Het wordt een hobbelige rit", grijnst John. De piloot van Wilderness Air ziet eruit zoals je dat van zo'n jonge avonturier verwacht : sportief en gebruind, in shorts en korte mouwen. Zelden werd een pilotenbril met meer bravoure gedragen. De Cessna 210 die ons van Maun naar Chitabe Concession zal vliegen, biedt plaats aan drie passagiers plus bagage. De thermometer geeft 30°C aan en er staat een stevige bries. "Turbulentie !", belooft John. Hij verzoekt ons bovendien om op te letten voor vogels die van plan zijn in de propellers te vliegen. Mijn partner en ik kijken elkaar aan. Een grapje, mogen we hopen.
...

Het wordt een hobbelige rit", grijnst John. De piloot van Wilderness Air ziet eruit zoals je dat van zo'n jonge avonturier verwacht : sportief en gebruind, in shorts en korte mouwen. Zelden werd een pilotenbril met meer bravoure gedragen. De Cessna 210 die ons van Maun naar Chitabe Concession zal vliegen, biedt plaats aan drie passagiers plus bagage. De thermometer geeft 30°C aan en er staat een stevige bries. "Turbulentie !", belooft John. Hij verzoekt ons bovendien om op te letten voor vogels die van plan zijn in de propellers te vliegen. Mijn partner en ik kijken elkaar aan. Een grapje, mogen we hopen. Even later hangen we 300 meter boven de savanne, Denys Finch Hatton en Karen Blixen achterna, zij het iets zuidelijker. We passeren de Wild Fence, het hoge hek dat in Botswana het vee van de wilde dieren scheidt, om de verspreiding van mond-en-klauwzeer te voorkomen. "Elephant !", jubel ik, opgewonden als een kind, bij het zicht van een eenzame dikhuid linksonder. Mijn partner meldt droogjes dat er rechtsonder wel tien olifanten paraderen. En dat van die turbulentie was geen grapje. Het vliegtuigje bokt en schudt. Onze enige medepassagier, een inheems meisje dat in Chitabe werkt en de post voor het kamp meebrengt, rolt angstig met haar ogen en legt haar hand op mijn knie, een zeldzaam vertrouwelijk gebaar van een wildvreemde. Een halfuur later landen we veilig en wel op een stoffige airstrip. Wat verder kijken een paar giraffen onbewogen toe. Geen twijfel mogelijk, we zijn in Afrika. Wat voorafging. Maun is de poort tot de Okavango, het grootste binnenlandse deltasysteem ter wereld met een oppervlakte van 15.000 km², bestaande uit moerassen, lagunes, kanalen en diverse eilanden. Het gebied wordt gevoed door het overvloedige regenwater dat vanuit de Angolese hooglanden via de Okavango de delta instroomt. Door breuken in de aardkorst kan de rivier niet verder stromen en komt het water tot stilstand in het droge zand van de Kalahariwoestijn. De waterstand in de delta fluctueert volgens het seizoen en de regenval. Het is midden november als we in Maun arriveren, maar de regens laten op zich wachten. Om te acclimatiseren na een paar dagen Kaapstad brengen we de nacht door in The Royal Tree Lodge, even buiten Maun. Logeren doen we in een stevige canvas tent op een houten verhoog midden in het woud. Ik ben meteen verrukt over het koloniale interieur en in het bijzonder het vrijstaande bad op pootjes. Minder verrukt ben ik over de waarschuwing van Julius, de manager van de lodge : "Altijd uitkijken waar je loopt in het woud : slangen die snel wegglippen vormen geen gevaar. Het zijn de trage die blijven liggen waarvoor je moet uitkijken." Pofadders zijn trage slangen. Weifelend kijk ik naar de houten trap die naar ons platform leidt. Kunnen pofadders trappen opklimmen ? Overigens krijgen we in elk kamp op ons traject een waarschuwing voor slangen. Een running joke wordt het, de hele reis zullen we geen slang te zien krijgen. Niet