De zon schijnt. Niet onbelangrijk, want op de terrassen van Tromsø vieren de Noren hun korte zomer met garnalen en krab, bier, gelach en dans. De zomer is in Scandinavië kostbaarder dan elders. Het leven is intens. Tussen Lofoten en Noordkaap is Tromsø een aangename stad om tussen houten huizen te flaneren, het museum van Amundsen te bezoeken, en in te schepen voor een verre zeereis.
...

De zon schijnt. Niet onbelangrijk, want op de terrassen van Tromsø vieren de Noren hun korte zomer met garnalen en krab, bier, gelach en dans. De zomer is in Scandinavië kostbaarder dan elders. Het leven is intens. Tussen Lofoten en Noordkaap is Tromsø een aangename stad om tussen houten huizen te flaneren, het museum van Amundsen te bezoeken, en in te schepen voor een verre zeereis. Rechts ligt de Noordkaap, meer mythe dan schone werkelijkheid, een overroepen rots en niet eens het noordelijkste punt van het vasteland. En in het zuiden wachten de Lofoten, een onvergelijkbare archipel die door een woeste Odin als teerlingen in zee is gegooid : felle kleuren in Henningsvaer, magistraal trotseren Reine en Hamnøy die granieten woestenij. Voorbij die twee uitersten stevent het cruiseschip noordwaarts, naar de wateren van de Noordpool, naar de uiterste rand van Europa. Open zee, vol schuimende golfslag, deinend voor schepeling en pijlstormvogel, zeshonderd kilometer naar de laatste eilanden voor de Arctische leegte. De oversteek is de raadselachtige initiatie in de kosmos van Svalbard, het laatste geheim van Noorwegen, onvindbaar op veel landkaarten. Waarom zoeken toeristen zo'n bar land op ? De Noordpool is amper 1309 kilometer ver. Weinig archipels zijn zo desolaat als Spitsbergen, met ijs en gletsjers, barre temperaturen en eindeloos diepe permafrost. Het antwoord is de aankomst in de baai : diep dringt de Isfjorden het hoofdeiland binnen, tot bij de hoofdstad Longyearbyen, omringd door een hel van bergen, gletsjers en donker water. Prachtig. Een mythe wil dat IJslanders in de twaalfde eeuw de eilanden ontdekten. Geschiedenis leert dat de Nederlandse ontdekkingsreiziger Willem Barentsz in 1596 voet aan wal zette. Voor een man uit de lage landen was de naam Spitsbergen niet eens vergezocht. Svalbard is de verleidelijkste grens van Europa. In het Kulturhuset is een croissant met gerookte zalm niks ongewoons. Toch blijft ook met alle vernuftige technologie het pioniersgevoel overeind : aan de fjord tussen de ruige bergen is de hoofdstad op 78° 03' noorderbreedte hardnekkig veroverd op de natuur. De korte zomer weet dat hij straks wordt belaagd door oostenwinden, stormen, sneeuw, ijs en zes maanden totale duisternis. Dat voel je meteen : een frontstad met het meest noordelijke kerkje op aarde, wapenstilstand tussen veelkleurige gebouwen en grauwe bergwanden vol steenkool. Van op afstand, van bij de gletsjer of een van de vervallen mijnschachten, oogt Longyearbyen haast idyllisch, maar in de straten is alles, van bank en sportwinkel tot ziekenhuis, duurzaam gebouwd om in barre tijden te overleven. Vandaar die pionierssfeer, vol beelden uit een Noorse Far North : sneeuwscooters en arctic cats liggen verwaarloosd naast de weg, die nergens is afgerand. Houten pilaren, die vroeger de gelichte kolen van de mijn naar de haven transporteerden, staan roerloos tussen de huizen, die als paalwoningen de nakende winter vrezen. Mijnruïnes hangen tegen de rotswanden, vervallen en verlaten, al zijn ze amper een eeuw oud. Waterleidingen en buizen liggen open op straat, een bosje witte kruisen gedenkt aan de stadsrand de doden. Het stadsbeeld is getekend door schoorsteen, steltfabriek, roestig ijzerwerk en plastic opslagplaatsen. Geen grasperk, geen tuintje. Esthetiek legt het af tegen bescherming. Dat is een architectuurwet : waar mensen moeten overleven, is bouwen functioneel. Dat voelt bevreemdend in een stad die aan een van die magische einders van de wereld ligt. Maar ik ben niet gekomen voor de menselijke in- grepen, ik kom voor de bouwdrift van de natuur. Longyearbyen, met hotels en excursiekantoren, is uitvalsbasis voor dagtrips, naast vertrekpunt voor goed voorbereide expedities en cruises die noordelijker varen. Aan de einders van de stad waarschuwen borden voor ijsberen : de limiet waar je ongewapend kun rondlopen. Te voet mag je de bebouwde kom niet zonder geweer verlaten. Mijn eerste exemplaar van de gevreesde rover is een opgezette reus in het grootwarenhuis. Zal het daarbij blijven ? De kans dat eentje zich laat spotten in het wild