Dat hij zich de voorbije jaren ontpopte tot huisfotograaf van de Nederlandse koninklijke familie was een teken aan de wand. Deze maand volgt een dubbelexpo van zijn vrij werk in Den Haag, deze zomer een tentoonstelling in het Rijksmuseum, dat sinds kort ook over zijn kerncollectie waakt. Om maar te zeggen: Erwin Olaf, zestig in juli, mag zich tot Nederlands meest geliefde fotografen rekenen. Geen kleintje, gezien de compromisloze beelden en de ongezouten meningen waarmee de autodidact sinds de jaren tachtig uitpakt. Zelf ervaart hij het niet zo, zegt Olaf vlak na een bezoek aan Die Keure, de Brugse drukkerij die zijn nieuwe monografie door de persen joeg. "Ik ben niet koste wat het kost rebels - ik wil ook bij de club horen en in de mooiste musea hangen. Maar het is niet het een of het ander. Toegelaten of niet, een kunstenaar moet alles blijven bevragen."
...

Dat hij zich de voorbije jaren ontpopte tot huisfotograaf van de Nederlandse koninklijke familie was een teken aan de wand. Deze maand volgt een dubbelexpo van zijn vrij werk in Den Haag, deze zomer een tentoonstelling in het Rijksmuseum, dat sinds kort ook over zijn kerncollectie waakt. Om maar te zeggen: Erwin Olaf, zestig in juli, mag zich tot Nederlands meest geliefde fotografen rekenen. Geen kleintje, gezien de compromisloze beelden en de ongezouten meningen waarmee de autodidact sinds de jaren tachtig uitpakt. Zelf ervaart hij het niet zo, zegt Olaf vlak na een bezoek aan Die Keure, de Brugse drukkerij die zijn nieuwe monografie door de persen joeg. "Ik ben niet koste wat het kost rebels - ik wil ook bij de club horen en in de mooiste musea hangen. Maar het is niet het een of het ander. Toegelaten of niet, een kunstenaar moet alles blijven bevragen." Je imago van enfant terrible kleeft wel aan je. "Ach, dat was vooral omdat ik in de jaren tachtig en negentig veel naakt fotografeerde. Dan ben je zogenaamd anti-establishment, maar dat is onzin. Ik maakte die beelden niet om te choqueren, maar omdat de huid en het lichaam me fascineren, in welke vorm dan ook. In mijn besloten wereld van krakers en kunststudenten destijds waren naakt en seksualiteit ook geen issue. Tot die foto's in bladen en op affiches stonden en ik tot mijn verbazing ontdekte wat voor ophef een geslachtsdeel of een plukje schaamhaar veroorzaken. Die zaken horen toch ook bij ons lichaam? Hetzelfde overkwam me in 1993 met een naaktbeeld van mijn toen vierjarige nichtje. Ik zag enkel de schoonheid van een ongeschonden kinderlichaam, maar blijkbaar was dat demonisch. Nu moet je helemaal oppassen met zulke beelden. Je kunt ze tonen in een kunstmuseum, met tekst en uitleg, maar elders kom je er niet mee weg." Wil iemand als jij dan niet meteen in de tegenaanval gaan? "Met het ouder worden ontdek je dat de samenleving niet in één richting evolueert, maar met golfbewegingen en spanningen. Netflix illustreert dat het aanbod veel vrijer geworden is, maar daarnaast heb je ook een sterke moralisering en de druk van religie. De schaamtecultuur in het openbare leven is nog toegenomen. Anderzijds denk ik: laat de jongere generatie fotografen nu maar spreken. Qua emancipatie van seksualiteit, van het lichaam en schoonheidsidealen heb ik al zoveel op de nagel geklopt - ik kan enkel in herhaling vallen en als een bittere oude zeur klinken. Ik bén ook niet meer die boze dertiger van toen. Er zijn andere thema's in mijn leven gekomen, en de betweterigheid van weleer voel ik niet meer. Destijds wilde ik je met één harde klap overtuigen van m'n gelijk, nu twijfel ik meer. Als de wereld zegt dat we de ene kant opgaan, wie ben ik dan om het tegendeel te beweren? Wat niet wegneemt dat ik nog altijd vol verontwaardiging de krant lees en dat een kunstenaar bezig moet zijn met de wereld waarin hij leeft. De censuur van naakte beelden in Rome wegens een bezoek van de Iraanse president, de Keulse burgemeester die vrouwen aanmaande om een armlengte afstand te houden van mannen, de aanslagen in Parijs - daar heb ik de voorbije