Een designer zou ik Eric De Queker niet noemen, misschien wordt hij dat wel, omdat hij een gevoel heeft voor trends. Hij ontpopt zich langzaam tot een vormgever die zijn gading vindt in leder. "Een prachtig materiaal, niet?" vertelt hij met een groot vel leer in de hand. "Zo soepel, zo mooi. Ik hou ook van de natuurlijkheid van dit materiaal. Een stuk leer mag een litteken hebben. Het hoeft niet volmaakt te zijn, precies zoals een mensenhuid."

De Queker bepleit de terugkeer van leder in het interieur. Zopas ontwierp hij zelfs een collectie leren gordijnen. "Ze kunnen ook gemaakt worden van geperforeerd leer, dat een klein beetje licht doorlaat: zeer verrassend", legt hij overtuigend uit. Maar hij heeft ook leren tapijten, onderleggers voor glazen en dienbladen en zitbanken, overtrokken met runderhuid. Binnenkort stelt hij een wandconsole voor zonder leer. Langzaam breidt zijn collectie zich dus uit van het interieurobject tot heuse meubelen.

Eric laat de leren objecten meestal in zijn eigen atelier maken, zodat hij nauw betrokken blijft bij de productie. Maar hij is meer dan een ontwerper alleen, hij presenteert zijn bedrijf op internet en de winkel die hij onlangs geopend heeft bij het Sint-Jansvliet (Oever 28) is een soort workshop voor aparte ontwerpers. Die piepkleine winkel, gehuisvest in de bekende etalage van de vooroorlogse tegelhandel Sturm, is ook een studio, met achterin een klein ontwerpatelier.

In de tentoonstellingsruimte vind je werk van de ontwerpers die de firma DQ vertegenwoordigt: zilver van Annick Tapernoux, lampen van Idir Mecibah, kleding van Annemie Podevyn en uiteraard ook zijn eigen ontwerpen. "Het gaat om een zeer subjectieve selectie van dingen die volgens mij bij elkaar passen", zegt De Queker. Sommige items werden gemaakt in samenwerking met Nathalie Van Reeth, zoals de met runderleer overtrokken poef. Van haar kubistische dienblad brengt DQ ook een luxeversie op de markt met zilveren handvatten en een leren placemat.

Het interieur van Eric De Queker verraadt een voorliefde voor exquise materialen. Hij bewoont een riant appartement uit de jaren dertig, dat verbazend opulent is gestoffeerd. Het flatgebouw werd opgetrokken voor de wereldtentoonstelling van 1930 en ter gelegenheid van het eeuwfeest van ons land. Antwerpen was na de opening van de Van Cauwelaertsluis in 1928 aan een heuse revival toe. Naast de bouw van de eerste Europese wolkenkrabber, de Boerentoren, kwamen er nieuwe wijken in en om de oude stad. Vooral de zuidkant van de stad kreeg een verrassend modern uitzicht, met veel art deco en modernistische gebouwen.

De burgerij veranderde ook haar levensstijl. De stadswoning werd ingeruild voor een villa of een flat. Het appartement van Eric De Queker is daar een mooi voorbeeld van. Om de bewoners toch het comfort en de sfeer te bieden van een herenhuis ontwierp de architect achter elkaar liggende salons met grote vensters, die zoveel licht binnenlaten dat de vrij lage zoldering niet opvalt. Tot dan hadden alle herenhuizen immers hoge plafonds, wat moeilijk vol te houden was in een flatgebouw. Ook de rijke decoratie roept de sfeer op van een klassieke residentie.

Dat deze flat voor een houthandelaar werd ingericht, verwondert ons niet, want zelfs de omlijstingen van deuren en ramen en de plinten zijn gefineerd met thuja- en amboinahout. Wellicht deed de bouwheer daarvoor een beroep op de vermaarde firma Franck die als ensemblier-decorateur woningen inrichtte en meubelen maakte.

Uiteraard heeft Eric De Queker de originele afwerking bewaard. Meer zelfs, hij maakt er dankbaar gebruik van. Door met donkere wanden te werken benadrukt hij de typische art-decostijl. Het geraffineerde palet en de vele elegante meubelen en voorwerpen zorgen voor een hedendaagse versie van de pakketbootstijl. De woning straalt ook een ongewone intimiteit uit. De Queker voelt zich immers geen saaie functionalist die zweert bij een zuiver zakelijke stijl, daarvoor is hij te veel gesteld op verfijnde luxe.

PAGINA 112-113

Piet Swimberghe / Foto's Jan Verlinde