderne kleding voor jongens en meisjes tussen 2 en 16 jaar. Maar we kunnen er niet omheen dat het ook een bedrijf is met een geschiedenis.

Die begint in 1952, als kleermaker Odilon Van Hassel een eigen confectieatelier opent. De aanvankelijk bescheiden productie groeit snel en het atelier specialiseert zich in jongenskleding: communiekostuumpjes en loden jassen. "Het verkleinbeeld van de man", noemt Piet Van Hassel het. Een grondige reorganisatie begin jaren tachtig heeft de firma op het huidige spoor gezet: naast jongens- ook meisjeskleren, een ruim gamma met een total look en distributie via een nieuw circuit van kinderboetieks. "Dat was nodig", zegt Piet Van Hassel over die periode. "Om het cru te stellen: het was veranderen of ten onder gaan. Het had heel wat voeten in de aarde, maar vanaf dat moment kreeg de collectie stilaan vorm." Een nieuwe naam moest de koersverandering extra in de verf zetten: "Wij produceerden toen onder de merknaam Popy. Om te beginnen klonk dat onnozel en we wilden accentueren dat we een nieuwe koers hadden gekozen. Makkelijker gezegd dan gedaan. Doordat de klanten ons toch al kenden als Van Hassels hebben we het daarbij gehouden."

Wat zijn de belangrijkste eigenschappen van goede kinderkleding?

Piet Van Hassel: Degelijkheid is het belangrijkste. Mensen waar geven voor hun geld: kleding die eigentijds is zonder meteen te demoderen, kwaliteitsstoffen, mooie kleuren, een goede pasvorm. Aan dat laatste besteden wij veel aandacht. Precies daarom werken we elk seizoen de volledige collectie uit op maat 128 en de nieuwe modelletjes ook nog eens op de maten 104, 152 en 170. Elk stuk, elk detail wordt gecheckt. Wat veel tijd, energie en geld kost, maar als kinderen zo'n broek of jurkje aantrekken, passen die spullen ook écht. Verder mag kinderkleding best pittig zijn en fel gekleurd, zolang je maar niet vervalt in zottigheid en flauwekul. Niet elk kledingstuk hoeft vol te staan met beertjes of kangoeroes. Sommige stoffenfabrikanten blijken dat nochtans te denken.

Hoe groot is het verschil tussen jongens en meisjes?

Groot. Eigenlijk zijn het twee aparte collecties. Sommige stukken zijn gelijkend: een ruime sweater blijft natuurlijk een ruime sweater. Dat was zeer makkelijk toen de mode losse kleding vroeg, maar intussen is het beeld omgegooid: meisjes dragen korte, strakke topjes. En dat is een totaal andere wereld dan de sweaters van de jongens. Bovendien hebben ze hun eigen gevoeligheden. Meisjes houden van felle kleurtjes, terwijl veel jongens liever niet opvallen. Die collecties lopen dus nogal uit elkaar.

Uw sector heeft ook zijn specifieke eigenheden. Weegt de communiekleding nog altijd op de collectie?

Het blijft belangrijk, maar de vlag dekt veel ladingen. Voor mij heeft communiekleding een klassieke connotatie: ik zie dan een opgedirkt slachtoffertje voor mij. Als producent moet je wel rekening houden met de wetmatigheden van een communieperiode, maar je bent vrij om een stijl te kiezen. Feestelijk hoeft niet houterig te zijn. Van Hassels heeft trouwens een publiek dat van de stijfheid af wil. Je zult bij ons geen linnen jurkje vinden dat eruitziet als een kerstboom. Wel toffe en vlotte kleren, die modern zijn en na het feest nog gedragen kunnen worden. Op veel plaatsen wordt er een soort mythe gecreëerd rond die communie. Ouders jutten elkaar op en winkels haken daar graag op in.

Klopt het dat boetieks almaar vroegere levering verlangen: februari en het liefst al half januari?

Dat heeft te maken met het consumentengedrag, daar moet je leren mee leven. Je hebt klanten die hun garderobe samenstellen en kleren kopen omdat ze er nodig hebben, een andere groep is altijd op zoek naar een nieuw model of een nieuwe kleur en koopt vooral uit goesting. Die laatsten shoppen vroeg in het seizoen, als de keuze maximaal is. Dat zijn ook de klanten die al tijdens de koopjesperiode in de nieuwe collectie gaan snuffelen. Deze zomer, met het slechte weer, is dat opvallend geweest aan de kust. Je kunt nu eenmaal geen wafels blijven eten, dus trekken de mensen de stad in en gaan winkelen. Denk nu niet dat ze bijvoorbeeld de lichtere sweaters uit de nieuwe wintercollectie kiezen. Nee, hun oog kan net zo goed op een pelsjasje vallen. Als je met die groep rekening wilt houden - en wie in het duurdere gamma actief is, moet dat wel -, kun je je niet permitteren om laat te leveren.

De markt is grondig veranderd in dertig jaar. Vroeger maakte je een collectie en als die mooi was, verkocht ze. Nu is dat ondenkbaar. De prijs moet in verhouding staan tot het product, publiciteit speelt een grotere rol en het organisatorische aspect is niet te onderschatten. Foutjes op een van die domeinen worden onherroepelijk afgestraft.

Hoe belangrijk is het imago voor een kinderkledingmerk?

