Als enig kind woonde ik met mijn ouders op de eerste verdieping van een huis in de stad. Op de begane grond bevond zich een dokterspraktijk, waar een echtpaar - Willy en Mariette - conciërge was. Het waren dertigers zonder kinderen die in een appartement achter de praktijk woonden. Mijn moeder had een gouden hart, en mijn vader was een keurige meneer met een goede baan, maar ze hadden een bar slecht huwelijk. Voortdurend maakten ze ruzie, er waren regelmatig vechtpartijen, en ik vergezelde als klein meisje mijn moeder soms in de ambulance op weg naar het ziekenhuis. Willy en Mariette, die ik netjes 'meneer en mevrouw conciërge' noemde, trokken zich mijn lot aan en vingen me op. Ik was altijd welkom bij hen, at er vaak, maakte er mijn huiswerk, en voelde me geborgen bij hen. Mariette was ernstig en stil, Willy was een grapjas en een plaaggeest. Hij was een heel dynamische man met vier jobs: havenarbeider, vrijwillige ambulancier, conciërge-klusjesman bij de dokter, en technicus bij een dansorkest.
...

Als enig kind woonde ik met mijn ouders op de eerste verdieping van een huis in de stad. Op de begane grond bevond zich een dokterspraktijk, waar een echtpaar - Willy en Mariette - conciërge was. Het waren dertigers zonder kinderen die in een appartement achter de praktijk woonden. Mijn moeder had een gouden hart, en mijn vader was een keurige meneer met een goede baan, maar ze hadden een bar slecht huwelijk. Voortdurend maakten ze ruzie, er waren regelmatig vechtpartijen, en ik vergezelde als klein meisje mijn moeder soms in de ambulance op weg naar het ziekenhuis. Willy en Mariette, die ik netjes 'meneer en mevrouw conciërge' noemde, trokken zich mijn lot aan en vingen me op. Ik was altijd welkom bij hen, at er vaak, maakte er mijn huiswerk, en voelde me geborgen bij hen. Mariette was ernstig en stil, Willy was een grapjas en een plaaggeest. Hij was een heel dynamische man met vier jobs: havenarbeider, vrijwillige ambulancier, conciërge-klusjesman bij de dokter, en technicus bij een dansorkest. Toen ik elf was, verhuisden we en verwaterde het contact. Nadat mijn moeder stierf - ik was veertien - ging ik bij mijn grootmoeder wonen. In 1980 stuurde ik Willy en Mariette nog eens een brief en nodigde hen uit. Ik was inmiddels afgestudeerd en had een vriendje. Maar er is nooit iets van een bezoek gekomen. Toch dacht ik nog vaak aan de mooie uren die ik bij hen had doorgebracht, en ik keek zelfs weleens in de telefoongids of ze nog op hetzelfde adres woonden. Met Kerstmis 2003 besloot ik in een ingeving om hen een kaart te sturen. Enkele dagen later belde Willy me huilend op. Mijn kaart was aangekomen, maar de avond ervoor was Mariette overleden. Hij vroeg of ik naar haar begrafenis wilde komen, en dat heb ik gedaan. Ik herkende hem meteen, al had ik hem achtendertig jaar niet gezien. Hij was natuurlijk een stuk ouder geworden, maar hij zag er niet uit als een bejaarde man, eerder als een gedistingeerde heer met een gouden brilletje, die me aan een notaris deed denken. Zelf naderde ik ondertussen de vijftig. Ik was uitgenodigd op de koffietafel en daarna ben ik met 'meneer conciërge' mee naar huis gegaan om wat bij te praten. In zijn boekenkast zag ik een plastic sneeuwmannetje staan dat ooit bij hen op een kersttaart stond en dat hij me plagend afhandig had gemaakt. Dat had hij nooit weggedaan ! We hadden heel wat te vertellen en zagen elkaar vanaf toen regelmatig. De ene keer at ik bij hem, de andere keer hij bij mij. We haalden herinneringen op en bekeken foto's. Hij vertelde me dingen over mijn ouders die ik niet wist, en dat wierp een ander licht op mijn jeugd. Ik merkte dat ik me steeds meer op onze ontmoetingen ging verheugen, en dat het me steeds zwaarder viel om afscheid te nemen. We begonnen elkaar echt te missen op de momenten dat we alleen waren. Op een gegeven moment was het duidelijk : we konden én wilden niet zonder elkaar verder. We