In zijn Londense kantoor ligt Terry O'Neill lui achterover en met de voeten op tafel te telefoneren, terwijl hij tegelijk wenkt om plaats te nemen. Zijn hele jeugd droomde hij ervan om drummer te worden, uiteindelijk werd hij een gevierd fotograaf van 's werelds grootste sterren. Vreemd toch ?
...

In zijn Londense kantoor ligt Terry O'Neill lui achterover en met de voeten op tafel te telefoneren, terwijl hij tegelijk wenkt om plaats te nemen. Zijn hele jeugd droomde hij ervan om drummer te worden, uiteindelijk werd hij een gevierd fotograaf van 's werelds grootste sterren. Vreemd toch ? "Ik liet de school achter me toen ik veertien was, ging thuis weg op mijn zestiende met maar één droom : ik wilde jazzdrummer worden. Ik speelde op de basissen van het Amerikaanse leger en tijdens het weekend in Londense jazzclubs. Een mooi leven, dat wel, maar jazz was niet populair en rock-'n-roll was in volle opkomst. Ik besefte dat ik naar Amerika moest, en werd steward bij luchtvaartmaatschappij BOAC, omdat die een lijn op New York geopend hadden. Na zo'n vlucht had ik in New York drie dagen vrij, en hetzelfde ritme gold ook in Londen. Ik moest wel eens in de week naar de kunstschool, om er fotografie te leren, want ze wilden iemand die kiekjes schoot van reizigers die afscheid namen op de luchthaven. Een beetje per toeval maakte ik een foto van een man in streepjespak die in slaap gevallen was. Hij bleek de Indiase minister van Buitenlandse Zaken te zijn die op een vlucht wachtte naar Zuid-Afrika. Die foto bracht me bij de Daily Sketch, die op zondag verscheen. Ik was pas 21 en mijn eerste opdracht was een foto van de Beatles. Ik startte aan de top en heb nooit omgekeken." Terry O'Neill : Misschien bezat ik wel een goed oog voor de dingen, maar dat was dan ook echt het enige dat ik heb. Niemand gelooft me als ik zeg dat het puur geluk was. Ik hou het erbij dat God me in het oog kreeg, met zijn vinger naar me wees en het licht over me liet schijnen. Natuurlijk werkte ik hard, ik voerde tot zeven opdrachten per dag uit, terwijl ze er nu hooguit één per dag doen. ("Eén per week !", roept O'Neills zakenpartner, in een vorig leven uitgever van The Sunday Times.) Zeker is dat een fotograaf toentertijd een hele mijnheer was, en het geheim van de sixties was ook dat jonge mensen een kans kregen. Ik heb die gegrepen, maar ik was ervan overtuigd dat het niet zou blijven duren, en ik was niet de enige. Ik trok altijd met de Beatles, de Stones en de modellen naar de Londense Ad Lib Club, vlak bij Leicester Square, die door Brian Morris gerund werd. Daar dronken we een biertje en vroegen we ons af wat we zouden uitrichten als het allemaal overgewaaid was. George Harrison dacht erover in een bank te werken. We gaven onszelf twee jaar om te doen wat we graag deden, terwijl we er nog voor betaald werden ook. Daarna zouden we gaan doen wat onze ouders van ons verwachtten. Geen haar op ons hoofd dacht eraan dat we zouden blijven geld verdienen met onze passie. Het was pas toen ik naar Hollywood trok, en Fred Astair en al die andere filmsterren ontmoette die me vroegen naar de Stones en de Beatles, naar Mary Quant en Jean Shrimpton, dat ik besefte dat het allemaal echt was. Toen ik met de eerste foto's van de Beatles op de redactie verscheen, was iedereen met verstomming geslagen omwille van hun kapsel. Maar toen ik de Stones in beeld had gebracht, konden ze hun ogen niet geloven. Ze vonden het vijf harige, prehistorische monsters, en ik moest op zoek naar een heel propere, afgeborstelde groep, om hun foto ernaast te publiceren. Ik koos de Dave Clark Five, en beide groepen verschenen samen op wat de allereerste dubbele fotopagina werd in een krant. Een betere stunt kon ik me nauwelijks voorstellen. Al moet ik ook zeggen dat er van de Dave Clark Five maar een was die een echte muzikant was, pianist Mike Smith. De rest waren..., tja, laat ons zeggen dat ze de job aan het leren waren. Hou op, ik weet het, en het was een