is niet groot, al zijn er meer beren dan inwoners op Svalbard. Daarom scheep ik in voor een tocht door de Isfjorden. Papegaaiduikers en noordse stormvogels belagen de Polargirl langs beide boorden. De zee is kalm, maar evengoed is de ijsfjord ruig en angstaanjagend donker. Als een immense kom boorden haar gegroefde rotsformaties en, zeker dertig kilometer ver, een leger van pieken en gletsjers. Het schip is onderweg voor een excursie van een uur of tien. Ik krijg geen vat op dit symfonisch landschap, wat het nog wonderbaarlijker maakt. De Schotse en Noorse kusten, zelfs de onmogelijke Lofoten, de waanzinnig mooie Faerøer, de rondgang van IJsland of de kusten van Groenland zijn noordelijke verwanten, maar toch is Spitsbergen anders en uniek. Onvergelijkbaar, zodat ik voor Svalbard nieuwe woorden moet vinden. Ik kijk en zucht, onderga en geniet : de laatste reuzen vóór de Noordpool, een gedicht in zwart en wit, groengrijze wanden en kwikzilveren water, een glans van kobalt, bergen getekend door erosie en oerkrachten, rotsburchten uit gewelddadige sagen, een land van brutale schoonheid. Uiterst langzaam, om geen goden toornig te maken, schuift het schip naar de Nordenskiöldbreen, een hoge ijswand en de tongpunt van de gletsjer, een muur van afkalvend ijs dat wonderlijk blauw kleurt. Verderop in de Billefjorden is de wereld zwart als steenkool : in een hallucinant decor ligt tegen een rode berg de gesloten mijn van Pyramiden. Roestige fabrieken en pijpleidingen, maar ook een triest oord met woonblokken, groentehuis, overdekt zwembad en een buste van Lenin voor het cultuurcentrum. Bij een mo- nument zo spits als een Moskouse wolkenkrabber staat in het cyrillisch Pyramida. "Welcome", zegt Kirill Shepelev met Sovjettongval. "Svalbard, beste bezoeker, heeft niet twee maar drie namen, want naast Spitsbergen van die Hollander is er ook Groemant van de Russen, die hier lang geleden eerst zijn geweest. In 1910 is de eerste mijn geopend. Hier werken was een voorrecht voor de beste communisten, dan voor de beste specialisten, en ten slotte voor de beste burgers van de Sovjet-Unie, de trots van de natie. Dit was een modelstad met alles erop en eraan. De Sovjet-Unie is uiteengevallen, helaas, en op 3 maart 1998 is de mijn gesloten. Als een van vijftien zomerse bewoners ben ik uw gids." Kirills uitgestreken gezicht houdt ernst, satire, ironie en diepere betekenis in een ondoorgrondelijke grijns. Bij het afscheid drinken we een wodka. Op de bergflank staat Miru Mir geschreven : vrede aan de wereld. Ik wandel geamuseerd over de plaatselijke Champs-Elysées en stop voor het appartement waar alleenstaande mannen en vrouwen in deze godvergeten uithoek van het universum elkaar vonden, trouwden en voor nakomelingen zorgden. Een ironisch gezicht : voor de leegstaande ramen broeden honderden drieteen-meeuwen als was dit een woeste klif. En in een glimp draaft een poolvos voorbij. De natuur wint altijd, zeker op Spitsbergen. Je moet niet, maar vaak vragen ze een traditie in ere te houden : bij het binnenkomen schoenen uit te doen. De derde dag ben ik thuis. Plots straalt de zon recht in mijn kamer : ik denk dat ik me overslapen heb, maar het is pas middernacht. Als de zon dag en nacht schijnt, 24 uur lang, wordt tijd onbelangrijk. Ik ben niet gehaast, want na het ontbijt duurt de dag oneindig. Ik ken nu de straten en gebouwen van gezellig Longyearbyen, de op twee na noordelijkst gelegen stad op aarde. Kinderen trekken zich met hun mountainbike omhoog naar school, studenten spoeden zich heuvelafwaarts naar de universiteit, waar ook het Svalbard Museum onderdak vindt. Vader met buggy en kind, vrouw met geweer en een meisje met roze zonnebril en dito turnsloefjes, jongen met iPad die geen oog heeft voor zijn vriendin bij het ontbijt. En dagtoeristen, die met hun cruiseschip een paar uur aanleggen voor ze noordwaarts vertrekken naar poolstation Ny Ålesund, de Magdalenagletsjer en de walruskolonie van Moffen. Op straat verwacht je in ruige poollanden opgefokte reuzenpick-ups, maar de meesten rijden met familiewagens alsof het nooit vriest, ijzelt en sneeuwt. "Nice car", zegt de tegenligger op de stenige piste. Waar stappen niet is toegestaan, reis ik met een huurauto. Toyota vierwiel. Veel wegen zijn er niet. Voorbij het vliegveld is Spitsbergen zelfs pastoraal : alleenstaande hoeves in brandende kleuren, poelen waar meeuwen en sternen door een agressieve kleine jager worden opgeschrikt, een grote burgemeester op een schoorsteen, de