Het ijzeren hek valt achter ons dicht. We zijn nog geen vijf meter ver op de oprijlaan van de pastorie, en ik moet al op mijn passen terugkeren om een jeugdliefde te begroeten. 'Mademoiselle Meilland' wenkt met haar zachte parfum dat, telkens weer, wekt wat je vergeten waant. In de schaduw van de kerk slingert het pad naast de bakstenen muur van een aanpalende tuin en het kerkhof. De border is deftig beplant met parkrozen die een scala van lichtroze tot vermiljoenrode bloesems dragen. Japanse anemonen maken zich stilletjes op voor het bloeiseizoen terwijl het vingerhoedskruid, op drie tot vier kelken in de top na, bijna is uitgeteld. Te midden van de reigersbek staat, als burgerlijkste van heel het rozengezelschap, Mademoiselle Meilland. Terwijl ik mijn neus poeder met het stuifmeel van haar meeldraden, luiden de klokken vijf uur. Er is maar één geldig excuus om een minuut later dan afgesproken bij een oprechte tuinman of -vrouw aan te bellen. Namelijk dat 'die bloem' of 'dat kruid' je op weg naar de voordeur heeft opgehouden.
...