jaren allemaal rond gewerkt. Gelukkig maar, anders vind ik er geen reet meer aan." Na de eeuwwisseling verraste je met kale, introspectieve series als Rain en Grief, rond emoties als verdriet en kwetsbaarheid. Vanwaar de ommekeer?"In 2000 had ik Fashion Victims gemaakt, expliciete naaktbeelden waarop de modellen zakken van luxemerken over hun hoofd dragen, en Royal Blood, met bebloede celebrity's, ter illustratie van onze sensatiedrang. Het jaar daarop volgde Paradise The Club, exuberante tableaux vivants met boosaardige clowns en aanrandingstaferelen - een aanklacht tegen de verkwanseling van de emancipatiestrijd. Achteraf bekeken was dat de afsluiting van een periode in mijn leven: daarna was ik klaar met mijn agressieve, confronterende aanpak. Bovendien gebeurde er heel wat in mijn omgeving - de verslagenheid na 9/11, mijn relatie die stopte, de dood van mijn vader - en werd ik me steeds meer bewust van mijn longemfyseem, een erfelijke aandoening die de dokters midden jaren negentig vaststelden. Al die dingen samen zorgden voor een soort chemische reactie bij mij. En als ik vrij werk maak, is dat het enige waar ik naar luister: naar mijn hart en mijn hoofd." Ondanks het expliciete en politieke karakter van je vrij werk boerde je goed in de reclamewereld. Vreesde je nooit voor je marktwaarde?"Vrij werk heet niet voor niets zo: dan hou je met niemand rekening. En na mijn Silver Lion Award in Cannes voor een spraakmakende Dieselcampagne ( in1998, red.) mocht ik eindeloos veel provocerende foto's maken. (lacht) Rond 2008 had ik dat wel gezien. De opdrachtgevers wilden steeds vaker nietszeggende lifestyleplaatjes - mensen die gelukkig staan te wezen met een product - en ik trok het oeverloos overleggen niet meer. Een uur discussiëren of een truitje nu camel of bruin moet zijn... ik kan beter mijn eigen ei leggen, dacht ik. Bovendien liep mijn vrij werk steeds beter in de kunstwereld. Mijn carrière doet me soms denken aan een zee vol ijsschotsen, waarbij ik altijd op het juiste moment op een andere schots kon springen." De definitieve erkenning door die kunstwereld liet wel op zich wachten. In het Stedelijk Museum in Amsterdam was je jarenlang persona non grata."Ik heb altijd vanuit mijn verbeelding gewerkt, want dan kan ik het beeld helemaal naar mijn hand zetten. Het decor, de styling, de casting, de nabewerking met de computer: alles dient het beeld dat ik in mijn hoofd heb. Alleen was het documentaire genre jarenlang in de mode: fotografie die rauw en droog de werkelijkheid registreert. Groezelige, vlak uitgelichte beelden van mensen en plaatsen met een hint van imperfectie - dat was kunst. De geënsceneerde fotografie daarentegen, die was zogenaamd fake, oppervlakkig en kitsch. Deels terecht, want geconstrueerde beelden zijn snel over the top. De uitdaging is altijd om oprechtheid binnen de onoprechtheid te creëren, een schijn van geloofwaardigheid die een bepaalde emotie overbrengt. Documentaire fotografie manipuleert ook, maar die raakte daar altijd mee weg. Op dat vlak zijn de geesten nu wel gerijpt, denk ik. Al maak ik me geen illusies. Mijn theatrale, barokke manier van omgaan met emoties, daar zitten in de moderne kunstwereld nog steeds mensen van te gruwen." (lacht)Houdt je nalatenschap je sterk bezig?"Toch wel. Mijn ziekte heeft massa's nadelen, maar ook het voordeel dat ik elke dag gedwongen ben om na te denken over de toekomst. Zo is ook de overdracht aan het Rijksmuseum ontstaan: omdat het museum enkele jaren geleden naar me toekwam en ik er in mijn hoofd klaar voor was. Die overdracht geeft me een soort van rust. Als ik morgen dood neerval, leef ik voort. Over vijf generaties trekt iemand de goed uitgeruste lades van het Rijksmuseum open, en daar lig ik dan. Hoe dan ook ben ik niet ongelukkig. Als ik terugblik op mijn leven, zie ik geen zwarte gaten, niets waarvan ik denk 'had ik dit of dat maar gedaan'. Ik heb zoveel ervaringen in mijn zak zitten, zoveel waarderingen - ik heb echt met een gouden rand geleefd."