Als kinderkleding dezelfde weg opgaat als de volwassen mode-industrie, zal dat nog belangrijker worden. Je voelt het al. Een collectie die afgeleid is van een volwassen merk, kan alleen al door die naambekendheid een plaats veroveren. Gelukkig is kinderkleding tamelijk ingewikkeld: naam en imago zijn niet voldoende. Ook de kwaliteit en de prijs moeten juist zitten. Een imago kan je trouwens ook wel eens parten spelen. Zo heeft Van Hassels de reputatie van degelijke en vlotte kleding te maken, zonder te vervallen in extremen. Maar af en toe gebeurt het dat een bepaald stuk niet goed loopt. Soms komt alleen maar doordat een aantal winkeliers vinden dat het stuk niet past bij ons imago. Dat kan vervelend zijn, want het beperkt je in je creativiteit en in de opbouw van de collectie. Twee of drie zomers geleden bijvoorbeeld bestond de collectie bijna uitsluitend uit grijs: lichtgrijs, parelgrijs, middelgrijs en antraciet. Op een bepaald moment wilden we dat doorbreken en opnieuw wat kleur introduceren. Maar als het daarvoor te vroeg is, lukt het niet.

Dringen de boetieks aan om de toppers van het vorige seizoen te hernemen?

Dat is een gevaarlijke valkuil. Dodelijk, als je niet uitkijkt. Winkeliers, dat zijn ónze klanten, hebben vaak de reflex om een collectie te evalueren en op basis daarvan opnieuw te bestellen: welke stukken verkochten het best? De verleiding is groot, dat begrijp ik best. Als een bepaald katoenlinnen goed gelopen heeft, denk je algauw: "We moeten daarop voortborduren." Maar de creativiteit verplicht je juist iets anders te brengen. Het komt erop aan een goed evenwicht te vinden: de band met de vorige collectie behouden en continu vernieuwen. Daar worden jonge merken vaak mee geconfronteerd. Ze komen met een sterk en vernieuwend concept, maar na een paar seizoenen raakt dat basisconcept uitgemolken. Dat blijft het moeilijkste moment: jezelf vernieuwen. Veel merken sneuvelen daarop.

Wat is volgens u het grootste misverstand omtrent kinderkleding?

Dat kinderkleding niet meer zou zijn dan wat T-shirts en enkele broekjes. Dat betekent dat je het vak niet ernstig neemt. In onze collectie zitten 80 tot 100 modellen, die kunnen elk in verschillende stoffen en in een uitgebreid kleurengamma. Van al die varianten werken we ongeveer 150 versies uit. Reken dat eens uit voor 9 maten en enkele tussenmaten en je komt uit op meer dan tienduizend combinaties per seizoen. Die moeten allemaal geproduceerd en geleverd worden. Kinderkleding kun je er niet "zomaar even bijnemen", het is veel complexer dan het op het eerste gezicht lijkt.

Welke raad geeft u jonge ontwerpers mee?

Dezelfde die ze overal horen: denk goed na, bekijk je project eerst van alle kanten en zorg dat je vanaf het begin - ook al is de organisatie nog pril - kunt rekenen op mensen met een degelijke technische bagage. Ik vind het zeer belangrijk dat je een beroep kunt doen op iemand die bedreven is in het tekenen van patronen en dat je ook zelf stukken kunt maken, zodat je niet altijd afhankelijk bent van externe ateliers. En voor de rest: gooi je erin. Ik wens de nieuwkomers veel succes. Ik ga er niet vanuit dat extra concurrentie nadelig is: hoe meer variëteit, hoe meer creativiteit en hoe meer toffe collecties, hoe beter voor de hele sector en dus ook voor Van Hassels.

Moet je een soort fingerspitzengefühl hebben?

Ik denk het wel, ja. Maar het is niet zo dat sommigen geschikt zijn om in de kinderkleding te werken en anderen niet. Het helpt natuurlijk als je feeling hebt voor stoffen en kleuren. Toen ik afstudeerde, had ik nauwelijks voeling met mode of kleding. Ik was het type van de jeans, het geruite hemd en de shetlandtrui, die zelfs niet noodzakelijk bij de ruiten paste. Gelukkig ben ik daarin veranderd. Ik merk wel dat voor buitenstaanders het samenstellen van zo'n collectie iets mysterieus is. Je bent de hele tijd bezig met het ineenpassen van een gigantische puzzel: de jassen, broeken, truien, topjes, shirts, de kleuren, de stoffen. Pas helemaal aan het einde wordt dat een geheel. Een van de meest gehoorde vragen is dan ook: waar haal je de inspiratie? Daar is maar één antwoord op: overal. Dat kan MTV zijn of een andere jongerenzender, of gewoon de straat. Ik stond ooit voor het rode licht en op de hoek stond een dame in een prachtige jas. Vanuit de wagen bestudeerde ik haar: de knopen, de zakken, de kleur, die mooie kraag... tot ik haar gezicht zag. Zij keek zó kwaad, ze besefte duidelijk niet dat ik alleen in haar jas was geïnteresseerd!

Wat houdt dit vak zo boeiend voor u?

De liefde voor de materialen, de kleuren en de mooie zaken die je kunt maken. Ik vergelijk het soms met een schilder die al honderd schilderijen heeft gemaakt. Je vraagt toch niet: "Waarom nog een, je hebt er al honderd?" Het begint telkens opnieuw. Onze volgende collectie zal anders zijn dan de vorige en heeft bijna niets meer te maken met die van tien jaar geleden. Ik heb tegenwoordig veel papierwerk, wat minder interessant is, maar het creatieve proces boeit me nog altijd.

Hilde Verbiest / Foto Lieve Blancquaert