vergissing. Ik schreeuwde altijd van de daken dat ik nooit met een actrice zou trouwen, en ik deed het. En toen vertelde ze me dat ze wilde ophouden met acteren en dat ik filmregisseur moest worden. Onzin natuurlijk, geen enkele actrice wil uit dat wereldje stappen, maar ik geloofde haar en stopte met fotograferen om me op film toe te leggen. Acht jaar lang, maar het is me niet gelukt, omdat mijn hart bij fotografie lag. Toen ik dat terdege besefte, keerde ik naar Engeland terug om mijn ouwe job weer op te nemen en... niemand wilde me. Dankzij een kameraad kon ik voor The Sunday Times hun tienjarige uitgave over de nineties maken, en die klus hielp me weer in het zadel. Het deed me beseffen dat je maar zo goed bent als je laatste foto. Dat klopt, en het is nog mijn schuld ook dat ik Marilyn Monroe niet heb kunnen strikken. Ik was als een blok gevallen voor een jonge vrouw, en die bleek de persattaché van Marilyn te zijn, al wist ik dat niet vooraf. Toen ik haar in Hollywood vroeg om een ontmoeting te regelen, weigerde ze vlakaf, met tekst en uitleg erbij. "Ik mag doodvallen als ik je dat laat doen. Ze sleurt gewoon elke fotograaf in bed, en daar vind ik je veel te aardig voor. Het straffe was dat ik dat toen niet eens erg vond, omdat ik veel meer over had voor die jonge vrouw dan voor Marilyn Monroe. En een tweede kans heeft zich helaas nooit meer aangediend. Laat dat woord beroemdheden maar vallen, we kunnen gerust van sterren spreken, sterren zoals ze overigens niet meer gemaakt worden. Wat hen bond, is een onverwoestbaar geloof in zichzelf. Neem Frank Sinatra, die ik nog altijd als de allergrootste beschouw. Die is drie keer van zijn sokkel gevallen, en drie keer teruggekomen. Als hij een kamer binnenkwam, stokten de gesprekken, als hij in een stad neerstreek, dan begon die stad rond hem te draaien. Behoorlijk indrukwekkend om te zien, en toen ik hem voor het eerst ontmoette, had ik Ava Gardner een introductiebrief laten schrijven, die ik hem overhandigde. Hij las die en glimlachte, en de volgende drie weken negeerde hij me compleet. Maar ik kon hem overal als zijn schaduw volgen. Hij stelde geen vragen, ik kon gaan en staan waar ik wilde. Na drie weken, toen de opdracht afgerond was, besefte ik pas wat voor een cadeau ik van hem gekregen had. Vandaag zie ik geen sterren meer. En vraag me niet waarom, ik weet het niet. George Clooney komt nog het dichtst in de buurt van een filmster. Ik zie nog alleen van die gemaakte acteurs, die zichzelf niet zijn, die niet eens echt zijn. Het trekt me helemaal niet aan om een portret van hen te maken. Voor zijn negenstigste verjaardag kwam hij naar Londen, en de mensen uit zijn entourage contacteerden me om gedurende een week de foto's te schieten in het Dorchester Hotel, waar hij verbleef. Bill Clinton kwam langs, Oprah Winfrey, en Cameron. De hele wereld, en ook maten die met hem in de gevangenis hadden gezeten. Ik vroeg me af of hij dat allemaal aan zou kunnen, maar ik had hem onderschat. Hij bleek ongelooflijk, was op een ontwapenende manier natuurlijk, behandelde iedereen op dezelfde manier. Of het nu formule 1-wereldkampioen Lewis Hamilton was, dan wel zijn gevangenismakkers of Bill Clinton. Hij was niet alleen wonderlijk warm, hij sprak heel open over wat hij dacht, en dat is echt uitzonderlijk voor een politicus. Al was hij veel meer dan een politicus, hij was een wereldleider. Toen hij vertrok, wuifde hij naar me vanuit de auto toen die wegreed, en ik moest mijn tranen in bedwang houden. Omdat ik besefte dat het allicht de laatste keer was dat ik hem zou zien. Het leek op afscheid nemen van een oude vriend. A wonderful man !The Best of Terry O'Neill is nog tot 1 maart te zien in The Little Black Gallery, 13A Park Walk, Londen SW10 (dinsdag en donderdag van 11 tot 13 uur en van 14 tot 18 uur, zaterdag van 11 tot 18 uur), www.thelittleblackgallery.com. Met dank aan P&O Ferry's, dat dagelijks 46 overtochten verzekert tussen Calais en Dover. DOOR PIERRE DARGE