Ons Gisèle heeft een snee van hier tot in Heverlee", lachten mijn zusjes sinds ik dat groot litteken had. Ik was zeventien en kreeg al wekenlang mijn kleren niet meer dicht. Niemand had iets in de gaten, tot ik ondraaglijke pijnen kreeg. Mijn moeder zag mijn gezwollen buik, schrok zich rot en belde mijn vader die meteen naar huis kwam. Mijn vader was gynaecoloog en verbonden aan een van de universitaire ziekenhuizen in Leuven. Hij bekeek me, betastte mijn dikke buik en zei zacht, maar ook dwingend : "Vertel maar. Ik zal niet boos zijn als je zegt wat je gedaan hebt." Ziek van de pijn probeerde ik hem te overtuigen : "Ik heb niets gedaan. Ik zweer het." Hij vroeg of hij me inwendig mocht onderzoeken. Ja, dat mocht hij, als die pijn maar ophield. Een paar dagen later heeft een van zijn collega's een gezwel uit mijn lijf gehaald, zo groot als een voetbal. Ze dachten dat ik zwanger was, maar dat was niet zo. Ik zou niet gedurfd hebben. Ons werd met de paplepel ingegeven dat je niet met elkaar naar bed ging voor je getrouwd was. "En pas maar goed op", dreigde mijn moeder. "Ik kan het aan je ogen zien als je het gedaan hebt."
...

Ons Gisèle heeft een snee van hier tot in Heverlee", lachten mijn zusjes sinds ik dat groot litteken had. Ik was zeventien en kreeg al wekenlang mijn kleren niet meer dicht. Niemand had iets in de gaten, tot ik ondraaglijke pijnen kreeg. Mijn moeder zag mijn gezwollen buik, schrok zich rot en belde mijn vader die meteen naar huis kwam. Mijn vader was gynaecoloog en verbonden aan een van de universitaire ziekenhuizen in Leuven. Hij bekeek me, betastte mijn dikke buik en zei zacht, maar ook dwingend : "Vertel maar. Ik zal niet boos zijn als je zegt wat je gedaan hebt." Ziek van de pijn probeerde ik hem te overtuigen : "Ik heb niets gedaan. Ik zweer het." Hij vroeg of hij me inwendig mocht onderzoeken. Ja, dat mocht hij, als die pijn maar ophield. Een paar dagen later heeft een van zijn collega's een gezwel uit mijn lijf gehaald, zo groot als een voetbal. Ze dachten dat ik zwanger was, maar dat was niet zo. Ik zou niet gedurfd hebben. Ons werd met de paplepel ingegeven dat je niet met elkaar naar bed ging voor je getrouwd was. "En pas maar goed op", dreigde mijn moeder. "Ik kan het aan je ogen zien als je het gedaan hebt." Ik groeide op in een katholiek gezin, als nummer vijf van negen kinderen. Precies de middelste : vier voor en vier nà mij. Misschien dat ik daardoor uit de boot viel. Ik kreeg bijvoorbeeld nooit nieuwe kleren en moest de spullen van mijn oudere zussen afdragen. De zusjes na mij kregen wel weer nieuwe kleren, want na mij waren ze versleten. Ik heb me al vaak afgevraagd of mijn uitpuilende kleer- en schoenkasten daar een gevolg van zouden zijn. Alsof ik er nooit genoeg van kan hebben. Toen ik bijna volwassen was, besefte ik dat onze ouders echt rijk waren. Mijn vader verdiende heel veel geld, maar wij leefden zeker niet in luxe. Niet alleen waren ze zuinig op kleding, wij kregen bijvoorbeeld ook nooit nieuwe fietsen, alleen tweedehandse. Wel gingen mijn ouders drie keer per jaar op reis. Eén keer met zijn tweeën. Met Pasen mochten om het jaar de vier oudsten of de vier jongsten mee. Ik moest dan thuisblijven omdat ik toch altijd wagenziek was. Maar tijdens de zomervakantie gingen we met zijn allen. Ik voorin bij moeder op schoot, anders kotste ik alles onder. Een ware volksverhuizing, elf mensen in één Fiat 1800 stationwagon. De kinderen gingen vroeg slapen, onze ouders laadden de auto in. Omdat àlles op het dak moest, was de bagage per persoon tot het minimum beperkt. Eén badpak of zwembroek, één lange broek, één korte, twee hemdjes, twee onderbroeken, twee paar sokken... Om twaalf uur 's nachts werden we gewekt en kreeg elk kind een valium. Acht uur later werden we wakker en waren we bijna op onze bestemming. Toen ik zestien was, leerde ik Rudi kennen. Pas acht jaar later zijn we getrouwd, toen we allebei afgestudeerd waren. Ik was 24, en ben als maagd in het huwelijk getreden. We vreeën wel, maar nooit all the way. Rudi was een vriend van mijn oudste broer. Wij woonden in Leuven in een reusachtig oud huis, met van die diepe brede vensterbanken waar je kon in zitten. Op een dag zaten Rudi en ik daar te kletsen en te lachen en plots zei hij ernstig : "Ik snap niet dat iedereen jou zo vervelend vindt. Je bent helemaal geen pestkop, je bent heel lief." Ik was nog niet verliefd op hem, maar toen ging ik voor de bijl. Eindelijk eens iemand die mij lief vond. Dat was nog nooit gebeurd. Kun