Architectuur en auto's: op het eerste gezicht lijken de twee niets met elkaar te maken te hebben, maar een blik in de geschiedenisboeken leert dat veel iconische architecten een sluimerende fascinatie voor de wagen hadden. "Noem het gerust een love project", vertelt journalist Thijs Demeulemeester. Samen met collega ...

Architectuur en auto's: op het eerste gezicht lijken de twee niets met elkaar te maken te hebben, maar een blik in de geschiedenisboeken leert dat veel iconische architecten een sluimerende fascinatie voor de wagen hadden. "Noem het gerust een love project", vertelt journalist Thijs Demeulemeester. Samen met collega Bert Voet en vormgever-fotograaf Thomas De Bruyne maakte hij het nieuwe boek Carchitecture, over de wisselwerking tussen beide sectoren. "In de twintigste-eeuwse architectuur werd er vaak gekeken naar wat de automobielsector deed, van de gebruikte vormen tot productiewijze. Le Corbusier droomde bijvoorbeeld van een machinaal geproduceerde woning die even gemakkelijk van de fabrieksband kon rollen als een auto en knipoogde met het ontwerp van zijn Maison Citrohan naar Citroën. Frank Lloyd Wright was geobsedeerd door de mechaniek achter de auto en ook Jean Prouvé stak zijn bewondering voor de sector niet weg. Voor veel architecten was de auto een soort fetisj, de ultieme droom om een 'rijdend huis' te creëren." Carchitecture buigt zich over tientallen woningen en auto's die een dynamisch geheel vormen. Maar is de band tussen beide sectoren vandaag nog even hecht? "Je merkt dat hedendaagse architectuur steeds minder rekening houdt met de auto", knikt Demeulemeester. "Nieuwe appartementsgebouwen in Brussel worden niet zelden zonder parkeerruimte gebouwd, waardoor je weet dat het belang van de wagen achteruitgaat. Het boek is dan ook voer voor nostalgici. Ik denk immers dat de liefde voor classic cars, net zoals die voor vinyl, altijd zal blijven bestaan."