Sinds die onderscheiding wordt Stephane Halleux, illustrator van opleiding, door verschillende Waalse provincies geclaimd. Door Luik omdat hij daar in 1972 geboren werd, door Luxemburg omdat hij lang in Arlon werkte. Wij maken er voor het gemak een Namenaar van, want in die provincie, meer bepaald in Mohiville, een landelijk gehucht van Hamois, heeft hij tegenwoordig zijn atelier. De voormalige boterfabriek puilt uit van de bric-à-brac : onderdelen van machines, schakelaars en metertjes, hendels en toetsenborden, lappen leder en daim. Halleux, een minzame reus met een sonore bariton : "Elke week kom ik thuis met een auto vol oude brol. Ik heb veel ruimte nodig om dat allemaal te inventariseren, te fotograferen en op te slaan waar ik het kan terugvinden. Die ruimte vond ik toevallig hier, tussen Namen en Ciney, waar het aangenaam wonen en werken is. Maar de waarheid is dat ik van overal en nergens ben, ik beschouw mijzelf vooral als wereldburger. Het voordeel van succes is dat je als kunstenaar kunt werken en tentoonstellen waar je maar wilt."
...

Sinds die onderscheiding wordt Stephane Halleux, illustrator van opleiding, door verschillende Waalse provincies geclaimd. Door Luik omdat hij daar in 1972 geboren werd, door Luxemburg omdat hij lang in Arlon werkte. Wij maken er voor het gemak een Namenaar van, want in die provincie, meer bepaald in Mohiville, een landelijk gehucht van Hamois, heeft hij tegenwoordig zijn atelier. De voormalige boterfabriek puilt uit van de bric-à-brac : onderdelen van machines, schakelaars en metertjes, hendels en toetsenborden, lappen leder en daim. Halleux, een minzame reus met een sonore bariton : "Elke week kom ik thuis met een auto vol oude brol. Ik heb veel ruimte nodig om dat allemaal te inventariseren, te fotograferen en op te slaan waar ik het kan terugvinden. Die ruimte vond ik toevallig hier, tussen Namen en Ciney, waar het aangenaam wonen en werken is. Maar de waarheid is dat ik van overal en nergens ben, ik beschouw mijzelf vooral als wereldburger. Het voordeel van succes is dat je als kunstenaar kunt werken en tentoonstellen waar je maar wilt." Zo komt het dat we Halleux ontmoetten in Brugge, waar zijn werk onlangs te zien was in de Absolute Art Gallery. Daar stonden ze broederlijk naast elkaar, de Hefschroefambtenaren, Straalrolschaatsers, Stoompunkkosmonauten en hun bizarre rekwisieten : de koffer voor radicale maagpijnbehandeling, de rolstoel met uitwerpselenrecuperatie, het insectenspuitgeweer. Ontsproten aan een heerlijk oneerbiedige fantasie en uitgevoerd met een grote liefde voor ambachtelijkheid en zin voor detail, lijken ze nooit echt kwaadaardig. Eerder stralen ze iets komisch-obsessiefs uit, als bewoners van een absurd postindustrieel universum waarin verleden en toekomst met elkaar botsen en waarin ook Jules Verne, de dadaïsten en Tim Burton zich thuis zouden voelen. Zelfs vóór de tentoonstelling in Brugge waren de meeste van Halleuxs creaties al verkocht. Stephane Halleux : Dat kun je wel zeggen, ik heb een lange weg afgelegd. Zelfs toen ik in mijn laatste jaar op Saint-Luc zat, knutselde ik al groteske personages en rare voertuigen in elkaar. Maar geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht ik daarmee de kost kon verdienen. Omdat ik gepassioneerd was door film en strips ben ik daarna in Luxemburg in een animatiestudio gaan werken, maar ik raakte gefrustreerd door de industrialisatie en het gebrek aan creativiteit in het werk daar. Daarna ben ik een heel andere richting ingeslagen. In Messancy in de provincie Luxemburg nam ik een kringwinkel over. Te midden van oude meubelen, rommel en restmateriaal ben ik opnieuw aan het knutselen geslagen. Toen stond ik voor de keuze : ga ik voor werk dat mij een vast inkomen garandeert of neem ik het risico te doen wat ik echt graag doe, zonder enige zekerheid ? Ik had wat geld opzijgelegd en gaf mijzelf één jaar om een eerste tentoonstelling voor te bereiden. Helaas raakte het geld veel sneller op dan ik verwacht had, naar het eind van dat jaar stapelden de onbetaalde facturen zich