Hij was koetsier. Pezig, ruig, getaand. Hij had het uitzicht van een zigeuner en de geur van een opgejaagd dier. Als ik Carlos zag, rook ik zijn paarden. Hij maakte me wild. Ik leerde hem kennen in Sevilla, de Andalusische stad waar ik toen woonde. Geregeld liep ik langs de kathedraal waar de koetsiers op klanten wachtten. „Hoi Pedro, hoi Santiago, hoi Carlos." „Ola Clara."
...

Hij was koetsier. Pezig, ruig, getaand. Hij had het uitzicht van een zigeuner en de geur van een opgejaagd dier. Als ik Carlos zag, rook ik zijn paarden. Hij maakte me wild. Ik leerde hem kennen in Sevilla, de Andalusische stad waar ik toen woonde. Geregeld liep ik langs de kathedraal waar de koetsiers op klanten wachtten. „Hoi Pedro, hoi Santiago, hoi Carlos." „Ola Clara." Het was leuk praten met de koetsiers, ze kenden zoveel verhalen, ze konden zo goed vertellen. Ze pasten zo goed in deze stad. De stad waar klokken uitbundig in kerktorens beierden, waar castagnetten klepperden, waar lottoverkopers met schorre stem hun biljetten aanprezen. De stad waar hartstocht uit de warme kasseien leek op te stijgen. Carlos viel mij onmiddellijk op. Hij had prachtige ogen. De ogen van een jongen, van iemand die gulzig in het leven bijt. Maar bovenal viel zijn trots mij op. Kaarsrecht zat hij op zijn koets, als een heerser, als een koning. Het gebeurde dat ik tot vijfmaal toe voorbij de kathedraal liep, in de hoop een glimp van hem op te vangen. Soms zag ik hem in een flits voorbijrijden, langs de stierenring, aan het Alcazar... en telkens sprong mijn hart op. Als hij mij opmerkte, liet hij zijn bellen rinkelen. Op een dag stelde hij voor om samen tapas te eten. Hij zou me thuis afhalen. Ik kon mijn zenuwen nauwelijks de baas. Toen hij aanbelde, vloog ik meteen in zijn armen. Ik kon niet weerstaan aan het verlangen. Ik zei dat ik van zijn haren hield, en van zijn tatoeages. Hij ontstak een vuur in mij, dat mij hoog boven de wolken tilde, maar dat mij ook zou verteren. Carlos was getrouwd. Elke avond ging hij naar huis, naar zijn vrouw, maar wat hij overdag had uitgericht, vertelde hij niet. Dat vond ik goed. Ik wilde niet dat hij haar in de steek zou laten, maar tegelijk wilde ik hem ook niet kwijt. We bleven elkaar opzoeken. Ik hield van zijn manier van vrijen. Wild, dierlijk, grensoverschrijdend en bevrijdend. Een mengeling van bruutheid en zachtheid die ik zo mooi vond. Carlos vroeg zich niet af of ik genoot van het spel. Hij onderwierp me aan zijn grillen, en ik vond het fantastisch. Geen enkele man had ooit op deze manier bezit van mij genomen. Onder zijn navel beloofde een tatoeage : solo para ti. Alleen voor jou. Hoeveel vrouwen hadden dit gezien, en misschien ook wel geloofd ? Carlos ging slechts tot zijn tiende naar school. Hij las boeken noch kranten, maar hij had een krachtige persoonlijkheid. Hij was puur in alles wat hij deed, levenslustig, en zo authentiek. Carlos was het leven zelf en ik had hem lief met heel mijn hart. Wat heb ik toch verlangd naar hem. Dagenlang, soms wekenlang op hem gewacht. Hij wist me te temmen, hij had me in zijn macht. Honderden keren ging ik aan mijn venster staan in de hoop hem te zien naderen. En ja, soms reed zijn koets onder mijn balkon door, maar altijd wanneer ik het net niet verwachtte. Hij bepaalde wanneer we elkaar zagen ; ik kon niet anders dan me overgeven aan wat hij wilde. Ik kreeg geen vat op hem, ik kon hem niet voorspellen, en juist dat fascineerde. Op een avond, rond een uur of acht, hoorde ik paarden naderen. Het was een prachtige zomeravond. Door mijn raam zag ik de groene platanen oplichten in een warme avondgloed. En boven het geratel van de koets, hoorde ik iemand lé lé lé zingen. Het was Carlos. Hij gaf me een magnolia die hij op straat had geplukt en die mijn appartement een bedwelmende geur gaf. Ik leefde