zijn gaan samenwonen en eindelijk kreeg ik de geborgenheid waar ik al zo lang naar op zoek was. Als kind was ik heel eenzaam. Later had ik wel relaties, maar de ware had ik nooit ontmoet. Dat was Willy dus, al had ik dat nooit durven dromen ! Ooit was hij als een vader voor me geweest, en die rol kon hij in het begin moeilijk loslaten. Hij wilde me alles uit handen nemen en dingen voor me regelen. Ik had echter altijd een zelfstandig leven geleid en zijn dochter was ik natuurlijk niet meer. Zijn overbezorgdheid leidde het eerste jaar van onze relatie wel eens tot meningsverschillen. Maar vanaf het moment dat Willy mijn zelfstandigheid respecteerde, liep alles op rolletjes. We kenden en accepteerden elkaars kleine kanten. In juni 2006 zijn we getrouwd. Op mijn tweeënvijftigste was ik voor het eerst in mijn leven de bruid. Ik weet zeker dat Mariette ons haar zegen gegeven heeft, en dat ze blij geweest zou zijn met Willy's keuze. Hij en ik deden werkelijk alles samen. We hielden van elkaar en waren trots op elkaar. We genoten van ons buitenverblijf, waar hij een houten huisje gebouwd had en kippen hield. Als natuurmensen konden we ons daar helemaal uitleven. We gingen ook samen op reis en hadden altijd veel plezier, want het plagen had Willy niet verleerd. Hij verstopte briefjes met lieve boodschappen in de brooddoos die ik mee naar mijn werk nam. Die kattebelletjes heb ik allemaal bewaard. Hoewel Willy nog een heel goede conditie had en zelfs op zijn tachtigste nog was beginnen joggen, hoorden we met kerst 2010 dat hij kanker met uitzaaiingen had. Wij stelden al onze hoop op een levensverlengende chemo, maar die sloeg niet aan. Hij is heel snel achteruitgegaan. Op het einde lukte het hem niet meer om van de dingen te genieten. Een zware periode was het, voor hem en voor mij. Zelf geloofde ik pas op de palliatieve afdeling dat ik hem echt zou verliezen. Twee jaar geleden is Willy overleden. Ik had er vreemd genoeg nooit bij stilgestaan dat hij, een generatie ouder dan ik, al zo vroeg zou kunnen sterven. Met kanker had ik nooit rekening gehouden. We zijn ruim zeven jaar gelukkig geweest samen, en daar trek ik me aan op, maar ik mis hem vreselijk. De buitenwereld vindt me een moedige, sterke vrouw, en dat is voor een deel ook waar. Maar thuis, als ik alleen ben, ga ik kapot van verdriet. Het ligt in mijn aard om mijn leed alleen te dragen. Mijn jeugd was een hel. Ik moest als kind een steun zijn voor mijn moeder, maar ik heb nooit iemand om hulp gevraagd. Ook niet toen ik later, als jonge vrouw, voor mijn dementerende grootmoeder zorgde. Er werd altijd van me verwacht dat ik mijn eigen problemen oploste, en dat doe ik nu dus ook. Ik heb na Willy's dood een nieuwe invulling aan mijn leven proberen te geven. Naast mijn drukke baan ben ik in een koor gegaan, ik heb laatst in mijn eentje een citytrip naar Londen gemaakt, en ik heb een poes uit het asiel geadopteerd. Willy heeft me vaak gezegd dat ik me niet bang of eenzaam moet voelen, dat hij altijd over me zal waken. Ik geloof hem. Soms zie ik hem zelfs in de maan als ik 's avonds naar buiten kijk. Maar ik word nog steeds heel verdrietig bij de herinneringen aan onze mooie tijd samen. Als ik onder de mensen ben, voel ik me gelukkig. Ik heb me voorgenomen om na mijn pensioen, volgend jaar, een ander leven op te bouwen. Ik wil vrijwilligerswerk gaan doen met dieren, bejaarden of kinderen, want ik heb me altijd het beste gevoeld als ik iets voor anderen kan betekenen. Misschien is er dan ook ruimte voor een nieuwe relatie, al weet ik zeker dat ik nooit meer een man als Willy zal ontmoeten. Hij had een gouden hart en een gouden karakter... Omwille van de privacy worden namen soms veranderd in deze rubriek. DOOR DIANE BROECKHOVEN„Ooit was hij als een vader voor me geweest. Maar zijn dochter was ik natuurlijk allang niet meer. Zijn overbezorgdheid leidde het eerste jaar wel eens tot meningsverschillen"