1. WATERVALLEN

Een van de woorden die nu al meer dan tien eeuwen lang onveranderd tot de IJslandse woordenschat behoren, is foss. Nog ouder zijn de watervallen zelf. Een diepe canyon leidt naar een adembenemend zicht : de gouden Gullfoss boort zich met tomeloze kracht door het witte landschap en gutst langs twee basalten trappen naar beneden. Een litteken van de rivier, wolken van stuif en druppels, ijspegels aan de reling, het gedonder, een mens aan de rand van die woeste storm en het water dat razend in de diepte stort.
...

Een van de woorden die nu al meer dan tien eeuwen lang onveranderd tot de IJslandse woordenschat behoren, is foss. Nog ouder zijn de watervallen zelf. Een diepe canyon leidt naar een adembenemend zicht : de gouden Gullfoss boort zich met tomeloze kracht door het witte landschap en gutst langs twee basalten trappen naar beneden. Een litteken van de rivier, wolken van stuif en druppels, ijspegels aan de reling, het gedonder, een mens aan de rand van die woeste storm en het water dat razend in de diepte stort. Weer een waterval, maar het is niet zomaar de zoveelste op rij : de Skogafoss stort zich zestig meter naar beneden in een esthetisch perfecte lijn. Telkens is het anders. De Godafoss geldt als de meest mythische stortvloed : in z'n naam bewaart hij sagen uit de oude Edda, want de legende wil dat clanheer Thorgeird met de kerstening van het land de godenbeelden van Thor en Odin in de diepte wierp. De waterval brult als het vloeken van de goden. Elke foss heeft een verhaal, een eigen geluid. Ik luister en hoor een andere naam. Daar klettert de Svartifoss, de muzikaalste waterval : als orgelpijpen hangen de basaltzuilen voorover, tussen de ragfijne waterdruppels groeien frisgroene plantjes. Aan de rand van de bulderende Dettifoss, de wildste van allemaal, ben ik een nietige stip langs de afgrond, in het oorverdovend geraas en gebral hoor ik een lach uit de onderwereld. IJsland is meteen een ontembaar beest. Tegen het decor van de besneeuwde Esja staat een stalen snek, blinkend in het licht van de baai. Ze herinnert aan Ingólfur Árnarson, de eerste viking die in 874 een mast in zee wierp en zijn lot in handen van de goden legde : waar het hout aanspoelde, zo verhaalt het Landnámabók, zou hij een woning bouwen. Die rokende baai noemde hij Reykjavík, vandaag Europa's meest afgelegen hoofdstad waar bijna de helft van de driehonderdduizend IJslanders woont. Het is een vreemd oord met kleurrijke huizen en gebouwen uitgestrooid over een schiereiland, soms aangenaam maar ook lelijk in een mix van beton, hout en golfplaten. In de woeste natuur is dit de onwezenlijkste metropool van het oude continent : Reykjavik is een bizarre overlevingsplek tussen de lavavelden, een technologische overwinning op de natuur, met op de heuvel de bliksemschicht van de Hallgrímskirkja. Daar staat Leif Eirikson, Erik de Rode die een half millennium vóór Columbus Amerika ontdekte. IJsland en Reykjavik zijn geboren uit die vikingdrift en de zielen op dit eiland zijn hun nazaten, getekend door een taal die in al die eeuwen niet is veranderd. Wie één keer uitgaat, weet het bij het ochtendgloren : het nachtleven is een explosie van levensdrift, net zoals IJsland een kookpot van moeder aarde is. In het wildste land van Europa kost een pizza negen euro, een pintje minstens vijf. Wat is toch dat 'verlangen naar het noorden', naar onherbergzaamheid en chaos, de koude en gure vijandigheid, de leegte en eenzaamheid, de grauwe kleuren van een gesloten hemel of de kilte van de regen ? Zuiderse zielen willen zon en terrasjes, een baai of een oud klooster, pittoreske dorpen of cultuursteden. Het lege noorden schrikt hen af. Ook voor mij, hopeloos verliefd op hitte en stenen van een Spaanse siërra of de Afrikaanse woestijnen, is het noorden, dat negatiefbeeld van hitte, zindering en kleuren, geen obsessie. Toch voel ik me in de Finse toendra, hoog in de bergen van Noorwegen, op de basalteilanden van Schotland, in het oude Stockholm of in de ruigste wereld van IJsland goed geborgen. Alles is grauwer, het wolkendek, de gure wind en de regen, het sombere zwart en grijs en wit van lava en ijs, het vale groen op het basalt, maar het raakt mijn ziel, op een totaal andere manier