in een roes. Ondertussen knaagde het schuldgevoel. En de angst dat de andere koetsiers, en ten slotte ook zijn vrouw, dit zouden ontdekken. Ik wist wel zeker dat ik nooit de oorzaak wilde zijn van een echtscheiding. De koetsiers waardeerden me, ze noemden mij una buena persona, maar ik had een zwarte vlek op mijn ziel. Ik voelde me zo hypocriet. Ik dacht meer afstand van Carlos te kunnen nemen door mij niet tot hem te beperken. Op een dag kreeg ik bezoek uit Duitsland. Een ingenieur die ik eerder had ontmoet, vroeg me of hij bij mij mocht logeren. Ik zei meteen ja en zou hem opwachten aan de luchthaven. Ik vertelde alles aan Carlos. Uit eerlijkheid, maar ook omdat ik hoopte dat de duidelijkheid afstand zou creëren. Ik gaf hem alle details, de dag en het uur van aankomst, hoe lang hij zou blijven. Van de luchthaven reed ik met mijn Duitse ingenieur recht naar huis, en recht naar bed. Toen we naakt in elkaars armen lagen, hoorde ik plots hoefgetrappel in de straat. De paarden stopten onder mijn venster. Mijn adem stokte. Toen klonk er een zweepslag en een krachtig olé. Dat roepen koetsiers om hun paarden aan te sporen. Meteen wist ik dat ik veel liever met Carlos in bed had gelegen. De truc met de ingenieur werkte niet. Ik bleef naar Carlos verlangen. Ik vertelde hem over mijn intellectuele Duitse minnaar, en hoe die er niet in geslaagd was om hem, Carlos, te doen vergeten. „El amor no conoce estudios", antwoordde hij : de liefde houdt geen rekening met studies of diploma's. Ontelbare keren heb ik het uitgemaakt. En dan weer aan. En de passie werd almaar sterker. Toen ik op een dag terugkwam na een bezoek aan België heeft Carlos me ontvoerd. Hij nam me zwijgend mee op de koets. We reden door de nacht, tot ver buiten de stad. Plots klom hij van de bok en kwam naast me zitten, achter in de koets. Ik schreeuwde het uit van angst. Een paard met koets zonder bestuurder op een driebaansweg ! Maar Carlos straalde, zijn ogen glinsterden. Het was hèm ten voeten uit : het lot tarten, alles durven, leven in totale vrijheid. En toen kwamen we aan in een stelplaats voor koetsen. „Laat me eruit", smeekte ik, bang dat de anderen ons zouden opmerken. Maar hij reed door. In paniek sprong ik van het rijdende tuig. Carlos, kwaad, zei dat hij wist wat hij deed. Hij trok me terug in de koets en reed de stal binnen. En daar, midden in de nacht, hebben we de liefde bedreven. Ik hoorde hoe de koetsiers hun paarden verzorgden, het gesputter van een transistorradiootje ergens in die reusachtige stal, het gekraak van ons rijtuig... Ik ging steeds vaker naar België terug, en uiteindelijk ging ik er weer wonen. Ik probeerde me los te maken, maar hoe ver Carlos ook fysiek van mij verwijderd was, hij bleef macht over mij uitoefenen. O ja, ik probeerde het met andere mannen, maar ze werkten me heel snel op de zenuwen. Tegelijk leek het alsof ik een stuk van mezelf kwijt was. Een wild en dierlijk stuk van mezelf, dat alleen hij kon oproepen. Jarenlang bleef ik op die manier aan Carlos geketend. Twee jaar geleden ging ik voor het laatst terug naar Sevilla. Ik nam de kortste weg naar de kathedraal, zag in de verte de koetsiers, maar kon Carlos nergens bespeuren. „Ola Clara", zei een van zijn vrienden. „Weet je het al van Carlos ?" Ik wist helemaal niets. Carlos had zich verhangen in zijn achtertuin. Ik heb getreurd, gerouwd, geleden. Nooit, nooit had ik dit van hem verwacht. Die energieke man, de levenslustige koetsier, mijn gepassioneerde minnaar. Maar nu, twee jaar later, voel ik het aan als een bevrijding. Nu besef ik dat ik mij niet aan iemand anders kon geven zo- lang Carlos er was. En kijk, recent heb ik een nieuwe liefde gevonden. DOOR ANN LEPÈRE„Onder zijn navel beloofde een tatoeage : alleen voor jou. Hoeveel vrouwen hadden dit gezien, en misschien ook geloofd ?"