Tekst en foto's Mark Gielen
...

Tekst en foto's Mark GielenIn het noorden is het land Sahel, droog, heet en stoffig, met schapen- en geitenhoeders, met wilde landschappen, dorpen en markten waar Fulani wedijveren met de Podoko, Mandara en Kirdi uit de bergen. In Maroua of Mora komen ze bijeen, een weelde aan mensen en kleuren. Naar het zuiden is het land leeg, maar oneindig groen : twaalf uur heeft de nachttrein nodig om door savanne en ondoordringbaar regenwoud de hoofdstad Yaoundé te bereiken. Zo groot en verscheiden is Kameroen. Veel van de provincies heeft het met windstreken bedacht : oost voor de dichtste jungle, west voor de chefferies, het noorden voor een land van animisten en moslims. In het hart ligt niet het centrum, maar de groene provincie Adamaoua met Ngaoundéré als hoofdstad. Voor ik doorreis naar het tropische zuiden wil ik bekomen van de overrompelende taferelen van het noorden : bizarre rotsformaties in Rhumsiki, weefsters in Mindif, een bezoek bij de koning van Oudjilla, erfenis van de Sao en het paleis van Pouss, het nationaal park van Waza, de markten, muziek en dansen, de gezichten van de mensen. Ngaoundéré lijkt me met idyllische landschappen, dorpen, meren en watervallen een goede plek om te verpozen. Verkeerd gedacht, ik weet niet wat me te wachten staat. De straat met haar mangobomen is opgewonden. Door de drukte van de markt en de winkels langs de rue de la Grande Mosquée trilt zenuwachtigheid. De stad, overwegend islamitisch sinds de Fulani in het begin van de negentiende eeuw de lokale Mboum onderwierpen, maakt zich op voor het feest dat het einde van de ramadan viert. Vasten, de strikte regels voor onthouding en bezinning maken straks plaats voor uitgelaten vreugde. Op de weg van rood aangestampte aarde verschijnen muzikanten en ruiters te paard. Ze zijn getooid in kleurrijke kledij, ze dragen waardigheidstekens en wapens, zwaarden en dolken, ze pronken als krijgers uit lang vervlogen tijden, begroeten elkaar, lachen en geven orders aan hun knechten. Steeds meer mannen verzamelen op het plein voor het Palais du Lamido, waar Mohamadou Hayatou Issa met zijn vrouwen en hofhouding nog altijd de lokale gezagsdrager is. "Al sinds 1835 staat de Lamido aan het hoofd van de chefferie traditionelle. In tribale samenlevingen is zo'n lokale heerser erg geëerd", zegt mijn gids Dabala. "Je vindt ze in heel Kameroen, bijvoorbeeld in Oudjilla en Bandjoun, of in Ngaoundéré dat een van de grootste Lamidats in het noorden van het land is. Zo'n chefferie, als ze gesticht is door islamitische Fulani, heet een Lamidat. Een Lamido is zowel de bewaarder van het gewoonterecht, de hoeder van religieuze waarden als de vertegenwoordiger van de publieke macht, die nauw samenwerkt met de nationale regering." Op het plein, met de moskee en de betonnen gevel van het paleis, stroomt nog volk toe, vrouwen met waterkruiken en jongens die er in hun mooie gewaden geleerd uitzien. Langs de poort stap ik binnen in het paleis. Op een binnenplein is een rond huis met puntdak van stro gebouwd als een saré, een Haousa-woord om de traditionele architectuur aan te geven. Wachters en knechten staan rond te lummelen, wachtend op hun baas. Achter een aarden muur liggen de privévertrekken met ontvangstzaal, de kamers van de chef, de case de la reine mère en de vertrekken van de echtgenotes en hun kinderen. Een man, hoger in rang, houdt een witte schimmel aan de teugels : de hengst waarop de Lamido meteen begint aan de optocht naar de moskee, voor het belangrijkste gebed van de week. Al is iedere vrijdag een bijzondere dag, vandaag is die extra bijzonder : de stad viert Djoulde Soumai, het einde van de vastentijd. Meer dan anders zijn alle mannen, te voet en te paard, uitgedost in hun kostelijkste kledij. Hoogwaardigheidsbekleders in kleurrijke boubou, dienaren, paardenmenners, muzikanten. Maar niemand kijkt indringender dan de voorloper. Daarnet, voor het vertrek, toen iedereen in het gewriemel zijn plaats in de stoet zocht, keek hij me aan, demonisch, met de ogen van een luipaard, de blik op scherp om te onderzoeken of ik geen slechte bedoelingen had, ik maakte een foto, hij keek bezwerend, toen lachte hij en dat deed ik ook. Nu leidt hij de parade, versierd met ex voto's en sieraden uit een andere kosmos, met in de hand een houten wichelroede waarmee hij de weg effent voor de koning en zijn gevolg. Hij speurt naar boze geesten, die de plechtigheid kunnen verstoren. Soms bliksemen zijn ogen en zie ik hem prevelen, hij ruimt baan, scheidt het aardse stof van een dreigend elders. Zonder hem geen optocht. In z'n spoor loopt een cohorte van soldaten, gevolgd door een trompettist waarvan ik me inbeeld dat hij in het leger van Alexander de Grote heeft gediend. En dan voetvolk, milities en de mannen te paard als voorboden van zijne hoogheid. En dan, in het rood, de lijfwacht waarvan iemand me toefluistert, alsof we in de middeleeuwen leven, dat het geen knechten maar slaven zijn. En dan op zijn schimmel de Lamido, trots en gesluierd, omringd door notabelen en mannen die met een parasol de zon moeten temmen. En dan weer voetvolk