dat het veel scheelt. In Chitabe toont een Amerikaanse toeriste mij een foto op haar smartphone van een python die de vorige avond net onder de houten loopbrug een dikdik (kleine antilope) verslond. Nu begrijp ik waarom we na zonsondergang niet zonder begeleiding naar onze hutten mogen lopen, er gaat altijd een opzichter met een lamp en stok mee. Als toeristen zijn we bevoorrechte bezoekers in de lodges, maar de dieren zijn de baas, zoveel is duidelijk. Dezelfde opzichter maakt ons 's morgens om 4.30 uur wakker voor het ontbijt. Thuis zou ik het ergerlijk vinden om zo vroeg te moeten opstaan, hier vind ik het heerlijk om in de roze ochtendschemering de geur van Afrika op te snuiven. Uit de nevels duiken giraffen en zebra's op, ranke impala's, een wrattenzwijn, de staart als een antenne in de lucht, gevolgd door een reeks biggen. Alle jonge dieren zijn schattig, zelfs hyena's. Gids Gordon spreekt met de stem van Darth Vader. Hij kent het gebied als zijn broekzak, ziet met het blote oog dieren in het droge savannegras die wij niet eens met de verrekijker bespeuren. Bij elke game drive voert hij ons in een stoere Landrover naar een ander gebied zodat we telkens nieuwe dieren zien : een luipaard dat slappe antilopekarkassen in een boom heeft gedrapeerd, als was het zijn provisiekast. Brutale bavianen, gnoes die me aan wijze professors doen denken, leeuwen tijdens hun honeymoon. Veel passie komt daar niet aan te pas. Soms liggen ze een kwartier lang te soezen, dan staat het mannetje zonder zichtbare aanleiding op en bestijgt het vrouwtje, dat hoogstens een verveelde grauw uitstoot. Een paar seconden later is het alweer voorbij. Maar ze doen het wel heel vaak. Toeschouwers schijnen hen niet te deren, de gêne komt geheel van mijn kant. Na de vroege game drive is het tijd voor de lunch. Hoe krijgen ze al dat heerlijk voedsel ter plaatse, vraag ik me telkens weer af. Aan tafel worden er foto's getoond en straffe verhalen over ontmoetingen met dieren uitgewisseld. Een Wildernesskamp heeft maximaal een tiental luxueuze hutten; het toerisme in Botswana mikt op kwaliteit, niet op kwantiteit. Na de lunch is er tijd voor een siësta : op het panoramadek, naast het plonsbad, op een yogamat voor de hut. Na de afternoon tea (holy mackerel, alweer eten !) is het tijd voor de tweede game drive. Waterbuffels staren ons sloom aan, hijgerige wilde honden jagen in roedels. Geen sympathieke beesten als je het mij vraagt, maar daarom moeten ze natuurlijk nog niet uitsterven. Vandaar het Botswana Wild Dog Research Project, ter bescherming van dit zeldzaam wordende dier. Drie dagen lang speuren we de savanne af op zoek naar een cheeta, maar die laat zich niet zien. "Jammer toch", bast Gordon als hij ons naar de airstrip brengt. En dan, met een uitgestreken gezicht : "Of toch niet." En jawel, een paar meter verderop zit een pracht van een jachtluipaard op een termietenheuvel, alsof hij daar de hele tijd op ons heeft gewacht. "Puur toeval", houdt Gordon vol, en nee, hij heeft het beest niet gelokt met lekkere beetjes. Chitabe International bestaat uit een startbaan van aangestampte aarde, een afdak en een windzak. Het ritueel bij vertrek is altijd hetzelfde : de Landrover rijdt langs de startbaan om de giraffen, zebra's en antilopen te verjagen die daar graag vertoeven omdat ze op de open plek roofdieren van ver zien aankomen. En daar komt de Cessna al aangevlogen, een witte vogel in de zon. De kleine vliegtuigjes zijn het Afrikaanse equivalent van een boemeltrein. Her en der droppen en pikken ze vracht en passagiers op en meestal zijn ze nog stipt op tijd ook. Elk