zonnige zee en sneeuwpieken aan de oever. In een baai vermoed ik koningseiders en vraag de tegenligger of ik te voet naar beneden kan. "Do you have a gun ? Er is geen ijsbeer gespot, maar je weet het nooit zeker. Be careful." Voor één keer haalt voorzichtigheid het van mijn roekeloosheid : ik zal nooit weten welke eenden ronddobberden op zee. Maar wat een grandioos landschap. Dat is niet anders als ik landinwaarts de Adventfjorden zie veranderen in kleurrijke toendra, met de laatste bloemen van juli, met pluis en groepjes brandganzen, die we in West-Vlaamse velden alleen zien als het streng vriest. Rivieren meanderen, rendieren grazen, steenkooltorens staan werkloos in de vallei. De weg klimt en kronkelt, voorbij een afgedankte fabriek van kolen en roest, en loopt dood bij een observatorium met twee telescopen. Ze bestuderen de sterren, maar het is onder hen dat het weidse Svalbard onwezenlijk mooi is. Wie meer wil, schrijft in voor een cruise of meerdaagse expeditie, die zich als nomade onderwerpt aan het meesterschap van de natuur. Wat is toch die verlokking van het noorden ? Ze kan enkel liggen in de ongenaakbaarheid, de weerbarstigheid van deze archipel, de zuiverheid ook, of in de onmogelijkheid om deze eilanden, die bijna dubbel zo groot zijn als België, te ontdekken. Deze bevroren wereld laat zelfs 's zomers enkel haar verleidelijke buitenkant zien. Dan nog blijven die façades van puntbergen en gletsjertapijten niet meer dan de fascinerende, dreigende en vijandige kosmos waarin we nooit kunnen binnendringen. Als je met die beperking weet te leven, scheep je in naar unieke landschappen die wel bereikbaar zijn. Aan de overkant van de Isfjorden liggen spitse bergen zoals Willem Barentsz ze met verstomming moet hebben aanschouwd. Opnieuw is het rode Poolmeisje schip van dienst. En opnieuw is het verhaal hetzelfde : "De noordelijkste orthodoxe kerk ter wereld, het noordelijkste postkantoor en consulaat, de noordelijkste nog werkende koolmijn, de noordelijkste brouwerij." Elena is stellig als we voor een muurfresco staan : "En daar staan de noordelijkste berkenbomen." Ook dat is communisme : als de natuur geen berken wil, maken we berken. Als gids is ze mijn gesprekspartner voor haar 470 Russische stadsgenoten die in Barentsburg een afgezonderd maar goed betaald leven leiden. We flaneren over de hoofdstraat, een wegeltje van betonplaten, asfalt en gruis. Op het centrale plein tuurt vogelspotter Lenin naar zee, terwijl op het mozaïeken appartementsblok staat dat we aan het communisme werken. Ik geloof het, kijk in het intimistische kerkje naar iconen, groet Russische arbeiders, betreur de houten huizen in verval, denk aan mijn ooms die ook bezweken aan Limburgse stoflong, en bestel in de hotelbar een Krasnyi Medved, een rode pint Belgian style. Dunne spoeling. De bleke dienster, die weemoedig lacht zoals alleen een Russin dat kan, schenkt nog een wodka. "Barentsburg", rondt de gids haar niet zo onschuldige betoog af, "draagt dan wel de naam van die Hollandse ontdekker, maar lang daarvoor waren het zeevarende Pomoren, die hier voet aan wal zetten. En dat waren Russen." Toerisme als ideologie, de Russische grote beer is hier niet voor niks aanwezig. Ik verlang naar de zee, daal de houten trappen af, zeg vriendelijk spasiba tegen de blonde gastvrouw en scheep in voor de laatste ontdekking. Aan de overkant van de nu zachtaardige fjord, gloeiend in zon en bries, komt de Esmarkgletsjer als een pletwals op ons af. Een ander schip, de Langøysund, dobbert als een nietig bootje voor de abstracte ijsmassa. Indrukwekkend, maar ons minuscule bestaan wordt juichend dooreengeschud als een stem alle passagiers toeroept : "Polar bear on the shore." Daar loopt hij, net voor het afscheid van Spitsbergen, een van de drieduizend exemplaren. De afstand is te groot, maar wat een kolos, ursus maritimus of ijsbeer, meer gelig dan wit, lopend op een drafje, diepe ogen en de tanden in aanslag, de heerser over zomerse toendra en winters ijs, de Arctische reus, de schrik van Spitsbergen, gevreesd door al wat leeft en tegelijk een goddelijk monster, de zeldzame nummer één op het verlanglijstje van alle Svalbardgangers. Ik geniet van de waarneming, tot de Polargirl de steven naar bakboord wendt, de Isfjorden en haar ontembare spitsbergen tegemoet. Info : www.spitsbergentravel.no en www.svalbard.net TEKST EN FOTO'S MARK GIELENKnack neemt zijn lezers mee op cruise naar Spitsbergen en het Hoge Noorden, van 30 juni tot 12 juli. Info p. 72-73