De Boeing 747 zweeft over de luchthaven van Kansai, op het artificiële eiland voor de kust van Osaka. De grijsbewolkte lucht suggereert een kille herfstdag, maar de stem van de flight attendant (zacht, zoals dat hoort) fluistert dat de thermometers op de begane grond op deze vroege zomerochtend 35 graden aanwijzen: Japan, zo blijkt, is 's zomers heet en vochtig.
...

De Boeing 747 zweeft over de luchthaven van Kansai, op het artificiële eiland voor de kust van Osaka. De grijsbewolkte lucht suggereert een kille herfstdag, maar de stem van de flight attendant (zacht, zoals dat hoort) fluistert dat de thermometers op de begane grond op deze vroege zomerochtend 35 graden aanwijzen: Japan, zo blijkt, is 's zomers heet en vochtig. In de stille, bijna klinische luchthaven van architect Renzo Piano wacht een trein. Die oogt, anders dan we hadden verwacht, niet bijzonder modern of vooruitstrevend. Spitstechnologie in een oud-futuristische carrosserie: ruim, comfortabel, met buitenmaatse ramen. Vanaf het luchthaveneiland strekt een eindeloze brug landwaarts. Aan het uiteinde ervan rijst een geheimzinnige wolkenkrabber, waarachter Japan officieel begint. De trein rijdt in sneltempo naar Kyoto. Het traject van één uur leidt voorbij het eindeloze stadslandschap: sombere flatgebouwen, naast in kippengaas verpakte golfterreinen, naast eengezinswoningen, naast fabrieken. Het centraal station van Kyoto zit verstopt onder een kolossaal postmodern gebouw, dat vaag doet denken aan een aangesneden slagroomtaart. Vanaf de gelijkvloerse verdieping schiet een roltrap de hoogte in, immer rechtdoor. Ergens onderweg, tussen de vierde en de vijfde verdieping, kruisen we een jongen wiens polohemd precies dezelfde kleur heeft als het onze, wat ons beiden verbaast. In de ene helft van het stationsgebouw zit onze hotelkamer, in de andere helft zit een warenhuis, waar de caissière eigenhandig onze maten zal opnemen voor ze ons een afgeprijsd T-shirt durft te verkopen. In de catacomben van het stationscomplex lunchen we in een restaurant waar de traditioneel geklede diensters uitsluitend Japans spreken. Ook de menukaart is, voor mij althans, onverstaanbaar. We gokken, en gokken goed.Een goede gok, daar hoopt ook Jean-Louis Dumas op. De 63-jarige erfgenaam en dirigent van Hermès inviteerde ons (een veertigtal journalisten uit de hele wereld) om de opening bij te wonen van het fonkelnieuwe Hermès-huis in Tokio. De man kijkt tevreden terug op de betrekkingen tussen zijn merk en de archipel. "Onze aanwezigheid hier is een werk van lange adem", zullen we hem tijdens de opening horen uitleggen. Hermès, opgericht als zadelmanufactuur in 1837, is actief in Japan sinds 1961. De belangrijke distributiegroep Seibu werd in 1965 de officiële verdeler van het merk. In 1978 werden de eerste Japanse winkels geopend. In 1985 verwierf de familie Hermès de controle over Hermès Japon, tot dan toe in handen van de familie Tsutsumi van Seibu ("We blijven zeer goede contacten behouden met de grote warenhuizen," aldus Dumas, "maar het is een enorm verschil als je de sleutels hebt van je eigen wijnkelder"). Op dit moment wordt al 25 procent van de omzet in Japan verwezenlijkt, tegenover 22 procent op de Franse thuismarkt. Het glazen huis van Renzo Piano moet de apotheose worden van deze reis. Eerst wil de gastheer ons wat van het land laten proeven. De groep wordt naar een oud theehuis gevoerd voor een authentieke theeceremonie, al hoeven we niet allemaal op onze knieën te gaan zitten. De groene thee is voor onze westerse smaakpapillen verzacht, meldt de ceremoniemeester (wat wellicht sarcastisch is bedoeld, maar de vertaalster geeft geen krimp) en smaakt naar soep. Voor de avondmaaltijd, half in de open lucht, worden we naar een tempel gebracht in de heuvels ten oosten van Kyoto, in het mooiste landschap ter wereld, met een bos van bamboe dat reikt tot aan de wolken. Een folder leert dat de Kodai-ji-tempel