en honderden mensen die samen met hun chef het einde van de ramadan willen gedenken. Er is maar één tijd in de wereld, maar deze is anders dan de mijne, ik loop door een fascinerend tijdsgewricht dat m'n zinnen ontregelt, me door een Afrikaanse wereld loodst waarvan ik niet vermoedde dat ze bestond. Zo uitbundig en lawaaierig de stoet door de straten trekt, zo ingetogen, onderworpen en verstild is de menigte op het grote plein onder de bomen. Nu is slechts één man de gelijke van de koning : met zekere stem houdt de imam een toespraak die ik niet begrijp, behalve de telkens terugkerende lofzang op de grootheid van Allah en zijn profeet, hij vlamt woorden over de massa die met gebogen hoofd luistert naar de religieuze leider, die de ontberingen looft en zijn geloofsgenoten bij het eindigen van de vasten een tijd van voorspoed en geluk belooft. Helemaal alleen sta ik tussen devote moslims, de rode knechten staren naar hun lans, mannen in lange gewaden vouwen de handen, brengen ze naar hun aangezicht, ze kloppen zich zachtjes op de borst en pulken aan de bidkralen die door hun vingers glijden. Breekbare gebaren van een andere religie, iedereen richt zich op, een collectief Allahu akhbar stijgt op, iedereen knielt behalve de lijfwachten die op elk ogenblik moeten klaarstaan om hun meester te beschermen. De zon brandt, ik kijk uit over gekromde ruggen, wissel een korte blik met de voorloper, dank de imam en groet de koning die opstaat, zijn paard bestijgt en met zijn vredig gevolg in de opgewekte massa verdwijnt. Ngaoundéré is een doorgangsstad, een schimmige lijn tussen het noorden en zuiden van Kameroen, waar etnieën en religies vredig naast elkaar leven, waar een mild savanneklimaat de overgang van regenwoud naar steppe draaglijk maakt. Met kerken, moskeeën, de markt van Baladji en haar verscheidenheid van gezichten, kledij en kleuren rijd ik de stad uit voor de hemel van het platteland. Zo puur zijn de kleuren, zoals de rode piste door de heuvels trekt, met granietblokken en bananenbomen in een zee van groen, fietsers, honingkramen aan een kruispunt en Fulani-herders in de velden. Bij het meer van Mbalang liggen rondom vulkanische heuvels die de stad haar naam hebben gegeven : de berg van de navel. "Ngowun is berg en dére is navel in het Mboum", lacht Dabala. Ik maak een wandeltocht naar de waterval van Tello, die zich breed en vijftig meter diep naar beneden stort : fijne waterdruppels, vogels, weelderig landschap. Een paar kilometer verder bereiken we het dorp Idole, op weg naar de Centraal-Afrikaanse Republiek. Rode zandwegen zijn geboord met hoge bomen en nog rodere muren. Rond de hutten met rieten puntdaken kringelt rook omhoog. Oude mannen fietsen voorbij en groeten, meisjes kijken met grote ogen en zwaaien met henna beschilderde handen naar de onverwachte bezoeker. Voorbij een deuropening zit een moslimfamilie rond een vuurtje, de vader, zijn vrouwen en vele kinderen. De muur van de Lamidat is beschilderd met abstracte patronen, de chef ontvangt me in alle nederigheid : "Welkom in mijn huis, moge God je zegenen", zegt Mohamadou. Binnen dit afgesloten universum leeft een gemeenschap haar dagelijkse rituelen : kinderen voeden, weven, henna aanbrengen, een grootmoeder rust uit van het harde leven dat ze lang heeft geleid, de Lamido gaat me voor in zijn vertrekken en schenkt me een kopje koffie. Idole staat niet op de kaart, er is misschien niets te zien, maar met die kleuren, de gastvrijheid en vredige rust voel ik me de welgekomen gast in een Afrikaanse tuin van Eden. Een dag na het vrijdaggebed zijn de paarden nog mooier versierd : de fantasia is voor alles ruiterkunst, tussen trotse parade en herinnering aan een krijgshaftig verleden. De ruiters met hun gebaren, begroetingen en rituelen zijn vastberaden. Bij het paleis zitten notabelen en een minister uit de hoofdstad. Aan de einder van de brede zandweg, staan stippen die eerst verdwijnen in een stofwolk, dichterbij komen en profiel krijgen, vijf ruiters op rij die zich uit stof en gejoel losmaken, naast elkaar in gestrekte galop, harmonisch maar ook wild en ongetemd. De menigte jubelt. Paarden hollen voorbij, hoefgestamp op een ritme van drums, in m'n verbeelding kijk ik naar een schilderij van Delacroix. Opgewonden kerels met lans en wapperende gewaden, versieringen en juwelen, slaken kreten en jubelen. Net voor de tribune steigeren de paarden en komen bruusk tot stilstand. Woeste taferelen herhalen zich : nog zes paarden op rij, en nog en nog en nog, tot ook de Lamido met een lans in de hand een ereronde maakt. Het is verbijsterend. Diep in dit hart van Kameroen, op die stopplaats waar ik even wou uitrusten, hebben de zintuigen geen tijd om te bekomen van zoveel aangrijpende beelden. Verzadigd van de kleuren, gebaren, blikken en rituelen van Ngaoundéré zet ik me in de vooravond met een biertje op een gammel terras bij het station, stap op de nachttrein die me duizend kilometer verder naar de koningshuizen van het zuiden moet brengen, ik zoek m'n slaapvertrek, droom van een bijzonder Afrika en ontwaak uren later op het ritme van ijzeren wielen.