je je voorstellen dat mijn moeder me ooit een ijspegel gaf voor mijn verjaardag ? Met een kaartje erbij : "Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de koudste van het land ?" Ik heb me groot gehouden, maar ik heb tot diep in de nacht liggen janken. En nu was er iemand die mij liéf vond... Op zijn begrafenis twintig jaar geleden, zaten Rudi's broers en zussen op te sommen wie allemaal een goede man voor me zou zijn, en met wie ze me in contact zouden brengen, want ik was toch veel te jong om met twee kinderen als weduwe alleen achter te blijven ? Toen hen ter ore kwam dat ik Gilbert had leren kennen, heb ik niemand van die familie nog gehoord of gezien. Ze vonden het een schande, om zo kort na Rudi's dood al een andere man te hebben. Hoe mijn eigen intellectuele ouders reageerden op Gilbert die maar tot zijn zestiende naar school is geweest en zijn hele leven in de horeca heeft gewerkt ? Mijn vader heeft dat niet meer meegemaakt. Hij begon toen al te dementeren. Mijn moeder was van bij het begin dol op hem en ze is dat ook altijd gebleven. Vier maanden na Rudi's overlijden ging ik op oudejaarsavond met vrienden naar een feestje. Mijn hoofd stond er helemaal niet naar, ik had er absoluut geen zin in. Op 21 augustus was Rudi gestorven. Hij voelde zich al een paar dagen niet zo best, en de ochtend dat we weer aan het werk zouden gaan in onze boekhandel, stelde ik voor dat hij thuis zou blijven. Ik kon het die dag wel alleen aan. Maar Rudi wilde per se mee. Hij bleef in de winkel, terwijl ik in het kantoortje zat met een vertegenwoordiger. Een uur later vond ik Rudi op de vloer achter de toonbank. Hij zag er raar uit en reageerde nergens op. Ik belde een ziekenwagen en ook een van mijn zussen. De eerste ambulance had geen hartapparatuur bij zich. Daarna kwam de tweede, mét hartapparatuur. Het is twintig jaar geleden, maar nog steeds als ik een sirene hoor, krijg ik het steenkoud. Ik kan nog steeds geen ziekenhuisseries zien met hartmassages... Mijn zus en ik werden in het ziekenhuis in een klein kamertje geparkeerd. Na meer dan een uur kwam er eindelijk een vrouw met de simpele woorden : "Mevrouw, ik heb niet zo'n prettig nieuws voor u. Uw man is helaas overleden." Ik had die dag Rudi's horloge aan. Ik heb ze van mijn pols gerukt en ze door de kamer gesmeten. Waarom weet ik niet, maar ik mocht niet naar hem toe. Ik heb Rudi pas weer gezien vlak voor de kist gesloten werd. Uit de autopsie bleek dat zijn aders compleet dichtgeslibd zaten. Nooit geweten. Hij was 44. En ik 39. Vier maanden later. Dat oudejaarsavondfeest bij Michel. ?"Ga toch mee. Bij Michel is het altijd leuk." Omdat ze er wekenlang op hadden aangedrongen, gaf ik toe, om van het gezeur af te zijn. Ook omdat het bij Michel was, al jaren een gemeenschappelijke vriend, oorspronkelijk net als Rudi ook een klasgenoot van mijn oudste broer. Op een gegeven moment kwam Gilbert binnen, hem had ik nooit eerder gezien. Hij begroette iedereen heel hartelijk. Behalve mij. Mij negeerde hij volkomen. Lucht was ik. Ik dacht : ?"Wat een boerenpummel. Onbeschofte lul." Nog geen half uur later stond hij plots naast me. "Wie hoort er hier bij jou ?" Ik : "Niemand." ?"Onmogelijk. Zo'n mooie vrouw. Helemaal alleen. Dat kan niet." Ik zei : ?"Jawel, dat kan wel." We raakten aan de praat. Toen bleek dat Gilbert vaak met een aantal van die vrienden op vakantie naar Italië was geweest. Ik ook, maar toevallig nooit op hetzelfde moment. Iedereen kende mij, iedereen kende hem, alleen Gilbert en ik hadden elkaar nog nooit gezien. Ik zei : "Was jij deze zomer misschien ook in Italië ? Herinner je je dan niet dat enkele mensen terug naar België zijn gereisd voor de begrafenis van een vriend ?" Gilbert staarde me aan. "Was dat jouw man ? Ben jij die vrouw ?" En dan, na een stilte : "Mag ik je drie vragen stellen ?" Eén was : ben je altijd eerlijk ? Twee : hou je van spelletjes ? Drie : kun je tegen je verlies ? Het antwoord was drie keer ja. "Dan heb ik nog één vraag voor je. Over een kwartiertje kom ik om het antwoord te horen. Wil je met me trouwen ?" En weg was hij. Een kwartier later stond hij er terug. En ik zei ja. En half jaar later waren we getrouwd. Dat is binnenkort twintig jaar geleden en ik heb er nog geen dag spijt van gehad. We zijn nog steeds gek op elkaar. Gilbert is het beste wat me ooit is over- komen. - Omwille van de privacy worden in deze rubriek namen en locaties soms veranderd. DOOR GRIET SCHRAUWENNA EEN KWARTIER VROEG HIJ: 'WIL JE MET ME TROUWEN?' IK ZEI: 'JA'