anno 1605 werd gebouwd door een adelvrouw, Kita no Mandokoro, als monument voor haar overleden echtgenoot, Shogun Toyotomi Hideyoshi. Maar de folder zegt niets over de lucht, die zwaar is van wierook en brandende toortsen, en van de geluiden van een fluitspeler en kwakende kikkers. De volgende ochtend flitsen we door een spoedcursus Japan. Per Shinkansen, de lokale hst, gaat het naar de provinciestad Okayama. Een groot gedeelte van het traject ligt ondergronds, maar we zien ook groene heuvels, rijstvelden en de zee. Aan het station wacht een autocar van de maatschappij Dear Friends, met een druiventros als bedrijfslogo, elke druif is een smiley. We rijden naar de haven over een Amerikaans aandoende autoweg. Een middelgroot schip vaart ons naar Naoshima, een eiland van klein formaat in de Japanse binnenzee. In het water liggen doodgebloede vulkanen, kegelvormige bergen. In de verte schuiven repen stad dichterbij, en een ellenlange brug. De bezienswaardigheden van Naoshima zijn een museum met bijbehorend hotel van Tadao Ando, een van de vermaardste Japanse architecten. Omstreeks vier uur 's middags vaart het schip ons naar Takamatsu, een stadje aan de overkant van de binnenzee, waar een lijnvliegtuig van JAS wacht. We gaan onmiddellijk door de knieën voor de slagzin van de maatschappij - Good Speed Always en voor de tekenfilmpjes met veiligheidsvoorschriften. De busrit vanuit Haneda, de oude internationale luchthaven van Tokio, is adembenemend. De skyline van Tokio leeft, de hoofdstad ademt. Elk hoog gebouw heeft in zijn nok verschillende rode lampjes, die traag aan- en uitgaan, en er zijn honderden van die hoge gebouwen. New York is vlug vergeten als je in Tokio aankomt.Diezelfde avond worden we in een lift gestopt naar de 38ste verdieping van een wolkenkrabber voor een maaltijd in een exclusief restaurant van de Ark Hills Club. We staren met open mond door de ramen naar het stadsweefsel dat zich onder onze voeten uitstrekt. Daar, in het hart van de zakenwijk Ginza, rijst La Maison Hermès, een baken van licht, dat zijn betovering strooit over een van 's werelds drukste kruispunten, en over een mysterieus, donker labyrint van fastfoodrestaurants en voedselkraampjes. Rondom tienduizend neonreclames, die bij valavond allemaal tegelijk oplichten, als sterren in de hemel. Maar 's ochtends, nog voor de opening, is het gebouw maagdelijk en wit. Dit is, in tegenstelling tot wat de naam suggereert, geen bescheiden huis, wel een toren met veertien verdiepingen, waarvan drie onder de grond (met toegang tot een metroknooppunt). De gevel, die geheel uit vierkante glazen blokken werd opgetrokken (13.000 stuks), is eenvoudig en massief, en heeft iets van een imaginair flatgebouw uit Duckstad, waar Donald Duck zijn residentie heeft. De andere, meer salonfähige referentie is het Maison de verre, de opvallende dokterswoning van Pierre Chareau in Parijs. De blokken meten 45 bij 45 centimeter, precies de maat van een opgevouwen zijden carré Hermès, maar dat zou toeval zijn. Chareau gebruikte blokken van 22 bij 22 centimeter. Architect Renzo Piano (64 jaar, vader van het Centre Pompidou in Parijs en van de bovenvermelde luchthaven van Kansai) raakt niet uitgepraat over zijn glazen gevel: "Glas is nooit hetzelfde. Glas is ambigu." Hij vindt dat het gebouw overdag stilte uitstraalt, en mysterie. 's Avonds is het effect dan weer magisch. "Elke glazen steen is anders: als je goed kijkt, zie je de oorspronkelijke druppel in de moule. De tegels zijn niet met de hand gemaakt, maar je ziet nog sporen van handwerk: dat is typisch voor traditionele architectuur. In de hedendaagse bouwkunde komt dat niet zo vaak voor. De façade is als een organische huid die beweegt. Overdag komt het licht naar binnen. 