op. Op de duur kon ik er niet meer van slapen : als die tentoonstelling geen succes zou zijn, was ik verloren. Ik stond zelfs al op het punt om een heel slecht betaalde job aan te nemen als 'mouleur' voor een beeldhouwer die grote bronzen beelden maakte. Maar wonder boven wonder sloeg die eerste tentoonstelling bij Galerie Schortgen in Luxemburg aan. Niet alles was verkocht, maar genoeg om een volgende tentoonstelling te krijgen. Daarna werkte ik van de ene naar de andere expositie toe, in steeds grotere galeries. Mijn vader was leraar Frans en hij had een grote interesse voor literatuur. Tegelijk was hij zeer antitelevisie. Ons toestel zat in een koffer opgeborgen, als we af en toe de toestemming kregen om het daaruit te halen, was dat een echt evenement. Toen vond ik het heel frustrerend dat ik op school niet kon meepraten over cartoons of televisieseries als de Hulk en De Man van Zes Miljoen. Mijn ouders namen ons wel mee naar tentoonstellingen. Het werk van Jean Tinguely sprak mij geweldig aan. En ik had natuurlijk heel veel tijd om te tekenen en te knutselen. Eigenlijk moet ik mijn vader dus dankbaar zijn. Zelf ben ik trouwens ook voorzichtig met mijn kinderen. Televisie, internet, computerspelletjes, je accumuleert er wel informatie mee, maar het leidt niet tot creativiteit. Als ik het tijdelijk allemaal ban, beginnen ze spontaan te tekenen, schilderen en knutselen. Ze zijn best wel creatief. Ach, ze zijn ze zo gewend, die sculpturen, ze schenken er nauwelijks aandacht aan. Zet ik zo'n wezen na een nacht stug doorwerken trots op de keukentafel, leggen ze daar de volgende morgen gewoon de ontbijtspullen omheen. "Ja, leuk hoor, pa." Ik doe niet aan assemblage tout court. In elke figuur zit een houten structuur. Soms is het een detail dat me inspireert : een ornament op de motorkap van een auto dat me aan een vogelbek doet denken, bijvoorbeeld. Vanuit dat idee begin ik te tekenen, en onderdelen te zoeken, waarbij ik de tekening telkens aanpas aan mijn vondsten. Onvermijdelijk wijkt de uiteindelijke tekening aanzienlijk af van de oorspronkelijke, ik weet immers nooit van tevoren wat ik zal opduikelen. De kleding en accessoires voor mijn personages vind ik voornamelijk op rommelmarkten. Een broodrooster uit de jaren vijftig bijvoorbeeld, heeft wellicht aan enkele generaties toebehoord. Dat geeft zo'n ding een verleden, een ziel. Of ik fabriceer een voertuig uit een oude filmprojector, die God weet hoeveel films heeft afgespeeld die duizenden mensen gezien hebben. Zo'n ketting van emoties, daar kan ik me van alles bij voorstellen. Voor de kleren gebruik ik vooral afgedragen leren jekkers. De verkopers op het Brusselse Vossenplein leggen dingen voor mij opzij. Ze weten dat zo'n jak sporen van slijtage mag vertonen. Het maakt mijn personages echter, alsof ze gereisd en geleefd en van alles meegemaakt hebben. Ik geef toe, ik ben geïntrigeerd door de ambtenarij : papierwerk, regels, alles heel strikt. Eerbaar werk waarmee mensen hun boterham verdienen. Maar ik kan me voorstellen dat het voor velen niet de job is waarvan ze altijd al droomden. Ik fantaseer dan dat zo'n man of vrouw die achter een loket een hele dag enveloppen afstempelt op een bepaald moment een helm met propellers opzet en wegvliegt. Ken je Brazil, die film van Terry Gilliam, over een bureaucraat die een administratieve fout wil herstellen en per ongeluk de grootste staatsvijand wordt ? Die heeft mij diep geraakt. Botsende elementen, daar is het mij om te doen. Een ambtenaar met een schietstoel of een superheld die elke morgen inklokt en van negen tot vijf werkt, om maar iets te zeggen. Tijdens het vervaardigen ben ik natuurlijk een hele poos alleen met zo'n personage en heb ik tijd zat om zijn verhaal te verzinnen. Neem nu Monsieur Hublot. Toen ik dat toetsenbord op z'n buik monteerde en metertjes in zijn voorhoofd, wist ik dat hij in de accountancy zat. Die metertjes verraden zijn emoties : als hij verbaasd is of geagiteerd, dan draaien ze sneller. Karakter en techniek. Ingebeelde techniek weliswaar, want niets werkt