Wildernesskamp is anders van sfeer. Kwetsani is een van de meest afgelegen privéreservaten. In het regenseizoen is het een eiland, begroeid met palmen en oeverbos en omringd door overstromingsgebied. In het droge seizoen heb je vanuit een van de vijf luxueuze boomhutten met binnen- en buitendouche een adembenemend uitzicht over de savanne. Een kudde olifanten die met veel gedruis onder je neus voorbijkuiert, het is een adembenemende ervaring. Het kamp wordt geleid door een Zuid-Afrikaans koppel. Dan is fotograaf, gespecialiseerd in wildlife. Met groepjes geïnteresseerden beladen met camera's en statieven trekt hij op fotosafari. Charmaine is dichteres. Na het diner vertelt ze graag over de leeuwenkolonie van Kwetsani. De koningsdrama's van Shakespeare zijn er niets tegen. Ze maakt ons ook warm voor Perry, de onschuldige huisslang die graag op de trap zont. Klinkt sympathiek, maar ik heb nooit het genoegen Perry te ontmoeten. Typisch voor Kwetsani zijn trips met de mokoro, een traditionele houten kano. Bijna geluidloos glij je door het heldere water, kleurrijke vogels en libellen zo dichtbij dat je ze bijna kunt aanraken. Ook zeer dichtbij, toch naar mijn gevoel, zijn de hippo's in een van de diepere poelen. Ik mag er niet aan denken dat een van hen zich omdraait en ons bootje viseert. Maar de logge dikzakken gunnen ons geen blik. Brunchen doen we op een platform hoog in een enorme acacia. Samen met gids Ras slepen we tuinmeubelen en koelboxen vol heerlijk voedsel aan. Een waar festijn is het, met de ongereptheid van Afrika als decor, zover het oog reikt. King's Pool Camp, met zicht op een lagune en de Linyantirivier, heeft alles wat de vorige kampen aantrekkelijk maakt, maar dan in het kwadraat. De luxueuze hutten, exquis ingericht met antieke meubelen en decoratie in koloniale stijl, hebben een privéplonsbad. Ook gastronomisch is King's Pool het nec plus ultra. Een absolute aanrader is een brunch in een schuilhut op de oever van de lagune, waar je bij het genot van een glaasje champagne en van diverse koude en warme schotels het wild van heel dichtbij kunt observeren. Maar ook bij bavianen heb je fijnproevers. Wie de deur niet goed afsluit, krijgt gegarandeerd ongenood bezoek. Saus en boter vliegen tot tegen de wanden. Een ander hoogtepunt is een sundowner cruise met de Queen Sylvia, genoemd naar de Zweedse koningin, die hier in haar jonge jaren vaak met haar man Gustav op safari kwam. Hoe dan ook heb je op de boot een hoog African Queen-gevoel, omgeven door brullende nijlpaarden en met een komkommersandwich en een kopje thee of iets sterkers bij de hand. Zei ik al dat je op zo'n safari ontzettend veel eet ? Maar in de wildernis is het drama nooit ver weg. Als een roedel hyena's met eindeloos geduld een kudde olifanten belaagt, bijvoorbeeld, tot ze een kalf van een paar dagen oud kunnen afzonderen. Babyolifanten zijn ronduit aandoenlijk, met dat toefje haar op hun kop. En de aanblik van een dood olifantenkalf grijpt je zonder meer naar de keel, zeker als de moeder en de rest van de kudde eromheen staan en zand over het jong uitstrooien. Leeuwen, hyena's en roofvogels wachten in het struikgewas en in de bomen op hun deel van de feestdis. Plots een luid gekraak en gesnuif in de bush en daar komen nog meer olifanten aan, om mee te rouwen als het ware. Het is een aanblik die me eeuwig zal bijblijven. "Journeys that change your life", beloven ze bij Wilderness Safaris. Ik kan het alleen maar beamen. Tekst en foto's Linda Asselbergs"Slangen die snel wegglippen vormen geen gevaar. Het zijn de trage die blijven liggen moet uitkijken"