dan de Afrikaanse zon dat doet. Aan Afrika geef ik me over, ik ben altijd verliefd en dikwijls gelukkig. In het noorden ga ik niet op in het landschap, het is een strijd, een gevoel van overleving, een confrontatie die niet te ontwijken is. Helemaal in het westen, bij de vuurtoren van Útskálar, waait het allicht altijd, met hoog opspattende golven, zwevende jan-van-gents en eidereenden deinend op zee. Het dorp zijn verspreide huizen, een paar winkels en een postgebouw, aan de rand een rozerood kerkje en een huis bezet met groene golfplaten. Rondom lavavelden, mossen en grassen door de wind gegeseld, op de zwarte weg een hagelbui die van de tegenligger een dreigend spook maakt : een dorp als alle andere. Grundavik is niet anders. Ik rijd door dit helse land, wolken trekken open en sluiten zich, soms schijnt de zon, dan weer jaagt een sneeuwstorm over de lavavelden, de bergflanken zijn met een sneeuwgordijn overdekt. Kleifarvatn moet je zien om het te geloven : het meer is een dramatische foto in zwart en wit. In de negende eeuw noemde Raven-Floki dit barre eiland 'IJsland', als een waarschuwing om hier nooit te komen wonen. In het veilige karkas van de auto glijd ik geluidloos door dit onmenselijke land : wat kwamen mensen hier in het jaar 1000 in Odins naam doen ? De auto zweeft over zwarte pistes, langs lavavelden, watervallen, gruisvlakten, kraters. Rond een blauwe hoeve kringelt rook omhoog, zwaveldampen ontsnappen uit borrelend hete modder. Leeg land, onvruchtbaar land, woest land. Het is alsof ik met Dante en Jules Verne afdaal in de hel. Thingvellir is het Mekka van de IJslanders, een plek op vijftig kilometer van de hoofdstad. Een meanderende rivier in een brede vallei, een groot meer omringd door bergen, een pastorale oase, maar ook de belangrijkste plaats in de geschiedenis van het land : tegen een rotswand lag de Althing, het oudste parlement van Europa, waar sinds 930 elke zomer gedurende twee weken de clanhoofden verzamelden om te beslissen over wetten en geschillen, huwelijken en vetes. Het is voor IJslanders de geboorteplaats van de democratie, maar ook het scharnier tussen twee continenten. Thingvellir is opengereten aarde, het ligt op de breuklijn van twee tektonische platen, die van Amerika en Europa die langzaam uit elkaar drijven. Ze liggen naast elkaar, schuren tegen elkaar aan, maken het landschap onrustig en gevaarlijk. Want als ik de continenten onder de zeespiegel laat doorlopen, en niet de contouren uit de atlassen als hun grenzen beschouw, dan ligt IJsland daartussenin. Meer nog is het eiland zowel het ene als het andere continent. Over de kloof loopt een bruggetje, minuscuul in vergelijking met de brug die in Istanbul Europa en Azië verbindt, ze is nauwelijks twintig meter lang : met een paar passen maak ik een reis waarvoor we met een snelle vlucht uren nodig hebben. Langs moerasdotterbloemen en veenplassen leidt een piste door Skagaheidi, een niemandsland dat kreunt onder nevels. Goudplevieren piepen en schapen slaan op de vlucht. De laatste boerderij ligt al een hele tijd achter me. In het drassige land grazen vrij een achttal paarden : kleine gestalten die bijna gewichtloos door de woeste natuur zwerven. Hun kleuren zijn zo veelzijdig als de heide : grijs en zwart en bruin, maar ook zuiver wit en vooral bleikur, het muskaatkleurige roodgrijs dat de paarden een glans van wildheid geeft. Ze verdragen extreme temperaturen en wagen zich in landschappen waar geen ander paard overleeft. Sinds Erik de Rode het tien eeuwen geleden uit Noorwegen meebracht, is deze nazaat van het vikingpaard met geen enkel ander ras gekruist. Niet alleen worden andere paarden op het eiland niet toegelaten, een dier dat het land verlaat, mag bij wet niet meer naar het moederland terugkeren. Bij het vissersdorp Höfn zegt Hilmar Arnason : "Zeg nooit pony tegen een IJslander. Met hun één meter dertig zijn ze niet groot, maar ze zijn krachtig gebouwd, gespierd en taai en hebben een groot uithoudingsvermogen. En vooral : ze zijn erg zacht en intelligent. Altijd staan de paarden buiten, zomer en winter. Wij zeggen : laat ze maar lopen, ze kennen de weg." Liefdevol noemen IJslanders hun paarden tharfasti thjonninn : de nuttigste knecht. In de weekends