echt. Dat is het verschil met Panamarenko, zijn duikboot kan in principe varen en zijn tuigen vliegen. Toen ik voor het eerst op Lineart Art Fair tentoonstelde, begonnen veel mensen over Panamarenko en ik, die uit de wereld van strips en animatie kwam, kende hem niet eens. Maar goed ook. Anders had ik mijzelf wellicht de hele tijd gecorrigeerd : dit doet te veel aan Panamarenko denken. Zijn werk is absoluut fantastisch en er zijn gelijkenissen, maar ik voel mij daar niet ongemakkelijk door. Bij hem ligt de nadruk op machinerie, bij mij op personages. Ik kreeg al vroeg voorstellen voor een animatiefilm op basis van mijn figuren, zelfs vanuit de VS. Maar als je daar een contract ondertekent, heb je niets meer in de pap te brokken. Ik was bang dat mijn creaties me zouden ontsnappen en dat ik niet zou kunnen ingrijpen als iets me niet aanstond. Daarom gaf ik de voorkeur aan de samenwerking met een kleinere studio dichter bij huis, zodat ik af en toe kon gaan kijken en mijn mening geven. Uiteindelijk besloot ik in zee te gaan met Laurent Witz, een Fransman met een animatiestudio in Luxemburg, die ik van vroeger kende. Maar het is waar, film is een parallel universum. Als beeldhouwer plant ik ergens een sculptuur neer en iedereen kan zijn fantasie de vrije loop laten en ervan maken wat hij wil. Natuurlijk is het leuk om Monsieur Hublot te zien bewegen, maar tegelijk leg je de toeschouwer een verhaal op en moet je veel compromissen sluiten. In mijn oorspronkelijke scenario zat heel veel zwarte humor, Laurent heeft het wat toegankelijker gemaakt voor een breder publiek. De volgende stap is een langspeelfilm. Een interessant experiment, met een nog meer vermenselijkte Monsieur Hublot, maar het resultaat zal nog verder van mijn oorspronkelijke werk staan. Nu ja, we zitten nog volop in de rompslomp van auteursrechten en gesprekken met agenten. Er zijn projecten met regisseurs, bekende namen zelfs, maar er is nog niets definitiefs getekend. Absoluut. Op financieel vlak is het natuurlijk geruststellend. Ik weet dat er geld binnenkomt, ik kan eten kopen, mijn kinderen in de kleren steken. Als je zwarte sneeuw gekend hebt, is dat motiverend. Maar het idee dat een galeriehouder zit te wachten op zoveel stuks die binnen een bepaalde termijn klaar moeten zijn, geeft wel wat stress en onder druk kan ik niet zo goed werken. Ideaal zou zijn om de hele administratieve en zakelijke kant aan anderen over te laten zodat de weg naar mijn atelier vrij is en ik kan doen wat ik het liefst doe : creëren en bricoleren. Telkens er een stuk klaar is, zou het naar een klant kunnen, er zijn galeries met wachtlijsten. Maar ik maak niet louter stukken voor mensen die het zich kunnen veroorloven ze te kopen. Het doet mij meer plezier er een aantal samen in één ruimte te tonen, aan mijn vrienden en toevallige voorbijgangers, aan iedereen. Dat is ook wat ik in het buitenland hoor. Blijkbaar stralen mijn sculpturen iets ondefinieerbaars uit, tussen surrealisme en spot, zelfspot ook. Dat is wat ons Belgen zeer karakteriseert, vaak zonder dat we ons ervan bewust zijn. Wij baden daar nu eenmaal in. In Parijs steken ze graag de draak met les petits Belges, een beetje om te plagen. En dan zijn ze verbaasd dat ik nog veel erger de draak met mezelf steek. Geen betere manier om de plagers de wind uit de zeilen te nemen. Het is trouwens iets dat we gemeenschappelijk hebben, Vlamingen en Walen. L'esprit, die spirit, overstijgt de communautaire kloof ; mijn Vlaamse vrienden lachen om dezelfde dingen als ik. Ik voel mij thuis hier in Brugge, het is niet alsof ik in een ander land ben. Nu is de kunstwereld ook heel internationaal gericht. En ik ondervind dat België zichzelf heel goed exporteert op dit ogenblik, op allerlei vlakken, het is zoiets als een kwaliteitslabel. DOOR LINDA ASSELBERGS & PORTRET CHARLIE DE KEERSMAECKER"Botsende elementen, daar is het mij om te doen. Een ambtenaar met een schietstoel, om maar iets te zeggen" "Op Lineart Art Fair begonnen veel mensen over Panamarenko en ik, die uit de stripwereld kwam, kende hem niet eens"