's Nachts straalt het licht uit. Van hieruit gezien is Ginza 's nachts een kaleidoscoop, een magische lantaarn: als de avond valt, wordt alles anders. Het sprankelt. Door het glas lijken de kleuren als een schilderij. De muur is als een waterval." Maar de glazen wand is vooral ook een gordijn, dat langzaam kan bewegen en zo moet weerstaan aan eventuele aardbevingen. Ongeveer de helft van het gebouw bestaat uit winkelruimte, met aparte afdelingen voor elk van de metiers waarin Hermès gespecialiseerd is (het opvallendste recente product is een draagtas voor Aibo, de robothond van Sony). De rest van het Maison Hermès biedt ruimte aan kantoren, een tentoonstellingszaal, een atelier voor bijzondere bestellingen en herstellingen, een kleine bioscoop en een miniatuurmuseum, het Album Hermès. Die ruimte is ingericht als een kleine privé-kliniek door de designer Hilton McConnico. Worden onder meer gepresenteerd: een automatisch polshorloge uit 1930, een kit voor paardrijders uit de negentiende eeuw; een zilveren muntstuk met de beeltenis van Louis XV waarvan een sleutelring met nagelknipper is gemaakt (uit 1960); een radiatorkap voor automobiel uit de vroege twintigste eeuw; een etui voor liefdesbrieven; een matadorhandschoen. Op het dak van het gebouw staan een paard en ruiter in romantische stijl, als een echo van het moederhuis aan de Faubourg Saint-Honoré. Boven de hoofdingang hangt een meer dan vijf meter hoog sculptuur van Susumu Shingu, een hommage aan de kosmos. Het Maison werd ingericht door Rena Dumas, de echtgenote van grote baas Jean-Louis Dumas. Hermès moet naar de toekomst kijken en tegelijk zijn hand op zijn Kelly-tas houden. Anders gezegd: we zijn handwerkers. We beschouwen onszelf niet als kunstenaars", zegt Dumas op de opening. "Voor de handwerker is het contact met de klant essentieel. Een handwerker die maar blijft herhalen wat hij heeft geleerd, wordt statisch: het komt erop aan de geest van het werk te bewaren, maar met je tijd mee te evolueren." Met de bouw van la Maison Hermès is een uiteraard een enorme investering gemoeid. "Aangezien ik enige verantwoordelijkheid heb voor het betalen van dit gebouw, kan ik zeggen dat de kosten van het gebouw de helft uitmaken van de volledige factuur", grapt Dumas. Wat wilt zeggen dat het terrein evenveel heeft gekost als de wolkenkrabber zelf. "Bij Hermès doen we niet graag geld op, maar we investeren graag." Hij heeft zelf het project gekozen voor zijn terrein in Ginza, dat amper 580 vierkante meter groot is (in het gebouw is meer dan zesduizend vierkante meter ruimte). "Het gebouw heeft lang Project 15 geheten. Ik heb veertien andere projecten bestudeerd en afgewezen. Ik weet niet wat de gevolgen zullen zijn van dit huis voor de resultaten van Hermès in Japan", zegt Dumas. "We zijn zeer precies over wat we gedaan hebben. En zeer geheimzinnig over wat we gaan of kunnen doen. Maar kom volgend jaar terug, en dan presenteren we u de resultaten. We bestaan nu veertig jaar in Japan. Er is een wederzijds respect en genegenheid, en ons zakencijfer hier blijft stijgen, we zijn bijna elk jaar gegroeid." Na de officiële opening van La Maison Hermès rennen we de metro in. En we blijven rennen, tot vier uur 's ochtends. We belanden die nacht onder meer in de immense doolhof van de vismarkt. Het is, omstreeks halftwee, te vroeg om vis te zien, maar het ballet van aan- en afrijdende vrachtwagens is al spectaculair genoeg.We dwalen verder, zonder stratenplan, langs stille, veelal propere maar allesbehalve afgelikte boulevards. Voorbij een stort van afgedankt bureaumeubilair en dode computers. Voorbij een eenzame fastfoodkraam die toch vol zit. Voorbij kanalen in Amsterdamse stijl en convenience stores die Lawson heten, als in het Wilde Westen. Maar voor we naar Hotel Imperial terugkeren (afspraak in de lobby om zes uur 's ochtends voor de terugvlucht), wandelen we nog eens voorbij de kathedraal van licht, die ook in het holst van de nacht straalt. We vergeten te kijken of er, zoals dat past, al volk staat aan te schuiven. Als we daaraan denken, zitten we al in een vliegtuig naar huis. Jesse Brouns