maken ze uitstappen en vullen een paardentocht aan met een picknick of barbecue. Tijdens de korte zomer is er altijd wel ergens een regionale wedstrijd en wordt om de vier jaar het Landsmot of nationaal kampioenschap betwist. "Weet je," zegt Hilmar, "misschien zijn de paarden als dit land en z'n bewoners : gehard door het weer, maar ook onafhankelijk en trouw." In de magische wereld van lava, ijs en water is de zomer kort. "Hooguit twee maanden, dat is te weinig", zegt Ingi Tryggvason op haar boerderij in Narfastadir. "De wind uit Groenland is erg koud. Maar als er milde lucht uit het zuiden komt, is het aangenaam leven. Neem maar een warmwaterbad, dat zal je goed doen na een actieve dag." Voor het erf borrelt warm water uit de grond : een heerlijk bad in de open lucht, tegen de groene flank van de vallei. "Het binnenland is elk jaar anders, afhankelijk van de winter en de dooi, van sneeuw en smeltwater, van wassende rivieren en vulkanische activiteit", zegt Ingi. Het heet dat het IJslandse reisseizoen kort is, een hevige zomer tussen begin juni en eind september, maar voor het eerst, na twee eerdere reizen, merk ik dat het niet waar is : regen, wind, hagel en sneeuw maken iedere reis risicovol, maar ook in hardere tijden is het een fascinerende bestemming : de sombere kleuren verhevigd door bliksems van zonlicht, door tafelbergen met dansende wolken, een eindeloze vlakte met paardjes als was dit Mongolië, rookwolken van thermische activiteit in een wit en zwart landschap. Soms is het land troosteloos grijs, zijn pistes gesloten of dekken zware nevels en sneeuwstormen het landschap toe. Ook dat is IJsland, zo'n dag hoort onherroepelijk bij een reis. En altijd, meer nog dan in de andere seizoenen, overvalt me nietigheid in een natuur die oneindig sterker is. Het is een indrukwekkende ervaring om door dit land te rijden, dat zo vijandig oogt en telkens weer verrast met een nieuw universum. Dat maakt het seizoen zoveel langer : tussen maart en november is IJsland een bestemming met vele gezichten. Bij het binnenrijden ligt een zeehond te soezen op een zandplaat. De stad aan de noordkust ligt, zo dichtte Slauerhoff, "in een woest en leeg heelal", maar dat klopt allang niet meer : haven en centrum fonkelen veelkleurig in een majestueuze baai en de Hafnarstraeti is een levendige winkelstraat. Op het plein speelt zich een tafereel af dat herkenbaar is uit andere Scandinavische landen : jongeren rijden met de auto rondjes door de straten, ze volgen hetzelfde traject en passeren na een tijdje opnieuw. Het is een ritueel om aan dure drankjes en verveling te ontsnappen. Vanuit Café Amour sla ik de stoet gade en bestel nog een koffie bij Kristin, die is verkozen tot schoonheidskoningin van Akureyri. Alle woorden uit het infernaal vocabularium zijn gebruikt om het IJslands landschap te omschrijven : kaal en desolaat, onmenselijk, dramatisch, hels, leeg, eenzaam, somber, wanhopig, wreed, onherbergzaam, woest. IJsland is het land van de vier elementen : lucht, water, vuur en aarde, die al in de Edda het leven van goden en gewone stervelingen bepaalden. Ik rijd door een maanlandschap van sneeuw en vuur, langs alleenstaande boerderijen die op de kaart een dorpsnaam dragen, over eindeloze toendra's. In een grillige cirkel omspant Ringweg Nr. 1 het eiland : ook dat is een unicum in Europa. Het zwarte kerkje van Budir, in de immense vlakte van Myrdalssandur bloeien roze bloemen tussen fijnkorrelig lavazand, hardfiskur of stokvis hangt aan staketsels te drogen, de onmogelijkste kleurencombinaties van Landmanalaugar verbluffen. Rond het schiereiland Snaefellsnes dobberen eilanden in een staalblauwe zee. De zon breekt door in het Skaftafell-nationaal park, een landschap van bergen en ijstongen met onvergetelijke zichten op de Oraefaljökull en de Vatnajökull, Europa's grootste gletsjer. Bij Jökulsarlon stap ik binnen in de bevroren fantasie van een lagune : op het meer dobberen ijsbergen in de grilligste vormen, onheilspellende geluiden borrelen op uit het ijskoude meer. Er komt geen eind aan de schittering van dit eiland. Soms wordt de monotonie van het landschap gebroken door een troep wilde zwanen, die met hun gele snavels het dorre land op even opvallende wijze kleuren