Op de maan ruikt het naar buskruit, lees ik ergens. Je vraagt je af hoe ze daar bij komen. Met hun eigen snufferd kunnen de astronauten het niet hebben geroken, want op foto's dragen ze altijd zo'n glazen bokaal. Misschien roken de maanstenen die ze meebrachten zo. Geen idee. Maar ik geloof het wel, dat het naar buskruit ruikt op de maan. Het zijn van die dingen waarvan je voelt dat ze waar zijn.
...

Op de maan ruikt het naar buskruit, lees ik ergens. Je vraagt je af hoe ze daar bij komen. Met hun eigen snufferd kunnen de astronauten het niet hebben geroken, want op foto's dragen ze altijd zo'n glazen bokaal. Misschien roken de maanstenen die ze meebrachten zo. Geen idee. Maar ik geloof het wel, dat het naar buskruit ruikt op de maan. Het zijn van die dingen waarvan je voelt dat ze waar zijn. Erg lang mag ik daar niet aan denken, aan het feit dat de maan op dit moment bestaat, en op alle andere momenten van mijn leven. Ook als ik bijvoorbeeld lig te slapen. En dat het daar altijd zo leeg is, zo leeg dat ik er koud van word. Zoals op al die andere planeten, in dit zonnestelsel en daarbuiten, waar niets roert en waar het oorverdovend stil is. Ik hou niet van die uitdrukking : "oorverdovend stil". De eerste die ze bedacht heeft, was een geniale vent, maar intussen is ze zo vaak overgenomen dat je verplicht zou moeten worden je mond met zeep te wassen telkens als je ze gebruikt. Geen gewone zeep, maar van die zeep met stukjes lavendel die ik meebracht uit het zuiden van Frankrijk. Om niet aan die ontelbare lege, godvergeten planeten te moeten denken, leg ik een cd op van Joseph Haydn. Een van de 33 die ik bezit en waarop al 's mans symfonieën staan, die doorgaans van aard zijn mij rustig te maken. Vandaag echter niet. Soms gaat het ver. Naar een klassieke cd luisteren, op het hoesje zien dat die in 1988 is opgenomen en je afvragen wie van de strijkers en blazers intussen al gestorven zou zijn. En hoe de cd zou klinken mochten de noten die de dode muzikanten speelden, plotseling op wonderbaarlijke wijze uitgewist zijn. Gelukkig heb ik, voor de momenten waarop dit soort gedachten aan mijn hersenranden knabbelt, nog enkele godvruchtige spreuken liggen uit Scherpenheuvel. Toen ik daar de laatste keer was, heb ik ze in een schriftje verzameld. Wie niet steelt en niet erft, zal werken tot hij sterft. Het zou overdreven zijn te zeggen dat dit soort wijsheden mij met eerbiedige stilte vervult. Liefde is een droom, het huwelijk de wekker. Zo ver is het met onze godsdienst gekomen, dat dit de spreuken zijn die je aantreft in onze bedevaartsoorden. Ze zijn daar in Scherpenheuvel te koop, ik zweer het. Wie mij niet gelooft, kan gaan kijken. Soms vraag ik me af wié ze koopt. Misschien moet ik eens een halve dag rond die kraampjes hangen om zo'n mens aan te klampen en te volgen naar huis, waar hij het bordje met de spreuk plechtig uitpakt en het boven de schoorsteenmantel hangt, een stap achteruit doet, ziet dat het scheef hangt, een van de hoeken een duwtje geeft en vervolgens twéé passen achteruit doet, om de wijsheid nog een keer goedkeurend te mompelen. Het zou geen slecht idee zijn voor het programma Man bijt hond. Maar aan dat programma werk ik niet mee, dus hoef ik er ook geen ideeën voor te hebben. Soms kan mij dat met groot plezier vervullen, al die jobs in de wereld waarmee ik niets te maken heb. Des avonds, in bad, vraag ik mij af wat ik het zieligst vind van alle dingen in de hele wereld. Ik denk zelfs dat ik het weet : een zaadcel die het nét niet gehaald heeft. De zaadcel die als tweede de eicel bereikte, bijvoorbeeld, en die roemloos teruggestuwd werd om alsnog te verdwijnen in de riolering. Die is zelfs zieliger dan pakweg de 17.643ste, die weliswaar minder snel was maar niet de tragiek heeft van de tweede, die met een beetje geluk de eerste kon zijn geweest. Komaan vriend, denk niet aan al deze dingen en zo ze toch al in je opkomen, vertrouw ze dan niet toe aan het geduldige papier. De mensen gaan nog geloven dat je weird bent. Reciteer liever nog een paar spreuken. In weelde en nood deeld moeder haar brood. Die hing vroeger in de living van mijn grootouders. Mijn grootvader kocht ze voor mijn grootmoeder, toen ze eens ongewoon hevig ruzie hadden gemaakt. Ik zie hem er nog mee thuiskomen, in het zonlicht, met zijn deukhoedje en zijn mosterdkleurige DAF 44. Overlopend van goede wil. De dt-fout in de spreuk had hij zelfs niet opgemerkt. Later, toen we via de telefoon zijn dood vernamen, was ze het eerste waar ik naar keek. Nu nog is het de enige dt-fout ter wereld waarvan ik moet slikken als ik ze zie. Jean-Paul Mulders