Als ik niet op tijd aan de schoolpoort moet staan, haastig een morgen alweer vergeten deadline nahol of op een vliegtuig zit, sluit ik me graag op in de donkere kamer. Het schept nieuw perspectief wanneer ik in de voetsporen van mijn fotograferende betovergrootvader Lambert Respen stap. Zoals hem ga ik voorzichtig wegen, traag mengen, gieten en uitsmeren in het onzekere streven naar één erg onvolkomen maar precieuze foto.

Maar het voelt ook telkens weer onwennig wanneer ik in die reactionaire doka alle lichten doof. Zacht bedwelmd door de etherische dampen van het oude fotoproces word ik verlaten door mijn zekerheden. Vanop de slecht geschraagde tafelbladen loert dan overal gevaar. De mentale kaart van de ruimte is de enige troebele referentie met de kleine transistorradio als laatste baken. Het is steeds weer een bijzondere ervaring die me herinnert aan het precaire van onze vanzelfsprekendheden.

"Licht is onze moeder", bedenk ik plots. Het schenkt zuurstof, voedsel en gidst de mens door zijn onzekere bestaan. Maar vreemd genoeg is licht zelf alleen zichtbaar in wat het reflecteert. De straal op zich is onzichtbaar. Bovendien is het behoorlijk schizofreen : nu gedraagt het zich als een trilling, dan weer als een deeltje. Als u het mij vraagt, is dat geen goed begin. Wat het vervolgens aan het licht brengt - de materie - blijkt hoofdzakelijk uit niets te bestaan. En wat er is, is er ook maar heel even. Bovendien is de vaststelling ervan al voldoende om de conclusie te ondermijnen, zo vertelt de kwantumfysica. Het lijkt wel alsof licht en alles wat het verlicht, ons dwingt te aanvaarden dat de onbekende duisternis het enige echte is.

"Goed, maar ik weet toch wie ik ben", hoor ik mezelf protesteren. Alleszins niet de man die ik zeven jaar geleden was, want sinds die dag zijn alle cellen van mijn lichaam door nieuwe vervangen. Hoe betrouwbaar zijn dan de herinneringen, ideeën en waarheden die in mij opgeslagen zijn ?

Ik laat mijn kleine werkelijkheid weer oplichten met een knip van de schakelaar. Terwijl het model zich achter mij onthult, schuif ik de cassette met glasplaat de grote camera in, waarna elke molecule van de gevoelige plaat zich ongedwongen oplaadt met de reflectie van haar huid. Die boezem, schepper van onze prilste zekerheid, straalt nu op mijn onvolmaakte positief. Een trage opbouw in oneindige gradaties ontgroeit de duisternis in de zeventig seconden ingehouden adem van de geduldige muze. Het vasthouden van het moment als krampachtig bewijs van ons bestaan. Net zoals de toevallige flits van het leven in de eeuwigheid van duisternis, met onvoorwaardelijke liefde als enige precieuze waarheid.

Misschien moet ik toch maar eens naar de ventilatie van mijn doka kijken.

Tekst en foto Michel Vaerewijck