als het autowrak dat in een veld staat te roesten. De tegenliggers zijn monsters : terreinwagens, 4x4's op hoge banden, uitpuilende koplampen, futuristische Mad Max-gevaarten die wonderwel in het landschap passen, een landschap dat dondert als een wagneriaanse opera. Langs de baai van Hvalfjördur rijd ik door het land van Egil's saga en denk : het landschap zelf is een sage. Altijd hetzelfde : wolken, bergen, sneeuw en vuur, ijs en lava, en toch iedere keer anders. Niemand vertrekt onbevangen. IJsland is onvatbaar. Wat moet je doen, behalve je overgeven aan die verbluffende vulkaanlandschappen, aan de watervallen en de ijsbergen, aan vogels, wind en zand, vuur en de kleuren van de aarde ? Ja, wat moet je doen, behalve die dingen ? Die dingen, niets anders. Het vriest en waait, sneeuwvlokken striemen m'n naakte rug. Te midden van een duivels operadecor van zwarte lava, witte stoomwolken en schoorstenen dompel ik me onder in het melkwater van de Blue Lagoon, een poel van mineraalrijk water uit hete bronnen. Het contrast is weldadig. Na een uurtje voel ik me loom en ontspannen, ik krijg er sterke honger van. Water en vuur, hitte en koude, hemel en hel : toch wel uniek. De eerste keer, eind mei, was de piste nog gesloten. Bij m'n tweede poging in oktober was de bergpas van Kaldidalur al dicht gesneeuwd : mensenleeg sta ik in een onherbergzame woestenij van gruis en wind, sneeuw en ijs. Pech. Ook nu in maart zal het niet lukken, zodat ik nu al weet dat ik nog eens een keertje moet terugkeren. Het meer der meren ligt in een overrompelend decor. Op het water van Myvatn dobberen de mascottes van het land : harlekijneend en de IJslandse brilduiker. Maar meer nog dan deze vogels fascineren de fantastische gedaanten van het landschap : rotsen als zwarte demonen, solfataren met zwavelgeuren en duivelse kleuren, opborrelende modder als pruttelende soep, de centrale van Kravlar en het smaragdgroene kratermeer van Viti, aardscheuren vol sissende stoom. IJsland is het kind van goddelijke vulkanen. Ik maak een wandeltocht door lavavelden, met rondom bergen bedekt met sneeuw, tafelbergen en vulkanen die in hun kruin wolken vasthouden, het staalblauwe water en de eilandjes, de pseudo-kraters en aan de overkant het conisch silhouet van nog een krater en wolken die uit thermische centrales opstijgen, en ik klim zigzaggend langs een kronkelpad tegen de kraterwand omhoog, puf en zweet in het vriesweer, maar hoe meer ik het landschap ontstijg, hoe onwezenlijker het wordt, tot ik op de kraterrand sta, een ovaal van meer dan tweehonderd meter doorsnee. Onvatbaar landschap, een tuin van Eden op de maan. Dat is het : de onmogelijkheid van dit decor ! Wie kan dit uitvinden, waar in Europa bestaat de gelijke van dit formidabele universum ? Hier gewoon te wandelen terwijl het voor een paar dagen niet eens bestond en straks ook weer surreële dimensies aanneemt, hoewel het die nu ook heeft. Waar zijn de woorden die tekortschieten om dit gevoel te beschrijven, die overrompeling en verbijstering, de confrontatie met een kosmos waarvan je denkt dat die niet kan bestaan ? Maar het ligt daar, driehonderd zestig graden in het rond, een kraterrand in een hels land waarin ik als kleine niemendal alleen maar diep kan ademhalen. Met z'n drie raven ontdekte Floki IJsland. Nog scheren ze als zwarte schimmen over het desolate land. Wie rondkijkt, ziet bijzondere vogels : eenden en duikers, een giervalk of een zeearend, de grauwe en rosse franjepoot die al in de sagen de haantjes van Odin en Thor waren. Langs de rotskusten broeden papegaaiduiker en zeekoet, die ook in het restaurant worden geserveerd. En wie geluk heeft, ontwaart in dit lege land het silhouet, zittend op een steen of zwevend over de hellingen, van een sneeuwuil. Prachtig wit, soms met zwarte vlekken, en dan die starende, gele ogen. Een spookgestalte, een geruisloze jager op lemmingen. Het is me nooit gelukt en dat is dan wel een extra reden waarom ik, toch een zuiderse ziel, wil terugkeren naar dit prachtige IJsland. nTekst en foto's Mark GielenAan de rand van de Dettifoss, de wildste van alle watervallen, ben ik een nietige stip, in het oorverdovende geraas hoor ik een lach uit de onderwereld. IJsland is een ontembaar beest.